Da Portare Via

Rosanna ten Have Koen Frijns  - 22 september 2022

Koen Frijns is Curator van het Onzichtbare en selecteerde drie schrijvers die je om beurten hier leest

Dit keer doen we het helemaal anders! De Curator van het Onzichtbare is geen oude rot in het vak, maar een maker van Wintertuin, Koen Frijns. Koen zit al meerdere jaren in het talentontwikkeltraject van Wintertuin. We vroegen hem welke jonge schrijvers het in de gaten houden waard zijn, hij koos Ravi Ram, Rosanna ten Have en Rosa Vlogman.
Koen heeft veelvuldig geschreven over zijn tijd in het tankstation en de paardenstal en zelfs Frino zag zijn levenslicht tussen de drukpersen en autobanden van de vuilnisstort. Daarom vroeg Koen Ravi, Rosanna en Rosa: wat is/was jouw literaire bijbaan? Ter introductie schreef Koen onderstaande tekst.


 
Ik zat in het eerste jaar van de opleiding Creative Writing toen een klasgenoot tegen me zei: ‘Als ik schrijf ben ik een mens en als ik in de supermarkt werk, ben ik een schrijver.’ Ik wist niet helemaal wat het betekende, maar de zin resoneerde. Ik besloot zijn stelling te testen door een kort verhaal te schrijven over mijn bijbaan in het tankstation. Ik stelde een aantal voorwaarden, zo ik mocht alleen schrijven als ik aan het werk was en in de tekst mochten alleen personages voorkomen die ik tijdens werktijd ontmoette. Het experiment resulteerde in een serie korte scènes over een jongen die met kerst een gehaktbal eet met een bouwvakker, een allergische reactie krijgt van de pesticiden waarmee hij de ventweg moet bespuiten en de vieze joggingbroek die hij altijd aan heeft.
Jaren later durf ik wel te stellen dat al mijn bijbanen een blijvende invloed hebben gehad op mijn schrijverschap. Voor Frino, een brabohopduo waar ik in zit, schrijf ik regelmatig teksten in het Brabants waarin ik zinnen verwerk die ik hoorde toen ik nog bij de vuilnis werkte. Maar ook als toneelschrijver put ik graag uit mijn werkende verleden. In mijn toneelstukken laat ik personages in een verminkte taal spreken, zoals ik die als Deliveroo-koerier soms opving in het voorbijgaan.
Nu zou ik een nieuwe lichting getalenteerde schrijvers willen vragen hoe hun bijbaan zich verhoudt tot hun schrijversschap. Twee schrijvers die net zijn afgestudeerd van de schrijfopleiding op ArtEZ, en waarmee ik het genoegen heb gehad om hen te zien voordragen of les te geven, en een ArtEZ-alumnus die vorig jaar debuteerde bij Uitgeverij de Harmonie. Alledrie met interessante bijbanen.
De eerste, Ravi Ram, is eindredacteur voor online/tv-programma’s. Voor haar afstudeerwerk schreef ze een chanson die door merg en been ging over een jongen die op een dak zat. Er is zelden een moment geweest dat ik zo blij was dat ik op de eerste rij van een theaterzaal zat. Ik heb dit nooit tegen haar gezegd, maar ik moest een traantje wegpinken tijdens haar performance.
De tweede is pizzabakker Rosanna ten Have, die de prachtige novelle Badje 3 schreef over een jonge vrouw die zich aansluit bij een zwemclub om letterlijk te leren drijven. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman bij Uitgeverij Cossee.
Tot slot vroeg ik Rosa Vlogman die de literaire wereld bestormde met haar wervelende debuutroman Raaf, over een verstikkende relatie tussen moeder en zoon. Naast schrijver is ze ook tarotlezer.
Nog steeds heb ik geen idee wat de observatie van mijn klasgenoot nu werkelijk betekent. Maar misschien brengen de overpeinzingen van deze wonderlijke schrijvers me een een stukje dichterbij een antwoord.


 

Da Portare Via

Vanaf het midden van de bonnetjesbalk, waar je bestellingen onder schuift, druppelde een zwart stroompje naar de werkbank. Het spul was dik en stroperig, een soort motorolie. Hoe het er kwam, en wat het was, wist niemand. Er werd alleen van onderen droog papier in gestoken, verder leidde er niks naar de balk toe.
Op mijn achttiende begon ik met mijn werk als pizzaiola bij Da Portare Via. Ik was betrokken bij de opkomst en ondergang van de eerste pizzeria met een houtoven die alleen pizza’s verkocht. Het was een van mijn eerste baantjes en ik was net met de dansacademie gestopt. Na jaren alleen met dans bezig te zijn, was het alsof ik alles opnieuw moest leren.
De druipende motorolie begon tien jaar later, toen het algehele verval van de zaak al was ingezet. Meestal veegde ik het weg met een stuk Torkrol, dan bleef de omtrek van de vlek zichtbaar als bij geronnen bloed. Ik ben tot het einde gebleven. Toen we tablets van Deliveroo, Foodora en Uber op de toonbank hadden staan. De echte baas had zich allang laten uitkopen, die ‘draaide zich nog liever om in zijn graf’ dan slappe lauw geworden pizza’s te laten bezorgen. Da portare via betekent niet voor niets ‘om mee te nemen’.
Op mijn eerste dag leerde ik Kim kennen. Ze schoof een bonnetje onder de balk met daarop een pizza Tartufi en een Don Floert. Onderaan had ze ‘Dik’ geschreven – de nummertjes die we konden omroepen als de pizza klaar was waren op. Met een hete doos in mijn handen ben ik iedereen individueel afgegaan met de vraag: ‘Bent u Dik?’ Uit ongemakkelijkheid moest ik lachen. Kim lachte mee, misschien uit medelijden, maar ze lachte in ieder geval.
Later die avond mochten we flessen prosecco opentrekken omdat we de hoogste omzet ooit hadden gedraaid. Toen leerde ik dat Don Floert de overleden opa van de baas was. Met zijn deel van de erfenis had de baas de de pizzeria kunnen verwerkelijken. Don Floert was de favoriete pizza van Johannes van Dam, ik vond het meer een veredelde cracker. Na die dag las ik op IENS dat we ‘goeie pizza’s’ verkochten, maar dat het personeel ‘erg vreemd, arrogant en onaangepast’ was.
‘Je doet me denken aan mijn vriendin Xyfu,’ zei Kim. Er bestaat op deze wereld maar één iemand met die naam. Ik kende die Xyfu, het was mijn hartsvriendin van de basisschool. Ik was haar uit het oog verloren omdat ik op mijn achtste van Amsterdam-Noord naar Zuid verhuisde. Ook Xyfu kwam bij de pizzeria werken.
In het begin bakte ik er niks van. De pizza’s waren te klein, ze bleven op de schep plakken of er zat een gat in, waardoor de oven een grote rokende mozzarellakorst werd waar je niks meer in kon schuiven. Toch bleven de mensen komen. Ik leerde dat je ergens niet goed in hoeft te zijn als je eraan begint. Het werd zelfs nog veel drukker en er kwamen meer mensen met typische namen bij de pizzeria werken. Ook Doronnen en Julockes begonnen bonnetjes onder de balk te schuiven. Ik deed toelating voor de schrijfopleiding Creative Writing aan ArtEZ in Arnhem.
Het werd zo druk dat je niet meer helder na kon denken, dat je die Doron per ongeluk Don Floert noemde, dat iemand ‘Sorry we verkopen geen cocktails’ antwoordde toen er twee Margherita’s werden besteld, dat er ook nog een Bos, een Don en een Ashanti werden aangenomen.
Andere slimmeriken kregen er lucht van en Pizzabakkers, Klaprozen en La Perla’s met hetzelfde tl-licht, authentieke stenen muren en geblokte plastic tafelzeilen werden uit de grond gestampt. Da portare via opende nieuwe filialen. In Watergraafsmeer, op de Wallen, maar ook buiten Amsterdam. In eerste instantie leek uitbreiden een goed idee.
Zowel de pizza’s als het vreemde, onaangepaste personeel hadden een aanzuigende werking. Sommige mensen wilden alleen maar door Kim of Julocke geholpen worden. We hadden veel veeleisende, eigenaardige gasten, die ons gedrag uitlokten. Ook de buurman deed een duit in het zakje met zijn briefje: ‘Jullie denken zeker dat het de kaboutertjes zijn die jullie peuken iedere keer opruimen, maar IK ben het, de buurman.’ De stadswacht die bij vergunningscontroles naar de leidinggevende vroeg en dan ‘Is dat niet een beetje veel verantwoordelijkheid voor zo’n meisje als jij?’ tegen me zei. Meerdere mensen kwamen terug met hun pizza om, terwijl ze op de rucola wezen, mee te delen dat ze geen konijn waren. Zuid-mannen die bij de oven gingen staan en tegen hun vriendjes zeiden: ‘Zie je die bezem? Ze heeft geen benul van wat ze aan het doen is, maar ze is nu de oven aan het vegen, anders krijg je roet op de bodem van je pizza. Zelf snapt ze er niks van.’
Die stadswacht had trouwens wel een klein puntje: in ons filiaal hadden we geen volledige horecavergunning, er mocht eigenlijk geen alcohol geschonken worden. Na een tijdje werd besloten dat we daarom geen bier meer op het terras mochten schenken.
‘Bier mag alleen binnen, dus buiten mag je geen bier drinken. Weet je zeker dat je het dan nog wil hebben? Want het mag dus echt alleen binnen, dat bier. BIN-NEN,’ zei degene aan de kassa met besauste kin en bloem in het haar, die Doron net Don Floert had genoemd en geen cocktails verkocht.
‘Maar ik heb het zoo waaaarmmmmmm,’ zeiden ze, toen ze BUI-TEN stonden met hun biertje. De eerste keren deed ik raar en onaangepast. Tot het volgende me ineens ontglipte: ‘Meneer, ik doe het niet om u te pesten.’ Zoiets komt alleen maar bij me op in extreme chaos. Maar die reactie is goud heb ik geleerd, degene tegenover je raakt helemaal in de war.
Twaalf jaar nadat ik was begonnen werd het stil in de pizzeria. In de maanden daarna is er van alles geprobeerd. We werden ge-rebrand door de marketingmensen achter SLA en er hingen opeens posters aan de muur met ‘In Crust We Trust’ – dit verzin ik niet. Het werd nog stiller.
Alle nieuwe houtovenpizzeria’s, de vergunning, maar vooral de geld- en uitbreidingsdrang van de nieuwe eigenaren en geldschieters hadden desastreuze gevolgen voor Da portare. We kregen bijvoorbeeld een filiaal in Laren, een voorwaarde voor een geldschieter, en eentje in een soort vreetschuur in Zwolle, dat bleek de doodsteek.
Voor mijn schrijven werkte de pizzeria als een soort ontgiften. Als ik vastliep achter mijn computer en mezelf met allerlei negatieve gedachten opzadelde, zweette ik die troep er weer uit door vastgeplakte pizza’s uit de oven te redden en een kilo Parmezaan te raspen. Na een avond vol met kappertjes en lastige pizzamensen, kwam ik op ideeën voor personages en hun achtergrond. Dat mis ik nu nog.
Op een van de laatste dagen schroefde ik de balk eraf. Naast de zwarte smurrie vond ik heel klein opgevouwen bonnetje. ‘Hey stelletje viezeriken,’ stond op de achterkant. ‘dit briefje komt uit 2011. Toen is hier voor het laatst schoongemaakt. Kusjes Xyfu.’

 

Klik door naar de rest van de teksten die door Curators van het Onzichtbare werden gecureerd.

Rosanna ten Have schrijft proza en non-fictie. Ze studeerde af aan Creative Writing, ArtEZ. Haar afstudeerwerk, waar fragmenten van te lezen en beluisteren zijn op de Optimist en Ondercast, gaat over een vrouw die op vrouwenzwemmen gaat. Deze novelle werkt ze op dit moment uit tot haar debuutroman bij Uitgeverij Cossee.

Koen Frijns schrijft proza, poëzie en theater en is een begenadigd performer. Hij studeerde in 2016 af aan Creative Writing ArtEZ en maakte tijdens zijn studie verschillende solovoorstellingen: De parkieten kwetteren harder, over de gevolgen van tinnitus, en De man van klei, over Koens oud-oom, die omkwam bij een modderlawine op de Sint-Pietersberg. Hij droeg voor op onder andere Lowlands, Down the Rabbit Hole en Wintertuinfestival. In 2016 werd hij geselecteerd voor het Slow Writing Lab. Koen geeft les binnen het Verhalenhuis. Naast schrijver is Koen muzikant. Onder de naam Frino bracht hij samen met producer Ruben den Brok in het voorjaar van 2019 de ep Nestgeur uit en in 2020 volgt Grindtegeltuin. Ook is hij lid van BOYBAND, de literaire boyband. Koen zit in een talentontwikkeltraject bij De Nieuwe Oost | Wintertuin.