Het geluid van zomer

Dorien Dijkhuis - 10 augustus 2020
Niels 't Hooft

Twee schrijvers, één opdracht

Welke smaak representeert de winter, welke geur de lente, welk geluid de zomer en welke kleur de herfst? Dit is de vraag die wij dit jaar aan vier dichters en vier schrijvers stellen. Zij omschrijven ieder (de sfeer van) een seizoen met een zintuig als uitgangspunt. Deze reeks is bedacht door oud-stagiair Iris Besseling. Lees ook De geur van lente en De smaak van winter.

 

Duende | Dorien Dijkhuis

gedachteloos kwam je los van de grond, trok
de razende stroom op het tentdoek je omhoog
naar een droom over glanzende planken

je voeten in glimmende schoenen ze dansen
volgen de tokkel van Spaanse gitaren, het klappen
van handen, de roffel van hakken, wervel
van rokken, het kloppen van knokkels op tafels

de slag van een pauk haalt je terug naar de aarde
en terwijl je je omdraait, de dag openritst
begint het al te vervagen

een waaier van zwart rood en roze
– flamingo’s ze vlogen of schudden hun veren? –

op het doek tikt de regen steeds trager
een ritme, je ligt op je luchtbed en hoort
hoe het wegtrekt, nadaverend over de velden
een luid en uitzinnig applaus

 

Het begin van een tekst | Niels ’t Hooft

Een witte rechthoek tekent zich af in de duisternis. Huilende wind. Rondcirkelende sneeuw. Drie silhouetten vullen het kader. Komen opeenvolgend naar voren. Stappen over de drempel, klikken het licht aan, trekken de deur achter zich dicht.

Drie mannen. Hun buitenkleding kraakt als ze zich ervan ontdoen. Laarzen worden uitgetrapt, handen warm gewreven. In de vloerbedekking onder de kapstok groeit een donkere kring van smeltwater.

Ze lopen een studioruimte in. Een man draait aan een knoppenpaneel. Een andere man pakt een gitaar van een rek, trekt aan een snaar, hangt hem weer terug. Een derde schudt met een percussie-instrument.

Een man schraapt zijn keel. ‘Het geluid van de zomer,’ zegt hij. ‘Wie biedt?’

Een andere man haalt zijn schouders op.

Een derde man zucht.

Een man pakt een klapstoel, trekt hem open, zet hem neer, gaat zitten, zegt: ‘Ik denk aan hoe ik buiten speelde, in mijn korte broek, mijn gestreepte shirt. Ik weet nog hoe warm het was. We klommen over een bruggetje met een hek erop, een slootje over. In de struiken naast het voetbalveld klommen we in bomen. Ik zie het allemaal voor me. Maar wat hoorde ik?’

De anderen pakken ook klapstoelen en zwijgen.

‘Krekels?’ zegt een man.

‘Geen krekels,’ zegt de man die de jeugdherinnering vertelde. ‘Misschien vogels?’

‘Het was een grapje. Krekels, weet je wel, we vielen stil en ik zei krekels.’

‘Hm,’ zegt een man. ‘Ik denk aan het strand. Ik lig op mijn rug op een badhanddoek met mijn ogen dicht. Voel de zon op mijn oogleden. Het is windstil. Door de akoestiek van het zand hoor ik alles heel scherp. Kinderen lachen. Iemand schopt tegen een bal. Een hondje keft…’

‘Sorry,’ zegt een ander, ‘ik wil je idee niet in de kiem smoren, maar kinderen en huisdieren zijn van alle jaargetijden, hebben we niets specifiekers?’

Een man rekt zich uit. ‘Verzengende hitte, dat is de kreet die in me opkomt. Hoe verklank je verzengende hitte?’

‘Wacht,’ zegt een man. Enthousiast haalt hij een oude telefoon uit zijn broekzak. De andere mannen kijken toe hoe hij de foto-app opent en helemaal naar boven scrolt. Het duurt vrij lang, maar iedereen is benieuwd wat hij wil laten zien. Uiteindelijk vindt hij een foto van een alpenweide, de lucht helblauw, het gras felgroen.

‘Ja ja,’ zegt een ander, ‘We weten allemaal hoe de zomer eruitzag. Dat weten we nog heel goed. Maar hoe klónk de zomer?’

De man met de telefoon gaat verder, juist nog opgewekter dan voorheen. Hij houdt zijn vinger op de foto, die tot leven komt: een paar seconden zien ze de beweging van een telefoon waarmee een foto gemaakt gaat worden. Na het kiekje trekt er een briesje over het gras. ‘Als pasteitje,’ zegt iemand buiten beeld. Meer is er niet te horen. De man met de telefoon laat zijn schouders hangen.

De man die eerder aan de snaar trok, en zuchtte, zucht nog eens. Hij staat op, reikt weer naar de gitaar, hangt hem over zijn schouder en speelt een mineurakkoord. De anderen kijken naar hem op. ‘Lied voor een verloren gegaan seizoen,’ verklaart hij. Aftastend speelt hij een droevige melodie, stopt halverwege, begint opnieuw, komt die tweede keer verder.

De man die eerder schudde met het percussie-instrument, een soort maraca zonder handvat, begint mee te spelen.

Een man maakt een sniffend geluid. Hij veegt iets weg bij zijn oog.

‘Begin je nu te huilen?’ zegt een andere man.

‘Ik denk het,’ zegt de man door zijn tranen heen. ‘Niet vanwege de zomer. Zo veel had ik er niet mee, al mis ook ik de warmte. Maar hij doet me denken aan ándere dingen die er ooit waren en nu niet meer zijn. Ik denk aan Italiaanse housemuziek in de campingdisco, de klappende bubblegum van mijn eerste vriendinnetje, de voetstappen op het grindpad door de aangrenzende heuvels, het belletje van de ijskar…’ Zijn stem breekt. ‘Ik wil eraan vasthouden, maar het lukt niet, er blijft steeds minder over. Hap voor hap wordt het verleden opgeslokt. Vermalen door de kaken van de meedogenloze tijd…’

‘Schrijf je dit op Jan?’ zegt een man. ‘Dit is het begin van een tekst.’

 

Niels ’t Hooft is ‘hybride’ schrijver van romans en games. Daarnaast werkt hij aan Immer, een nieuwe manier van lezen op het scherm.

Dorien Dijkhuis is dichter, schrijver en freelance journalist. Gedichten, korte verhalen en reisessays verschijnen in verschillende literaire tijdschriften. Eind 2019 verscheen bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam haar debuutbundel Waren we dieren waarin ze afstanden overbrugt in zowel ruimte als tijd: tussen heden en verleden, ratio en instinct, onszelf en de ander.