We zijn vertrokken

Wouter Degreve  - 30 juli 2021

NvhO krijgt regelmatig kopij toegestuurd, de beste inzendingen lees je in deze rubriek

 

We zijn vertrokken

1.Ik weet niet meer of ik had gedroomd, maar ik denk dat alles die nacht wel met een droom moet zijn begonnen. Probeer het je even voor te stellen (ik weet dat je dat kan; jij kent mijn hoofd beter dan wie dan ook). Ik werd wakker en het enige wat ik hoorde was: ik kan het niet.
Ik kon het niet, en wat ik ook probeerde of tegen mezelf zei, alles werd alleen maar erger.
Ik zocht onder de deken naar je lichaam maar je voelde het niet, of tenminste, niet meteen, want je sliep, al zei je ’s ochtends vaak dat je hele nachten wakker lag. Ik zei je naam. En toen nog een keer, iets luider. Ik porde in je schouder. Of tenminste: ik denk dat het je schouder was maar misschien was het wel je rug, of je bovenarm of nog een ander deel van je lichaam dat op de plek zat waar ik je schouder vermoedde. Ik ging in ieder geval door tot je wakker werd.
Ik kan het niet, zei ik.
Wat kan je niet? vroeg je.
Ons, zei ik.
Verdomme, Tim. Ik sliep net.
Je knipte het lampje aan. Het duurde even voor ik mijn ogen kon openhouden, voor ik je zag. Je haren stonden alle kanten op. Je zat met je rug in het kussen. Het stond rechtop tegen de muur.
Je zei dat je niet wist wat je nog kon zeggen.
Zeg dat het oké is, zei ik. Dat wij oké zijn.
En ik dacht dat je het zou zeggen, maar je zei het niet.
Pak me even vast, zei ik.
En ik dacht dat je me vast zou pakken, maar je pakte me niet vast. Eigenlijk deed je helemaal niets.
Tot je zei: Er zijn grenzen.

2.Het eerste waar ik aan dacht was hoe mijn vader en moeder altijd ruzie kregen wanneer we vroeger op vakantie voor een grensovergang stonden aan te schuiven, net zoals ze ook altijd ruzie kregen op de ring rond Parijs. Dan moesten we eigenlijk de vierde afslag nemen, en bleken we de vijfde al voorbij. Het was mijn vader die als eerste op mijn moeder begon te schelden en het duurde tot ver voorbij Parijs voor hij het ook als eerste weer probeerde bij te leggen. Voorzichtig verplaatste hij zijn hand naar het bovenbeen van mijn moeder, alsof hij niet wilde dat mijn zus en ik het vanaf de achterbank zouden zien.
We reden door Frankrijk tot in Spanje, Italië of Portugal, één keer gingen we helemaal tot in Griekenland. Dat waren heel wat grenzen. Soms kwam er geen einde aan. Dan begon iedereen achter ons te claxonneren tot ook mijn vader het niet meer trok en hard op het stuur begon te slaan. Hoe langer het duurde, hoe warmer en benauwder het werd in de auto. Soms werd het zo warm en benauwd dat mijn zus eerst heel bleek wegtrok, en dan kotste op de achterbank.

3.Je wist wat het was om bang te zijn. Voor elke vakantie zei ik: We hoeven niet met het vliegtuig weg. Er zijn ook treinen, of bussen. Dan zei je dat je weigerde een slaaf te worden van je angst. Ik vond het dapper dat je dat zo kon. Daarom (niet alleen daarom) zag ik je graag. Zie ik je graag. (Soms denk ik aan jou, of aan ons, en is het alsof de juiste tijd ontbreekt.)
Ze moeten weg, zei je.
Wat? vroeg ik.
De pillen, zei je.
Ik geloofde je niet. Ik had in de trein op weg naar de luchthaven naar je gekeken. Ik had gezien hoe je je steeds meer in jezelf had gekeerd.
Ik zei dat we ook terug op de trein konden stappen. We hoefden niet per se te vliegen. En we hoefden ook niet per se weg. Drie keer per jaar op vakantie was misschien toch wat overdreven.
Weglopen is geen optie, zei je.
De pillen moesten weg, wat ik op dat moment nogal overdreven vond. Je had ze ook onderaan je valies kunnen proppen, of op een andere plek. Ergens waar je niet zo makkelijk bij kon komen. Je had ze aan mij kunnen geven.
(Soms was er geen middenweg mogelijk.)
Je zei: Liever geen vakantie dan weer een vakantie die met pillen begint.
Je haalde het doosje uit je binnenzak en bleef er even naar kijken, zoals je naar een verjaardagscadeau kunt kijken waarvan je nog niet precies weet of je er blij mee bent of niet.
De eerste vuilnisbak sloeg je over. Bij de tweede bleef je staan. Je gooide het doosje door het zwarte, ronde gat. Ik legde mijn hand zachtjes op je schouder. Je merkte het niet.
Koffie? vroeg ik.
Je knikte.
We stapten een Starbucks binnen. Ik bestelde koffie, jij nam de grootste groene thee die ze hadden. We liepen naar de gate. Ik pakte je hand.

4.Het vliegtuig steeg op en in een mum van tijd vlogen we boven de wolken. Je leek iets meer ontspannen, maar ik kon je hand niet vergeten. Ik voelde je hand nog steeds, waardoor ik eigenlijk mijn hand met veel zeep had moeten wassen. Bij jouw hand was het anders. Jouw hand is een hand die ik heb leren verdragen. Dat zegt veel. Het toont geloof ik hoe graag ik je zag. (Zie.)
Je hield je ogen dicht. Je had je oortjes in en luisterde naar een vrouwenstem die zei dat alles goed zou komen. Ik keek door het raampje naar buiten. De zon scheen uitbundig. Met mijn blik volgde ik steeds opnieuw de rand van de vleugel tot helemaal op het eind.
De lampjes floepten aan. De piloot mompelde door de luidsprekers en een stewardess liep vlug nog een keer door het gangpad met een witte vuilniszak.
Nog even, dacht ik.
Ik voelde het in mijn buik. Ik vroeg niet of jij hetzelfde voelde. Ik vroeg ook niet of het ging. Je had nog steeds je ogen dicht. De vrouwenstem wist nog steeds zoveel beter wat ze wel en niet moest zeggen. Ze had ook zoveel meer geduld.
Het vliegtuig landde en even later stapten we uit op een eiland.
We wandelden door de inkomhal naar buiten, ik liep achter je aan. De warmte viel meteen op ons neer. Voor de schuifdeuren stonden toeristen rond vrouwen op hoge hakken samengedromd. Ze hielden bordjes de lucht in met de namen van touroperators erop. Ze gingen naar rechts. En wij gingen naar links. We waren op vakantie, maar we hielden niet van toeristen.
Beneden in de garage stond onze huurauto geparkeerd. Een witte Fiat Panda.
Wat een schattig autootje, zei je.
Je legde je hand bovenop het dak, alsof die kleine witte auto op dat moment alles was wat je nodig had. En misschien was dat ook zo. Misschien had je op dat moment alles wat je nodig had. De vakantie begon.

Je vroeg of ik wist welke kleur de meeste huurauto’s hadden. We reden de parkeergarage uit. Zonlicht viel door de voorruit naar binnen.
Nee, antwoordde ik.
Gok een keer, zei je.
Rood, zei ik. Of nee, zwart.
Twee keer fout! lachte je. Het is wit. En weet je ook waarom?
Ook dat wist ik niet.
Kleuren zijn duurder dan wit, zei je. En op een witte auto zie je ook de krassen niet.
Ik keek naar je maar je had het niet in de gaten. Je hield je handen op het stuur. Je zonnebril stond in je haren overeind. Op je wangen zat een blos. Die had je altijd wanneer je net gevlogen had.
Voor ons reed een andere huurauto. Hij was wit. Ik vroeg me af hoe je zulke dingen wist. Je wist zoveel. Ik wist zoveel niet. Er was genoeg dat je met me wilde delen.
Ik dacht: misschien is het niet genoeg.
Wij waren niet genoeg.
Je reed het parkeerterrein af. We lieten de luchthaven achter ons. We waren op reis.
Je zei: We zijn vertrokken.

5.Nu sta ik voor het raam. Het raam dat er kwam nadat we de muur aan de achterkant van ons huis lieten uitbreken. We hadden lang gehuurd. Te lang, vond ik. Ik had familie en vrienden die elke maand dat we huurden zonde vonden van het geld. Ze zeiden: Je kan het evengoed door de ramen naar buiten gooien. Of ze zeiden: Voor je het weet ben je twintig jaar ouder, en heb je niks. Jij hoorde het ook. Je zag hoe ik het maar moeilijk van me af kon zetten. Je zei dat je sommige dingen niet moest overhaasten. Misschien vond je dat ook van het raam toen ik erover begon. Een muur uitbreken, het is nogal wat. Je zag het niet goedkomen.
Ik vind het eigenlijk wel goed zo, zei je.
Maar ik wilde meer licht. Hoe meer licht, hoe beter het zou worden. En dus stonden de werkmannen op een vroege ochtend in het voorjaar voor de deur. Eerst zaten ze een tijd lang in hun rode busje koffie te drinken. Na de koffie braken ze de muur uit aan de achterkant van ons huis. Ze deden het snel, het waren vakmannen, dat zag je meteen.
De laatste dag kwamen ze aanrijden in hun busje met aan de zijkant een groot raam gebonden. Ons raam.
Het zat als gegoten in de uitgebroken muur, precies zoals ik het me had voorgesteld. Je kwam pas thuis toen de werkmannen alweer vertrokken waren. Ik zei niets. Ik wilde je op geen enkele manier beïnvloeden, maar ik zag meteen dat het nieuwe raam je beviel. Buiten begon het te schemeren, maar door al het licht dat ineens onze woonkamer binnenviel, leek het alsof de dag pas halverwege was.
Je ging voor het raam staan, zoals ik nu, maar je zag me niet. Je legde je hand op het kozijn, en ik keek naar je. Ik weet nog dat ik dacht: voor het raam staat de man die ik graag zie.

6.Het stond je goed, al dat licht.

7.Ik sta voor het raam en kijk naar de tuin, het gras, de bomen. Ik zie ze nog niet maar ik weet dat ze overal al zijn, de blaadjes. Ze staan in hun knoppen te springen om te komen, ik vermoed dat het nu echt niet lang meer duurt.
Ik tel de witte rondjes die achterbleven waar de tuinman de vijgenboom heeft gesnoeid. Ik vond het bot dat hij dat zo deed, maar je zei alleen: Soms moet je van je hart een steen kunnen maken. Wat je denk ik bedoelde was dat ik nooit een goede tuinman zou zijn, zelfs niet als ik heel hard probeerde.
Je had gelijk: ik zou nooit een goede tuinman kunnen zijn. Tuinen zijn er om in te gaan zitten. Of om naar te kijken vanachter het raam. Mijn vader en moeder hadden samen een grote tuin maar het was mijn vader die erin werkte. Hij snoeide de bomen, en wanneer de bomen nog niet mochten worden gesnoeid, wiedde hij het onkruid tussen de struiken. Mijn moeder ging liever in de tuin zitten. Zodra de zon scheen, zat ze daar. Ze nam een boek, maar eigenlijk las mijn moeder zelden boeken. Wel zette ze haar zonnebril op en zo bleef ze zitten, het boek op schoot, tot ze het te warm kreeg en haar blouse uittrok. En toen ook haar bh. Op de mooiste dagen klapte ze de stoel helemaal open en ging ze op haar rug liggen. Ze keek naar de lucht, ze luisterde naar de bomen. Ze had aan dat soort dingen genoeg.
Het waren de dagen waarop ik niet wilde dat mijn vader thuis zou komen. Maar toen kwam hij toch thuis en liep hij met ferme stappen in de richting van het tuinhuis, waar hij een emmer pakte, en rubberen handschoenen, een snoeischaar, of een bus onkruidverdelger, iets dat hij richting het hoofd van mijn moeder slingerde. Zij had tenslotte een tuin gewild. Hij zei: En trek je kleren aan, wat moeten de buren wel niet denken.
Mijn moeder had gelijk. Tuinen zijn het mooist als je er gewoon in zit of naar kunt kijken. Net als bomen. Soms keken we samen, jij en ik.
Ik zei: Bomen zijn het leukst als ze gewoon kunnen groeien.
En jij antwoordde: Soms moet een mens ingrijpen voor iets gaat woekeren, of hij dat nu wil of niet.
(Het is omdat mijn vader de bomen snoeide dat de buren – gesteld dat ze ook echt in hun dakramen op de uitkijk zaten – de borsten van mijn moeder konden zien.)

8.Ik zie de vijgenboom in het midden van de tuin. Ik denk aan de vijgen die we vorige zomer hadden. Het was onze eerste oogst, en het was meteen een goeie. Ik weet niet meer hoe vaak we achter het raam hebben staan kijken en het allebei voelden. We zeiden: De zomers van vroeger zijn voorbij, en we dachten aan al die keren dat we hadden gevlogen. We schaamden ons. Ik schaamde me. Ik schaamde me in jouw plaats. De wereld ging ten onder, maar het was op de een of andere manier altijd weer mijn schuld.
Jij was vooral benieuwd naar de winter die kwam.
Het hele systeem is in de war, zei je.
Je had gehoord dat het nooit nog een normale winter zou kunnen worden, net omdat de zomer al zo abnormaal was geweest.
Ik keek naar de tuin. Het gras was alleen nog groen op de plekken die in de schaduw van de bomen lagen. Overal waar geen schaduw viel zaten roestvlekken, als op de vacht van een lapjeskat. Ik telde de vlekken in het gras. Ik raakte de tel kwijt. Elke vlek werd een vliegtuig waar we samen in hadden gezeten. Elk vliegtuig was een orkaan, een tyfoon, een bosbrand, een modderstroom.

9.Ik heb gelezen dat er een woord voor bestaat dat vanuit Zweden de hele wereld is overgewaaid. Flygskam. Ik vind het een mooi woord, maar ik weet niet of zo’n woord wel mooi moet klinken. Misschien was er beter een woord overgewaaid uit een taal die heel erg lelijk klinkt. Toch is er met het woord iets veranderd. Het woord bewijst dat ik niet langer de enige ben.

10.Het gras werd helemaal dor, ook de stukken die in de schaduw van de bomen lagen. Op de radio werd elk uur herhaald dat het verboden was om het gazon te sproeien. Ik dacht aan hoe mijn vader vroeger op zomeravonden met de tuinslang tekeer kon gaan. Aan hoe hij op goeie avonden mijn moeder weleens nat maakte in haar stoel. Ik dacht: misschien is het omdat mijn vader zo vaak het gazon heeft gesproeid dat wij het nu niet meer mogen.
De vijgen waren subliem.
Je zei: Alles heeft op een manier ook voordelen, en je liep op een ochtend op je blote voeten de tuin in en plukte de vijgen van onze boom. Ik besloot je te helpen. Elke ochtend plukten we de vijgen die rijp genoeg waren. De vijgen die nog niet rijp genoeg waren, legden we in een schaal in de keuken.
Wist je dat vijgen vol mineralen zitten? vroeg je op een keer.
Nee, zei ik. Dat wist ik niet.
Kalium, calcium, ijzer, zei je, noem maar op.

11.Het gras is terug groen geworden en de regen valt opnieuw met bakken uit de lucht. De vijgenboom is gesnoeid. Iets in mij zegt dat we dit jaar nog meer vijgen zullen krijgen.

12.Ook op het eiland aten we vijgen. Jij zag ze hangen in de bomen langs de weg en zette de auto aan de kant. Ik weet niet meer hoeveel je er al op had toen ik ook uit de auto stapte. Ik liep naar je toe.
Ooit worden de vijgen in onze boom even lekker, zei je.
Dat lijkt me sterk, antwoordde ik.
Geloof me, zei je. We hebben nu al geen winters meer. Daar houden dit soort bomen van.
Ik hield er niet van dat je dat zo zei, op die manier, alsof het al iets onomkeerbaars was. Ik wilde je horen zeggen dat de winters winters zouden blijven. En de zomers zomers. Ik wilde je horen zeggen dat onze vijgen nooit zo zouden worden omdat zoiets door de ligging van onze tuin klimatologisch gezien onmogelijk was.
Ik dacht: de dag waarop onze vijgen even lekker worden als de vijgen hier, blijft er van ons al lang niets meer over.
Als ik in de volgende boom twintig vijgen plukte, kwam het goed. Dan bleven we samen.
Let wel op zo meteen, zei je. Wanneer je in de vijgen bijt.
Je vertelde over die keer dat je langs de weg een vijg had geplukt en er nogal roekeloos in had gebeten. Dat er een wesp vanbinnen zat.
Ik vroeg wat een wesp vanbinnen in een vijg te zoeken kon hebben.
Het kan van alles zijn, zei je.
Je had zomaar in die vijg gebeten en toen brak er gezoem uit. Het scheelde niets of de wesp had je gestoken. Ik wilde weten hoe je zo zeker was dat de wesp je bijna had gestoken.
Dat hoorde ik aan hoe ze zoemde, zei je. Ze zoemde heel erg kwaad.
Ik probeerde me voor stellen hoe een kwade wesp anders zoemt dan een wesp die vrolijk is. Of een wesp die zich neutraal voelt. Ik wilde niet langer voelen wat ik voelde. Ik voelde zoveel, maar ik voelde nooit genoeg.
Ik herinnerde me de vrouw uit het dorp van mijn ouders die tijdens een fietstocht doodging nadat ze langs de kant van de weg was gestopt om te drinken. Toen ze weer vertrok, werd ze door een zwerm wespen achtervolgd. Ik weet nog dat mijn moeder het vertelde. We hadden net gegeten en we zaten nog aan de keukentafel, mijn moeder en ik. Ik herinner me dat ze tijdens het vertellen heel erg overstuur raakte, dat ik niet begreep waarom. Het leek me niet nodig om zo overstuur te raken door het verhaal over een vrouw die je niet eens zo goed hebt gekend.
Ik dacht, daar langs de kant van de weg: op een dag zal ik je sowieso verliezen.
Ik zei het je niet, ik wist wat je zou zeggen. Je zou hebben geantwoord dat alles goed kwam. Dat alles al goed was. Dat ik me geen zorgen moest maken over dingen die er niet waren. Ik probeerde aan iets anders te denken. Ik herinnerde me wat mijn moeder soms zei wanneer ik de slaap niet kon vatten. Je moet je gedachten de juiste kant op sturen, zei ze. En dan snapte ik nooit wat ze daarmee bedoelde, de juiste kant.
Ik besloot om me op de vijgen te storten. Twintig vijgen, zei ik tegen mezelf. Ik zou twintig vijgen (meer mocht, minder niet) uit de bomen plukken en er dan heel roekeloos in bijten. Wat er nadien gebeurde zou alleen nog afhangen van of ik wel of niet door een wesp gestoken werd.

13.Ik zei: Ik heb het warm. Ik zei niet dat ik mijn buik wel vol had van al die vijgen. We stonden nog steeds in de brandende zon langs de kant van de weg. Ik wilde wel een biertje. Je had ergens onderweg een cafeetje gezien waar we wel iets zouden vinden. We liepen terug naar onze Fiat Panda.
Wat een schattig autootje is en blijft het toch, zei je.
Het was bloedheet in de auto. We draaiden elk ons raampje open maar er was geen wind.
Het cafeetje bleek geen cafeetje maar een winkeltje. We kochten er een fles cola en een brood. (We vergaten het beleg.) We reden verder tot waar een kudde geiten de weg overstak. Je parkeerde de auto langs de kant en hield een groot stuk brood door het raam. De geiten kwamen er meteen op af. Eentje grabbelde het brood uit jouw hand en stak haar kop naar binnen. Ik noemde haar Witje, en dat vond je grappig want eigenlijk was ze beige en een beetje vies. Ze likte je hand. Je zei de hele tijd hoe ruw haar tong voelde, als de tong van een kat, maar harder, vleziger. Ik gooide enkele stukken brood door het raampje aan mijn kant. Ze vielen wat verderop neer bij een hoopje rotsen. De geiten haastten zich erheen. Witje rende als eerste weg, maar kwam als laatste bij de rotsen.
Ik probeerde me voor te stellen hoe het was om een geit op een eiland te zijn. Het leek me ergens een beetje saai, maar ook heel makkelijk. Je hoefde gewoon op zoek te gaan naar witte huurauto’s en dan je hoofd door het raampje naar binnen te steken.
Je gaf gas. We reden weer verder. We reden heel het eiland rond. Af en toe was er een tegenligger. Het klopte wat je had gezegd: alle huurauto’s op het eiland waren wit. Ze blaakten in de zon.

14.Ik weet niet waarom we altijd plekken kozen waar de zon zo hard scheen. Hoe harder de zon scheen, hoe harder ik dacht: we zijn op reis. Ik moet het voelen. En ik voelde het niet. Je merkte het. Toen ook. Je zei dat ik te hard probeerde.
Laat los, zei je.
Je nam mijn hand. Je streelde mijn vingers.
Ik vroeg of alles oké was.
Alles is oké, zei je. Je denkt gewoon teveel.

15.Je reed ons naar een strand waar we onze kleren uittrokken. We spreidden het strandlaken uit, lagen er bloot bovenop. Er was geen mens in de buurt. Alleen wij waren er. En de zee. We keken ernaar. Er was geen wind. Geen golven.
Je zei: De zee lijkt wel een meer.
Je wilde zwemmen.
Ik liep je achterna, het water in. Het was kouder dan het vanaf het strand leek, maar warmer dan ik had verwacht voor de eerste week van november.
Ik had gelezen dat de zee het warmst is op het einde van de zomer, en ik wilde dat met je delen, maar je zwom, steeds dieper de zee in, steeds verder bij me vandaan. Je lachte de hele tijd. Je lachte telkens wanneer je onder water dook en je lachte nog steeds wanneer je terug boven water kwam. Soms bleef je zo lang onder water dat ik dacht dat je nooit meer tevoorschijn zou komen. Ik wilde net je naam beginnen roepen, maar dan dook je toch terug op.
Kijk! riep je.
En je dook meteen weer onder, ik zag hoe je je benen naar de hemel strekte, hoe je helemaal onder water verdween. Enkele meters verder kwam je opnieuw tevoorschijn met je ogen dichtgeknepen. Ik herinnerde me hoe je een keer had gevraagd waarom ik je graag zag. Ik herinner me niet meer wat ik toen heb gezegd, maar toen ik je zo zag in zee, wist ik het antwoord wel. Je was iemand die ik nooit zou zijn.
Kom nou! riep je. Zwemmen!
Ik dook onder zoals ik het jou had zien doen, zoals mensen onder water duiken wanneer ze naar eilanden op vakantie gaan. Ik opende mijn ogen. Het zout prikte, het deed pijn, maar ik hield mijn ogen open. Onder water was er alleen blauw, maar niet het blauw van de lucht; er was een blauw boven water en een blauw onder water en het blauw onder water was lichtblauw en ook donkerblauw, het was blauw dat eerder paars wilde worden. Ik denk dat het donkerste blauw niet het water was maar de rotsen, helemaal op de bodem. Het waren rotsen waar ik nooit bij had kunnen komen, ook al had ik het misschien wel gedurfd.
Ik kwam terug boven water en hapte naar lucht en het duurde even voor ik je zag. Je zwaaide en ik zwom, ik zwom naar je toe. Tussen ons zat een zee die nooit klein genoeg zou worden.

16.Ik sta voor het raam en kijk naar de tuin, de bomen, de stoelen, de dauw op het gras. Hoog in de lucht is er een vliegtuig te horen. Ik denk aan hoe het moet zijn om niet te kunnen zwemmen.

17.In de vijgenboom zit een meesje. Het huppelt over een tak, in de richting van de vetbol die helemaal op het eind in een plastic netje hangt. Je zegt altijd dat ik die beesten teveel verwen. Je zegt: Je moet de natuur zijn gang laten gaan. En misschien heb je gelijk. De natuur gaat gewoon zijn gang.
Wat zou er zijn gebeurd als de wesp jou toen had gestoken?
Je lippen zouden zijn opgezwollen en dan je keel, en langzaam ook je hele gezicht, en je zou dood zijn gegaan, heel traag en met ontzettend veel pijn, en ik zou het nooit hebben geweten om de eenvoudige reden dat ik je niet eens zou hebben gekend.

18.We lieten de Fiat Panda achter waar we hem hadden gevonden en niet veel later stapten we terug op het vliegtuig. Ik nam je hand en je sloot je ogen en je luisterde weer naar de vrouwenstem. We hoefden niet door de wolken dit keer. Ik legde mijn hoofd tegen de wand en sloot mijn ogen. Pas toen het vliegtuig een bocht maakte (het leek alsof we kapseisden) deed ik ze weer open. Ik keek door het raampje naar buiten. Ik zag rotsen. Eén grote hoop witte materie, en daarrond de schitterende zee. Ik zag heel duidelijk een eiland. Ik knipte het uit en vouwde het op. We gingen naar huis. Ik nam het eiland mee.

19.Het meesje springt bovenop de bol en begint met snelle bewegingen te pikken. Misschien is het wel veel makkelijker om een vogel te zijn dan op het eerste gezicht lijkt. Je zoekt tot je een tuin gevonden hebt waar vetbollen in plastic netjes in de bomen hangen. En dan vlieg je de hele winter rond. Je gaat op een tak zitten, uit de wind, en je doet een dutje. Je dommelt een beetje in.
Een merel komt aangevlogen. Het meesje vliegt weg. Ook de merel stort zich op het netje. Op de radio wordt gevraagd om de merels te tellen in de tuin. Er blijven bijna geen merels meer over. De merel moet in kaart worden gebracht. Het maakt dat de merel op dit moment meer recht heeft op de vetbol dan het meesje. De meesjes zijn met veel. De meesjes verdwijnen niet.
Ik denk: als het meesje terugkomt, dan kom ook jij terug.
De merel vliegt weg. Ik wil je bellen, al weet ik dat je niet zal opnemen. Ik wil je vertellen dat er eerst een meesje in de vijgenboom zat, en toen een merel. Misschien is het genoeg voor nu. Dat ik je zeg: We krijgen vast veel vijgen dit jaar. Of: De tuin is nog een beetje kaal, maar we komen er wel.
Ik stel me voor dat je niets terugzegt. Maar het volstaat dat ik je adem kan horen, dat ik weet dat je er bent. Ik ben er ook. Ik ga nergens heen. Ik blijf waar ik ben. En ik ben niet bang. Je hangt op en ik blijf met de telefoon nog aan mijn oor door het raam naar de tuin staren. Ik vraag me af wat je ziet. Of er bomen zijn. Gesnoeide bomen. Of bomen van mensen die vinden dat bomen gewoon hun gang moeten gaan.
Straks zal ik opnieuw proberen. Al worden de winters misschien wel voor altijd zomers en mogen we het gazon nooit meer sproeien, ik zal je blijven bellen. Zo stel ik het me voor. Zo heb ik het afgesproken. Jij komt terug. En alles zal oké zijn. Alles wordt voor altijd oké.

 


Wil jij ook kopij insturen? Dat kan door een mailtje te sturen naar nvho@wintertuin.nl. Dan wordt je tekst besproken in onze redactievergadering.

Wouter Degreve woont in Brussel, waar hij Frans en alfabetiseringscursussen geeft aan vluchtelingen en andere nieuwkomers. Daarnaast schrijft hij proza (en soms ook poëzie). In 2018 werd hij genomineerd voor de Deus Ex Machinaprijs voor het beste ultrakorte verhaal en in 2020 haalde hij met een van zijn kortverhalen de shortlist voor de Sampler van uitgeverij Das Mag. Eerder werk verscheen o.a in Deus Ex Machina, Papieren helden (papierenhelden.nl), Still magazine en Virus (virusverhalen.nl). Wouter studeerde in 2020 af aan de Schrijversacademie in Antwerpen.