De smaak van winter

Pim Lammers - 22 januari 2020
Anne-Fleur van der Heiden

Twee schrijvers, één opdracht

Welke smaak representeert de winter, welke geur de lente, welk geluid de zomer en welke kleur de herfst? Dit is de vraag die wij dit jaar aan vier dichters en vier schrijvers stellen. Zij omschrijven ieder (de sfeer van) een seizoen met een zintuig als uitgangspunt. Deze reeks is bedacht door redactiestagiair Iris Besseling.

 

Boeuf bourguignon in augustus | Pim Lammers

Ik zuig aan het rietje totdat er niets anders dan een slurpend geluid uitkomt. Mijn zus is er waarschijnlijk al, maar voor de zekerheid schuif ik de milkshakebeker en de papieren zak onder de stoel.
Twee jonge meisjes fietsen langs, hun benen bloot tot aan een strak, kort broekje. Ik kijk ze na en stap daarna mijn auto uit.

‘Dag jongen,’ zegt mijn moeder en ze geeft me drie zoenen. ‘Dat is alweer even geleden. Waar is Romana?’
‘Dat is uit mam.’ Al twee jaar.
‘Ah nee, wat jammer nou,’ zegt ze en gaat me voor de woonkamer in. ‘Was het glad op de weg?’
Zonder op een antwoord te wachten, loopt ze naar de keuken.
Ik ruik nog niets aangebrands. En er hangt ook geen gekke, ondefinieerbare lucht in huis. Ik zou deze geur juist bijna lekker willen noemen. Boeuf bourguignon zoals boeuf bourguignon hoort te ruiken. Maar geur kan misleiden, dat is hier de afgelopen twee jaar al zo vaak gebeurd.
Mijn moeder maakt elke woensdag boeuf bourguignon. Bijna vijfentwintig jaar lang was dat het gerecht dat we alleen met kerst aten. Sommige families weten niet meer waar hun tradities vandaan komen, maar dat is bij ons nooit het geval geweest. Mijn zus besloot op haar twaalfde dat boeuf bourguignon onze kerstmaaltijd moest worden.

Mijn neefjes zitten op de bank, ook deze week hebben ze hun glitterstrikjes om. Ik ga tegenover ze zitten, ze kijken niet op van hun schermen.
Mijn zus komt de keuken uit. De mouwen van haar wollen trui zijn opgestroopt, ik zie zweetdruppeltjes op haar voorhoofd.
Ze kijkt naar mijn korte broek. ‘Kon je niet wat anders aantrekken?’
‘Ik had geen tijd om langs huis te gaan,’ antwoord ik.
Ze loopt naar de bank, pakt in één beweging de telefoons van haar zoons af en zegt: ‘Stil zijn en niet vergeten verrast te reageren.’
Vlak daarna komt mijn moeder de kamer in met thee.
‘Is Floris naar de wc?’ vraagt ze.
‘Het is tijd voor cadeautjes,’ antwoordt mijn zus en ze pakt er een onder de kunstkerstboom vandaan. ‘Romana’ staat er in mijn moeders handschrift.
Mijn erfenis gaat op aan al die luchtjes. Ik krijg er elke week twee: één voor mij en één voor Romana. Gelukkig verkoop ik er zo nu en dan eentje via Marktplaats.

‘Even bij het eten kijken,’ zegt mijn moeder als de cadeautjes zijn uitgepakt.
Dit zou het moment kunnen zijn waarop ze er te veel zout bij doet of besluit dat er ook nog een potje cayennepeper, kaneel of kurkuma in leeggegooid moet worden.
Gelukkig hoef ik van mijn zus nog maar twee happen te nemen. In het begin moesten we ons hele bord leegeten, maar elke week werd het smeriger. Op een gegeven moment kreeg ze het zelf ook niet meer weg.
Alleen mijn moeder eet nu nog haar bord leeg, ik denk dat ze ook het verschil tussen vies en lekker is vergeten.

Als we aan tafel gaan zitten, beginnen mijn neefjes een zwaardgevecht met hun bestek.
‘Leg neer,’ zegt mijn zus. ‘Straks steken jullie elkaar nog een oog uit.’
Goede manier om de wekelijkse kerstsleur te verbreken.
De twee kijken chagrijnig naar hun borden. Eerst lachten ze nog wel eens om hun gekke oma en zongen ze kerstliedjes als zij daar om vroeg. Nu vinden ze het alleen maar irritant. Toch dwingt mijn zus ook hen iedere woensdagavond weer mee te spelen.
Het zal me niets verbazen als ze ooit het voorbeeld van hun vader zullen volgen. Anderhalf jaar geleden had Floris zijn eten uitgespuugd, was opgestaan en had tegen mijn zus geroepen dat het ‘nu toch echt klaar moest zijn met deze poppenkast’. Hij riep iets over een verzorgingstehuis, maar mijn zus begon erdoorheen te gillen. Voor hij naar buiten stormde, had hij mij ook even boos aangekeken en me ‘laffe zak’ genoemd. En dat terwijl dit hele doen alsof nooit mijn idee is geweest.
De week erna was hij er niet meer bij.
Mijn moeder zet een grote pan op tafel. Het is dus niet aangebrand en het vlees ruikt ook niet bedorven. Maar er kunnen nog wel vier pakjes boter in zitten of een halve fles azijn. Er kan zelfs een pakje pleisters doorheen geroerd zijn.
Mijn moeder merkt er zelf nooit iets van en schept vaak een tweede keer op. Alleen met de pleisters heeft mijn zus haar bord afgepakt.

‘Eet smakelijk,’ zegt mijn zus.
Ik haal diep adem en stop de lepel langzaam in mijn mond. Ik verwacht een rilling, een drang om het uit te spugen of een misselijk gevoel in mijn buik. Maar dat komt allemaal niet.
Ik vind het lekker.
Ik kijk naar mijn zus. Normaal schept ze na twee happen de rest in de thermosbeker tussen haar benen. Maar nu neemt ze een derde hap, meteen gevolgd door een vierde. Ik neem ook nog een hap.
Voorzichtig begin ik te kauwen. De smaak wordt sterker en ik proef weer de boeuf bourguignon van vroeger.
Heel even is het voor ons allemaal kerst.

 

Weten | Anne-Fleur van der Heiden

Oma leerde me hoe je lyrisch kon zijn
bij het zien van roodborstjes
fazanten, sneeuwklokjes, of -vlokken

of wanneer er achter het luikje
van de adventskalender een chocolaatje zat

dit moet een simulatieleven zijn
als methaan vermomd als ijs brandt
het verlangen naar windstille dagen toeneemt
een mandarijn te zijn in een vliesje
de hele dag in pyjama tussen de warmte van naasten

nu verstrijken de dagen met zenuwen als een slakkenhuis
waar je op een regenachtige dag per ongeluk op trapt
het knerpen door je lijf, naast de steen van haar graf
het constante sorry voor het teveel op je bord

wat is winter als je naar een boom kijkt
meer dan weten dat er voor alles een uur is

 

Anne-Fleur van der Heiden werd in 2017 als enige niet uitgegeven schrijver genomineerd voor het C.S.S. Crone Stipendium. Haar debuutroman Klaproos wordt vervolgens lovend ontvangen door de media en veroverde talloze lezersharten. Eind jan 2020 verschijnt haar poëziedebuut Zaailingen, een bundel waarin niets is wat het lijkt, lichaam en geest in elkaar overlopen, leven en dood een rondedans doen. Eerder werk is te vinden in onder andere De Revisor, De Optimist en verscheidene bloemlezingen.

Pim Lammers schrijft voor volwassenen én voor kinderen. Begin 2017 verscheen zijn prentenboekdebuut Het lammetje dat een varken is (met illustraties van Milja Praagman), het allereerste Nederlandse transgender-prentenboek. Het boek werd in 2018 bekroond met een Zilveren Griffel en daarmee werd Pim de jongste Griffel-winnaar in de geschiedenis van de prijs. Voor volwassenen schrijft Pim korte verhalen die hij in literaire tijdschriften publiceert en voordraagt op literaire avonden.