Beste Marjolein | Brief 2

Willem Claassen - 16 januari 2020
Marjolein Takman

Twee schrijvers over het thema 'niet gehoord worden'

Naar aanleiding van de oprichting van de nieuwe omroep Ongehoord Nederland vraagt Marjolein Takman zich af of ze zich gehoord voelt door de politiek. In een briefwisseling met Willem Claassen verkent ze samen met hem het thema ‘niet gehoord worden’. De twee schrijvers gaan het nieuwe jaar in met overdenkingen over o.a. representatie, nieuwsconsumptie, verjaardagen en het smoelenboek van de Tweede Kamer. Heb je Marjoleins brief gemist, je vindt hem hier.

 

Beste Marjolein,

Dankzij je brief weet ik nu dat ik op een maand na 10 jaar ouder ben dan jij. Dat betekent dat toen jij voor het eerst mocht stemmen ik de leeftijd had die jij nu hebt. Nog gefeliciteerd trouwens. Ik denk niet dat ik je iets kan geven. Iets mee kan geven, bedoel ik. Ik voel me niet 10 jaar ouder dan jij, ik ben geen wijs man. Er zijn wijzere mensen van mijn leeftijd. Toen ik in het smoelenboek van de Tweede Kamer keek, zag ik opvallend veel eind-dertigers. Ik kwam erachter dat ik een jaar ouder ben dan Baudet en een jaar jonger dan Dijkhoff. Ik zit tussen twee rechtse beloftes in. Nu wil ik zeker niet zeggen dat zij wijzer zijn dan ik, maar ze hebben het op een bepaalde manier wel verder geschopt. Vooralsnog dan.
Ik vraag me trouwens af of mensen echt wijzer worden naarmate de jaren vorderen. Ze hebben meer levenservaring, kunnen dingen beter relativeren, maar dat betekent niet per se dat ze betere keuzes maken. Bovendien tasten ze net als wij (kijk, ik begin al in wij te spreken, o jeugdig verlangen!) in het duister als het gaat om wat de toekomst brengen zal. Stem dus gerust op een leeftijdsgenoot.

Als ik kijk naar mijn stemgedrag door de jaren dan ben ik vrij consequent en daardoor ongelooflijk saai. Wel ben ik steeds meer vanuit mijn gevoel gaan stemmen en minder vanuit standpunten. Ik weet niet of dit wijsheid of gemakzucht is.
Een vriendin vertelde een tijdje terug dat mensen vaak eerst een bepaald standpunt kiezen en daarna pas argumenten verzamelen. Ze zei ook dat mensen heel graag een mening willen hebben. Ze vinden het moeilijk om ergens neutraal in te staan. Misschien herken je het wel als je met iemand in de auto zit. Je luistert samen naar het nieuws op de radio en de ander kan de neiging niet onderdrukken om te reageren. Het is een soort Pavlov-reactie. Er is een mening in de auto gekomen en daar moet je iets mee. Ben je het eens met de ander? Dan is het makkelijk. Maar als dat niet het geval is, moet je overwegen of je het de moeite waard acht om te discussiëren. Misschien is het beter om in te stemmen, of te zwijgen.
Ik weet niet wat ik hiermee precies wil zeggen. In tegenstelling tot jou heb ik de laatste maanden vaak een mening over iets. Het lijkt wel alsof ik in een spiraal terecht ben gekomen, een meningenspiraal, en daar maar moeilijk uitkom. Ik word er een beetje misselijk van. Het lijkt me wel iets om een keer een half jaar geen nieuws te volgen. Dat zal rust geven. Toch? Of maakt het juist onrustig? Want het nieuws volgen is ook ontsnappen aan dagelijkse beslommeringen. Het is afleiding, ontspanning, entertainment.

Terug naar jouw brief. Toen ik hem las, drong ineens de dubbele betekenis van het woord ‘ongehoord’ tot me door. Sinds het nieuws over de oprichting van die nieuwe omroep heb ik daar – tot mijn schaamte – helemaal niet bij stilgestaan en nu vraag ik me af of het ook niet vooral die tweede betekenis is waar het ze om gaat. Willen ze niet vooral een ander geluid laten horen, een politiek incorrect geluid?
Maar goed, ze zullen zich vast en zeker ook ongehoord voelen. Ik denk dat er een verschil bestaat tussen mensen die zich ongehoord voelen en mensen die daadwerkelijk niet gehoord worden. Die tweede groep is niet bij machte om zich te laten horen, heeft niet de woorden en het podium. Deze mensen hebben waarschijnlijk ook zelf niet in de gaten dat ze gehoord willen en moeten worden, omdat ze alleen bezig zijn met overleven. Ik denk dat een politicus, maar ook een journalist en een kunstenaar op zoek moet naar deze groep. Niet iedere politicus, journalist of kunstenaar, maar iemand zal het moeten doen.
Tot zover een van mijn vele meningen.

Je schrijft over representatie in het parlement en in de literatuur. Ik denk niet dat een lezer zich letterlijk hoeft te herkennen in een fictief personage, maar er moet wel herkenning zijn in kleine menselijke dingen. Ik kan meeleven met een middeleeuwse Ghanese vrouw als ik haar emoties, ideeën en gedrag kan herkennen. In de politiek denk ik ook niet dat je jezelf een op een hoeft te herkennen in de identiteit van een volksvertegenwoordiger. Het gaat om wat diegene vindt en denkt, niet om zijn gezicht, naam, leeftijd en woonplaats.
Maar toch, als ik door het smoelenboek van de Tweede Kamer scrol, moet ik denken aan de kinderboeken, -series en -films die mijn twee dochters tot zich nemen. In de Tweede Kamer zit niemand met een Surinaamse, Antilliaanse, Chinese of Irakese achtergrond. In de verhalen die mijn dochter voorgeschoteld krijgen is nagenoeg iedereen wit, een vrouw is nooit kostwinnaar en je moet met een lampje zoeken naar gebroken gezinnen, gezinnen met twee moeders, stellen zonder kinderen, eenlingen en ga zo maar door. Je kunt je afvragen of die uitzonderingen – behalve de gebroken gezinnen, die zijn geen uitzondering natuurlijk – zoveel aandacht nodig hebben in die kinderverhalen. Dat geeft ook weer geen eerlijk beeld van de samenleving. Maar moet je aan kinderen niet juist die verscheidenheid laten zien, de mogelijkheden?
Mijn zus zapte in haar tienerjaren elke dag alle kanalen af tot ze uiteindelijk bij een soap op een Duitse zender terechtkwam waarin een romance ontstond tussen twee vrouwelijke personages. Een Surinaams-Nederlands meisje zou na een paar keer zappen uit moeten kunnen komen bij een spoeddebat waarbij iemand met haar achtergrond achter de microfoon staat.

Uiteindelijk wil iedereen gehoord worden. Misschien specifieker nog: gewaardeerd worden.
Als ik denk aan hoe ik erbij zal zitten over 10 jaar, dan hoop ik dat het hetzelfde is als nu. Het enige verbeterpunt dat in me opkomt, is dat ik me meer gewaardeerd zou willen voelen. Dat zegt natuurlijk vooral iets over mezelf, in de eerste plaats moet ik mezelf meer waarderen.
De mensen die zich ongehoord voelen, willen zich ook vooral gewaardeerd voelen, denk ik. Ze willen letterlijk gehoord worden. Ze willen dat we naar ze naar ze luisteren, dat we ze serieus nemen. Ik moet denken aan een tv-fragment waarin Aboutaleb luistert naar Rotterdamse wijkbewoners die problemen hebben met de komst van een AZC. De burgemeester draait niet meteen van ze weg. Hij komt niet meteen met zijn eigen verhaal, zit niet vast in zijn eigen ideeën. Hij luistert, en geeft dan pas antwoord.

Ik las ergens dat mbo’ers op de basisschool vaak gepest worden en op de middelbare school weinig geloof hebben in hun eigen kunnen. Dat verraste me. Misschien ook omdat ik altijd onder de indruk was van mavoleerlingen (toekomstige mbo’ers) die ik vroeger op het schoolplein tegenkwam. Ze hadden een grote bek, ze waren cynisch, sterk en leken het op hun manier beter te weten. Nu zie ik in, toch die wijsheid, dat het een manier was om hun onzekerheid te maskeren. Zelf kom ik van de havo en heb dat vaak voor de grap als excuus gebruikt. Maar ondertussen heb ik nooit echt geloofd dat ik iets zou kunnen begrijpen van wat een vwo’er begrijpt.
Mbo’ers mogen zich vanaf komende zomer officieel student noemen. Vanaf het nieuwe studiejaar zijn ze gelijk aan hbo’ers en wo’ers. Ik denk dat dit een simpel en mooi voorbeeld is van hoe mensen zich meer gewaardeerd kunnen voelen.

Liefs,
Willem

 

Klik door naar Marjoleins reactie.

Willem Claassen schrijft. Hij publiceerde een roman (Park) en twee verhalenbundels (De koe die de Waal over zwom en Beungening). Columns van zijn hand verschijnen in de Gelderlander en Radboud Magazine. (Foto door Purdey van Dijke | http://purdeyvandijke.nl/)