Mensen kunnen niet galopperen

Francis Nagy - 06 april 2019

Go Short vroeg drie studenten Creative Writing ArtEZ een tekst te schrijven aan de hand van een logline.

Film still van Strange Says the Angel

“Als je drinkt van dit water, verander je in een paard” – Strange says the angel (2017)

De wereld door Mistes raam wordt bevolkt door bomen. Ze kent ze bij hun echte naam, berken en ratelpopulieren en bij de namen die ze hen zelf gaf. Daantje, Wiebes, Meneer en Mevrouw Berk. Ze kent ze in de winter, de herfst, de zomer en is het liefst tussen hen in de lente. Uit een boek van een bioloog leerde Miste dat bomen onder de grond met elkaar communiceren. Uren lag ze vlakbij de stammen van tientallen bomen, haar oor tegen de grond gedrukt. Ze concludeerde dat bomen ontzettend goed kunnen fluisteren. Zelfs die dicht bij haar raam staan, zouden haar niet wakker houden.
        ‘Waarschuwen kunnen ze je dan ook niet,’ zei haar broer toen Miste hem vertelde dat ze de bomen niet hoorde praten.
        ‘Waarschuwen waarvoor?’ vroeg ze. De veilige wereld om hun huis deed hij in één klap verdwijnen door te vertellen over struikrovers, kinderlokkers, moordenaars en paardendieven. ‘Papa zou nooit een van zijn paarden laten stelen,’ antwoordde Miste. Op hun zeventig hectaren grond lopen zo’n veertig paarden, een Brumbykudde. Ze kent geen thuis zonder de Brumbies. Wanneer ze droomt over hun huis, zijn er altijd paarden. De dromen gaan niet over de paarden, ze zijn er gewoon. Net als een droom over haar vader, dat is er altijd een waar paarden in voor komen. Miste heeft liever geen dromen over haar vader, het is in die dromen niet gewoon dat zij er is.

Gewoon is dat haar vader meer buiten dan binnen is. Met de kudde trekt hij over het terrein. De paarden volgen hem zonder sturing. Van halsters, longeerlijnen of touwen moet hij niks hebben. ‘Als ze me niet willen volgen, ben ik er niet hen te dwingen,’ zegt haar vader vaak.
Miste knikt dan enkel. Zij hoeft ook niet gedwongen te worden om mee te willen, maar mag hem nooit volgen.
        Vanuit haar raam ziet ze hoe de paarden naar haar vader toekomen wanneer hij voor het huis zijn jas dichtknoopt, zijn kraag bij guur weer omhoog zet. De jas mag van Mistes moeder niet aan de kapstok in de hal hangen. Het ding zit onder de paardenharen. De geur van de Brumbies heeft zich in de stof genesteld. Aan de zijkanten zitten slijtageplekken van waar de paarden hun hoofd tegen haar vaders middel duwen. Een keer schuurde Miste zelf haar hoofd langs de jas toen haar vader hem aan het tuinhek had laten hangen. Ze rook alleen maar paard en was boos op haar vader dat hij geen eigen geur had.

Soms duurt het een halfuur voor haar vader het land intrekt. Hij staat met zijn hoofd leunend tegen de lange hals van een van de Brumbies of kroelt degenen die zich bij hem hebben gevoegd achter hun opzij hangende oren.
        ‘Kijk wat er met de oren gebeurt,’ zei Mistes vader een keer tegen haar. Met haar broer was ze bij de rivier dammen aan het bouwen toen haar vader met de kudde langskwam. Een aantal paarden sjokte naar de oever om water te drinken. Haar vader bleef op een afstandje staan kijken. Miste zwaaide naar hem en zette een huppelsprint in zijn kant op.
        ‘Ik kom naar je toe gegaloppeerd,’ riep ze.
        ‘Mensen kunnen niet galopperen,’ antwoordde hij. Miste beet op het labeltje van haar rits. Een zwartzilveren Brumby schaarde zich achter de rug van haar vader. Het dier duwde zijn snuit tegen zijn achterhoofd. Miste moest lachen om haar vaders haar dat door de war werd gehaald. Ze liep naar het paard om hem te aaien. Met twee stappen trok de Brumby zich terug.
        ‘Kijk wat er met de oren gebeurt.’ Haar vader wees naar de oren die plat in de nek van het paard lagen. ‘Hij voelt zich niet fijn,’ zei hij.

Na die middag probeerde Miste nog een aantal keer toenadering te zoeken bij de paarden. Alleen als ze zeker wist dat er niemand in de buurt was, waagde ze een poging. Ze klikte met haar tong of hield een pluk gras vooruitgestoken in haar hand. Bij zwartzilveren Brumbies bleef ze weg, maar dat maakte niet uit. Ook de vos-roan merrie die ze het mooist vindt, legde haar oren plat in haar nek.
        Ze speelt bij de rivier wanneer de paarden daar al zijn geweest en ruim voor haar vader terugkeert, is ze binnen. De paarden zijn dan nog op zo’n afstand dat ze sproeten op het veld zijn. Ze zou de paardsproeten er af willen krabben, als de korstjes op schaafwonden. Of de wratjes op de hoeden van vliegenzwammen. Ze zou willen dat ze niet het vlashaar van haar moeder had, maar haar als de manen van de Brumbies. Ze weet hoe vaak je je hand door de manen moet halen, voordat je vingers er moeiteloos doorheen glijden. Haar vader ziet ze het doen. Met zijn hand als een geklauwde kam, beginnend bij de kruin. Pluk voor pluk baant hij zich een weg naar de schoft. Er is één haal en weinig kracht nodig om door Mistes haar te komen. Manen waar je in het wild niks aan hebt, zou haar vader zeggen.

Miste weet dat ze het in het wild als paard zou redden. Zo hard ze kan, gooit ze een steen in de rivier. Op de plek waar de steen inslaat stuift zand op van de bodem. Ze zou de kudde door het bos kunnen leiden. Waar de dichte braamstruiken groeien, weet ze uit haar hoofd en als er struikrovers achter hen aanzitten, kent ze de plekken met ongevallen bomen om hen af te schudden.
        Stroomopwaarts begeeft een Brumby zich naar de oever. Het is de vos-roan merrie. Miste gooit een steen in de richting van het dier. Even tilt de merrie haar hoofd op, maar drinkt dan onverstoord verder. ‘Ik ben ook niet bang voor jou,’ roept Miste. Op handen en voeten loopt ze langs de waterkant tot er slechts een paar meter tussen haar en het dier zit. Onrustig trapt het paard in de grond. Miste doet hetzelfde. Om ook bij het water te kunnen, moet ze wat verder de rivier inlopen. De mouwen van Mistes trui zuigen zich vol met water. Ze klauwt met haar handen in de zandbodem. Zodra ze naast zich weer geslurp hoort, haakt ze aan en neemt grote slokken rivierwater. Er is het water dat in haar mond kouder lijkt en er zijn de manen die zachter zijn dan ze had gedacht. Ze gooit haar hoofd omhoog om te voelen dat het vlassige haar er echt niet meer is. Met enige voorzichtigheid benadert Miste de Brumby. Ze is zelf een stuk kleiner. De merrie zou haar kop op Mistes kruin kunnen laten rusten. Onder de rossige manen zou Miste haar eigen oren kunnen verstoppen, zodat haar vader niet kan zien dat ze ze plat in haar nek heeft als hij in de buurt is.

’s Middags vindt Miste de rest van de kudde. Verderop staat de Jeep van de buurman. De oude rundveehouder leunt uit het raam, vertelt met wilde handgebaren iets aan haar vader. Haar vader zit op de rug van een vaalwitte Brumby. Nooit eerder zag ze hem op een van de paarden rijden. Hij zit waardig op het dier, zonder zadel, geen teugels.
        ‘De kudde aan het uitbreiden, zie ik,’ zegt de buurman wijzend naar de groep Brumbies waar Miste tussen staat. Mistes vader schudt zijn hoofd.
        ‘Die kleine is aan komen waaien, ik denk uit de Noordelijke gebieden.’
        ‘Iets voor de handel?’ oppert de buurman.
        ‘Nee, ik hou haar,’ antwoordt Mistes vader, ‘het is een mooi beestje voor mijn dochter. Ik wil het samen met haar tam maken.’

 

Go Short vroeg drie studenten van Creative Writing ArtEZ om een tekst te schrijven aan de hand van de logline van drie films. Een logline is een samenvatting van een film in één zin.

Deze tekst is het resultaat van student Francis Nagy. Zij droeg deze tekst voor tijdens het programma Great Short Stories van Go Short op donderdag 4 april om 17.30-19.00 uur.

 

Francis Nagy studeert Creative Writing aan ArtEZ Arnhem. Voor ArtEZ rondde ze de basisopleiding fotografie af aan de Fotovakschool. Haar verhalen verschenen op http://www.abcyourself.nl/author/francis/ en met haar werk stond ze in de bundel Kracht van Doe Maar Dicht Maar en in de top-100 bundel Toch, nachtegaal, zingt voort! van de Turing gedichtenwedstrijd. In samenwerking met Oddstream schreef ze een tekst voor de Art & Technology Exhibition 2017.