Een plaatje

Tjitse Hofman
, Gert Vlok Nel
 - 02 augustus 2021

Gert Vlok Nel is Curator van het Onzichtbare en selecteerde drie schrijvers die je hier leest

Eens in de zoveel tijd vragen we iemand om als Curator van het Onzichtbare drie makers uit te nodigen een tekst te schrijven voor Notulen van het Onzichtbare. Dit keer is het de beurt aan Gert Vlok Nel. Gert Vlok Nel is dichter, schilder, zanger en gitarist. Hij werd in 1993 bekend bij het literaire publiek door zijn debuutbundel Om te lewe is onnaturlik, waarvoor hij de Ingrid Jonker Prize ontving. Gerrit Komrij plaatste acht van zijn gedichten in zijn bundel De Afrikaanse poezie in 1000 en enige gedichten.
In 1998 maakte Gert zijn opwachting in de Zuid-Afrikaanse muziekscene met een debuutalbum dat inmiddels nationale status heeft verworven. Beaufort Wes se Beautiful Woorde was een baanbrekende opname die een aardbeving veroorzaakte doorheen de lokale muziekindustrie en Gert een begrip maakte, zowel lokaal als in de Benelux. Gert heeft sindsdien uitgebreid getoerd in zowel Zuid-Afrika als Europa.
Zij grote muzikale doorbraak bij het Nederlandse publiek kwam in 2006, nadat de VPRO de documentaire Beautiful in Beaufort-Wes uitzond. Tijdens een residentie in het Besiendershuis in Nijmegen in 2011 ontmoette de singer-songwriter heel wat mensen uit de literaire en muziekscene. Het album Onherroeplik kwam enkele maanden na zijn verblijf uit. Een foto van het Besiendershuis staat op de hoes.

 
Gert vroeg Bart FM Droog, Dana Snyman en Tjitse Hofman een tekst te schrijven bij een beeld naar keus, een beeld dat iets bij hen losmaakt. Als inleiding voor de teksten van Bart, Dana en Tjitse schreef hij onderstaande korte verhaal.
 

Eenzame uitvaart naar Groningen | Gert Vlok Nel

‘So the novelists have set sail for the outer rims of the universe, but don’t worry, the poets are waiting for you there.’

– Gore Vidal

We halen nog net de allerlaatste trein van Beaufort-Wes naar Groningen, Dana en ik. Het begint te regenen als de trein het station verlaat. Ik kijk om naar het dorp dat zich in het donker terugtrekt. Misschien hadden de oude mensen wel gelijk: het enige wat we hebben is het verleden; de toekomst is niets en het heden een trein.
‘Wie is er in Groningen?’ vraagt Dana.
‘Mijn oudste vrienden uit de Nederlandse poëzie, De Dichters uit Epibreren. Ik hoop zo dat ze nog daar zijn. Ik hoop het met heel mijn hart, Dana.’
‘Hou hoop,’ zegt Dana. ‘Hoe heten ze?’
‘Tjitse Hofman en Bart FM Droog.’
‘Kunnen ze mij verstaan als ik Afrikaans praat? vraagt Dana. ‘Ik heb moeite met de Rode, dat weet je.’ De rode taal, ‘die rooi taal,’ Engels. Nooit Dana’s sterkste punt geweest, of het mijne.
‘Ja, zeker. Groningen is de plek die het verste van Zuid-Afrika ligt waar de mensen ons nog steeds kunnen verstaan.’
‘Ik weet niet zeker of ik wakker ben,’ zegt Dana. ‘Ik ga nu maar slapen, denk ik.’
‘Slaap veilig in die arms van die Here, Dana.’
De trein raast door en door, als een rivier door de nacht.
Ik zit daar, denk na. Nu de oude man de deur door is gegaan heb ik slechts nog herinneringen. Ik ben als mijn vader geworden, zoals ik daar aan de keukentafel zit in ons huisje in Beaufort-Wes. Ik heb hem één keer zien huilen. Het voelde alsof ik hem betrapte. Hij zag mij niet.
Ik kijk naar Dana, die slaapt als een baby. De meest gelezen schrijver van Zuid-Afrika. De meest geliefde, ook. Jarenlang heeft hij gereisd naar iedere uithoek van het land en noordwaarts, Afrika in, en heeft hij de verhalen opgeschreven van de kleine mensen, de onzichtbaren, de vergetenen. Altijd met uitzonderlijke precisie en de grootste liefde. Een zachtaardige man in een heel hardvochtig land. Hij zal zijn laatste shirt direct uittrekken en aan je geven als je het nodig hebt, en heeft dat zo vaak al gedaan. Daarom heeft hij, een wees, in deze wereld niets.
Jaren geleden trad ik op bij een poëziefestival in België, lang voordat ik op de Nederlandse tv was. Ik werd gebeld. Of ik in de Vera in Groningen wilde optreden. Ik ging. Bart en Tjitske – ik kende ze toen nog niet – wachtten me op bij het station. Die avond waren er twintig mensen. Ik kreeg er 300 euro voor, wat voor mij een gigantisch bedrag was. Ik ontdekte pas later dat zij, zelf ook arm, me uit eigen zak hadden betaald.
Ik heb mijn oude vrienden al zo lang niet meer gezien. Van wat ik begrijp woont Bart samen met zijn geliefde Noor in Emmen. Tjitse is van de radar verdwenen. Schrijven ze nog poëzie? Oud worden als dichter is de moeilijkste beproeving ter wereld, en de enige. Een oude psalm begint rond te galmen in mijn hoofd en ik val in de armen van de trein in slaap.
Om te ontwaken met het zonlicht op mijn gezicht.
Met het zachte gezang van Dana, bij het raam.

‘oorkant die water
blinkend en blij
sien ek bemindes
wagtend op mij’

‘Waar zijn we, Dana?’
‘We zijn er.’

 

 

Een plaatje

Het is een plaatje
zo onschuldig

zo ongelooflijk
onontgonnen

perfect
gepositioneerd

en dan
die lichtval

die schakeringen
van kleur

die contouren
dat contrast

een weergave
in een kader

van iets
dat niet

in relatie staat
tot de realiteit

ofwel
een valse

voorstelling
van zaken

een samengestelde
compositie van

doorgeschoten
pixel chirurgie

correctie
van perfectie

je weet niet
wat je ziet.

Tjitse Hofman groeide op in het Drentse dorp Gasteren, tot hij in 1993 naar Groningen verhuisde ter onvoltooiing van zijn studie, wat in 1994 uitmonde in de oprichting van de Dichters uit Epibreren. Met de levendige voordrachten van dit poëzie-/muziekgezelschap heeft Hofman menig podium in binnen- en buitenland beklommen. Wat in 2003 bekroond werd met de Johnny van Doorn Prijs voor de Gesproken Letteren. Sinds 2008 timmert hij vooral solo aan de weg. Naast dichter is Hofman ook actief als presentator en organisator. Zo was hij o.a. coordinator van de Poëziemarathon (2000-2014). Sinds 2015 is hij art-director van Galerie Contra! en doet hij veel op het gebied van poëzie educatie voor jongeren in samenwerking met de School der Poëzie en het Poëziepaleis. Hofman publiceerde drie dichtbundels bij Passage: TV 2000 (1999), Roodvocht (2003) en Ajaa (2008).