De geur van lente

Mirthe van Doornik - 16 april 2020
Ischa den Blanken

Twee schrijvers, één opdracht

Welke smaak representeert de winter, welke geur de lente, welk geluid de zomer en welke kleur de herfst? Dit is de vraag die wij dit jaar aan vier dichters en vier schrijvers stellen. Zij omschrijven ieder (de sfeer van) een seizoen met een zintuig als uitgangspunt. Deze reeks is bedacht door oud-stagiair Iris Besseling. Lees ook De smaak van winter.

 

Een ongeluk | Mirthe van Doornik

Ik reed tegen haar heup, zachtjes, want ik remde, maar de vrouw stortte gillend naar de grond. Ze had staan treuzelen met haar hond, ik dacht dat ik nog net even voor haar langs kon fietsen, maar toen was ze toch opeens het zebrapad op gelopen.
De vrouw greep naar haar achterhoofd en begon te schelden, het hondje duwde zijn kop jankend tegen haar aan.
Ik stapte af, zette mijn fiets op de stoep. Fietsers slingerden om ons heen, auto’s toeterden. Het was een koude ochtend, maar toch lente, zoals alleen het voorjaar de wereld van de een op de andere dag in beweging kan zetten: alle pleinen, alle terrassen, alle voornemens. Ik hielp de vrouw overeind. ‘Het spijt me heel erg,’ zei ik. Haar kapsel leek op haar winterjas, opgebold, overal even dik, er glom een mysterieuze paarse gloed doorheen, zoals je die soms ook door het haar van oude mensen ziet schemeren.

Ze was bang voor het ziekenhuis. Ik mocht geen ambulance bellen, daarom tilde ik haar naar haar huis. Met haar arm om mijn schouder liet de vrouw zich ondersteunen, vanaf haar portiek hees ik haar trede voor trede een lange trap op. Haar hondje sprong ongeduldig achter ons aan. ‘Auw!’ riep de vrouw bij elke trede. ‘Pas nou toch op!’ Als ik haar even losliet, bolde haar jas vanzelf weer op, als een matras dat zichzelf opblaast.
In haar appartement was het donker, het enige licht kwam uit een vaas waar een prop kerstverlichting in zat.
‘De gordijnen moeten altijd dicht blijven,’ waarschuwde de vrouw toen we allebei op haar bank zaten om op adem te komen. Ze zei niet waarom en ik vroeg er ook niet naar.
Ik vroeg of er iemand was die ik kon bellen.
‘Nee,’ zei ze. ‘Er is niemand.’ Ze wreef over haar hoofd, kreunde zachtjes.
‘Jij bent er,’ zei ze tenslotte en draaide zich naar me om.
‘Ja,’ bevestigde ik. ‘Ik ben er.’
De vrouw keek van mijn hoofd naar mijn voeten en weer terug, alsof ze me probeerde te doorgronden. ‘Nu moet je me maar naar bed brengen,’ zei ze na een tijdje. Ze wees naar een kamerscherm aan de andere kant van de kamer, waarachter blijkbaar een bed stond. ‘En als ik slaap moet je me elk uur wakker maken. Precies drie keer moet je me wakker maken, het is niet uitgesloten dat ik een hersenschudding heb.’

De eerste twee uur lag ik op de bank en probeerde ik door de kieren van de gordijnen de dag in te kijken. Twee keer maakte ik de vrouw wakker, twee keer schold ze me uit omdat ze niet wist wie ik was. Daarna rolde ze zich op als een kat en sliep weer verder.
In het derde uur opende ik de gordijnen. Even wachtte ik of er iets ergs zou gebeuren. Toen er niets uit elkaar leek te vallen zette ik het raam op een kier, zocht de sleutels en verliet het huis om de hond uit te laten.

We wandelden door straten en langs grachten tot we bij de Dam uitkwamen waar de straatartiesten hun plek hadden ingenomen en de wereld langzaam om hen heen draaide. Ik stak een sigaret op, de hond ging voor mijn voeten zitten. Een tovenaar in een zwarte cape zweefde boven de grond, toeristen stonden er in groepjes omheen. Een paar duiven schikten hun veren in de zon. De wind voerde nieuwe geuren aan, van huizen en stoepjes die werden opgewarmd, schoon beddengoed dat ergens buiten hing te drogen. Een wolf met een afzichtelijk masker en een rafelige jurk, wees driftig naar het geldbakje voor zijn voeten. Is er een naam voor mensen die anderen op afstand houden, maar tegelijkertijd woedend zijn omdat ze nooit krijgen wat ze nodig hebben? In de verte sloeg een kerkklok drie uur. Ik blies de laatste rook uit, piekte de filter richting een putje en liep terug om de vrouw te wekken.

 

Ochtend | Ischa den Blanken

Het ruikt naar voorjaar
Achter haar oor
Adem nog stil
Sinaasappelschil
Handwarme bijenwas
Jong gras

De geest nog slechts deels ontvouwd
Mistig van slaap en lakens
Gaapt ze
Roze bloemknoppen op trage herhaling
Stuifmeel en honing
Uitnodiging

Met mijn neus ik haar nek vind ik
De wereld ontspruit
Glazig morgengloed
Zonder ondergoed
Vingers in natte aarde
Dauwparels

Ik ruik
En ontluik

Dan graaft ze me uit diepe lagen
Woelt de korte dagen om
Verse lucht in vaste grond
Zodat tussen bladrest en wortelrot
Ons wakend stof
Tot nieuw leven ontbonden wordt

 

Ischa den Blanken vanuit zijn achtergrond in het theater schrijft Ischa korte en langere monologen waarin soms hijzelf aan het woord is, dan een personage en vaker een ambigue tussenvorm van de twee. Hij stelt zijn oordeel zo lang mogelijk uit en twijfelt nieuwsgierig aan de schijnbare vanzelfsprekendheden van het leven en het mens-zijn. Zo hoopt hij zijn toehoorders steeds net iets wijzer dan ze binnen kwamen weer de deur uit te zien gaan. Ischa is onderdeel van het konvooi van Mensen Zeggen Dingen.

Mirthe van Doornik is journalist en documentairemaker. In 2016 vestigde ze zich als belangrijk schrijftalent: Van Doornik won de vakjuryprijs van zowel de NPO Boekenweek Schrijfwedstrijd als de Scheltema Schrijversacademie. Haar debuutroman Moeders van anderen werd genomineerd voor diverse prijzen en bekroond met de ANV Debutantenprijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs.