Maak je maar geen zorgen

Frank Steenhuis - 05 maart 2020

NvhO krijgt regelmatig kopij toegestuurd, de beste inzendingen lees je in deze rubriek

Het was een trage dag geweest op het kantoor, een vermoeiend sluitstuk van opnieuw een geestdodende werkweek. Ik hang mijn jas op, geef Naomi in de keuken een kus en neem aan de eettafel de krant door in afwachting van het avondmaal.
          ‘We hebben weer een geboortekaartje gekregen,’ zegt Naomi tijdens het opscheppen.
          ‘Martha en Rob?’ Ik kijk haar kort aan. Mijn ogen branden van vermoeidheid.
          Ze prikt een aardappel op haar vork en knikt. ‘Een jongen. Hij heet Arnold.’
          ‘Arnold?’ Ik snuif. ‘Heeft hij een hoofd als een rugbybal?’
          ‘Doe niet zo flauw. Het is een mooie naam.’
          We eten verder in stilte. Toch hangt het vervolg in de lucht, een hardnekkig een-tweetje dat de laatste maanden vaker de kop opsteekt.
          ‘Straks is het te laat.’
          ‘Je bent pas dertig.’
          Naomi legt haar bestek neer en kijkt me scherp aan. Ik observeer haar bord. Een stuk aardappel en een paar boontjes liggen nog in de jus te weken. Altijd laat ze minstens één hap liggen, netjes aan de rand bijeen geschoven. Ik heb haar nog nooit een bord leeg zien eten.
          Met een zucht begint Naomi de tafel af te ruimen. Het komt me voor of haar teleurstelling de hele kamer vult, het beneemt me de adem. Ik loop naar het raam en draai de hendel op de kierstand. Koude, frisse lucht stroomt naar binnen. Ik kijk naar de schemerende lucht boven de kerktoren en snuif de herfstlucht op. Ik sluit mijn ogen.

Die nacht word ik door een ferme tik op mijn schouder gewekt. Ik gluur door mijn wimpers, zie niets dan schemerdonker, bedenk me dat het mijn verbeelding moet zijn geweest en dommel weer in. Op dat moment komt de tweede tik.
          Ik schiet overeind en speur rond naar de boosdoener, maar er staat niemand. De ruimte is buitengewoon stil. Hoewel je normaal het stadsgedruis kan horen vanuit onze slaapkamer, is het nu zo kalm dat mijn bloedsomloop een waterval lijkt en mijn ademhaling een wervelwind. De lucht hangt dik en statisch in de kamer.
          Ik wrijf de slaap uit mijn ogen en lees de digitale klok af. Het is 5:11. De dubbele punt tussen de cijfers is gestopt met knipperen, misschien is het apparaat vastgelopen.
          ‘Naomi?’ Ik knijp in haar schouder. ‘Naomi, word eens wakker.’
          Doodstil ligt ze daar, er komt geen enkele reactie. Ik roep haar naam. Ik schud haar door elkaar, hou mijn oor boven haar mond en leg een duim op haar pols. Er is geen enkel teken van leven bij haar te bespeuren.
          Een laag angstzweet ontspringt aan mijn voorhoofd. Haar lichaam is nog warm, het moet net gebeurd zijn. Misschien is ze nog te redden. Ik gris mijn telefoon van het nachtkastje om de alarmdiensten te bellen, maar op het moment van ontgrendelen komt er een bericht binnen.

          [Naomi 5:11] ‘Maak je maar geen zorgen.’

Ik kijk naar haar handen, die slap langs haar lichaam op het matras liggen. Haar telefoon ligt nog op het nachtkastje. Is dit een grap? Of een lucide droom? Ik knijp mezelf hard in mijn onderarm.

          [Naomi 5:11] ‘Ik wacht op de brug.’

***

Het is volkomen windstil op straat. De bomenrij langs de gracht staat roerloos overeind, de stroming van het water lijkt bevroren. Luifels en vlaggen zijn in vreemde posities gestold. De hele stad is gesmoord in de stroperige lucht en verstikkende stilte.
          Er staat een auto op het midden van de weg, de remlichten aan. De bestuurder kijkt in de richting van de bocht die hij op het punt staat te maken. Daar komt een een jongeman aanfietsen. Hij zit stevig op het zadel en heeft zijn voeten op de trappers, maar staat volkomen stil.
          Ik loop snel door. Ik kan de situatie maar beter accepteren.

Naomi staat op het hoogste punt van de brug op de balustrade te leunen. Ze draagt haar pyjama, alsof ze net uit bed is gestapt. We kijken een tijdje in stilte naar het uitzicht. Geen geluid, geen wind, niets beweegt. Het enige licht komt van de mens en van de maan.
          ‘Vind jij het niet vreemd dat de tijd stilstaat?’ vraag ik maar.
          ‘Ik wilde je even in alle rust spreken.’ Naomi kijkt me aan. Ik herken haar ogen, maar niet de blik. ‘Laten we een stukje lopen.’
          Ik wijs naar haar blote voeten. ‘Let op gebroken glas.’
          Naomi glimlacht minzaam.

We lopen traag door de bevroren stad. Ik begrijp dat er een bubbel om haar hangt waarbinnen de lucht warm is en rijk aan zuurstof, aangenaam als een mooie lentedag. Ik volg haar tot we stoppen bij het studentenhuis waar een gedeelde vriend van ons vroeger woonde.
          Terwijl we daar staan, begint het huis te trillen en te beven. Ik kijk naar de hoge ramen van de woonkamer. De gordijnen wapperen alle kanten op. Wolken stof en gruis spuiten uit de voegen en geluidloos begint de gevel steen voor steen opzij te schuiven, als een poppenhuis dat wordt opengevouwen.
          Achter de façade is een huisfeest in volle gang. Ik zie mezelf met Tom praten, rode wangetjes, de armen als echte vrienden over elkaars schouder geslagen. Ik mis dat. Ik mis indrinken in studentenhuizen, onbekommerd een nacht doorhalen in een warme gloed van drank en vriendschap. Ik had dat meer moeten doen toen het nog kon.
          ‘Toms verjaardag.’ Ik kijk Naomi aan. ‘Hier zagen we elkaar voor het eerst.’
          Naomi knikt en maakt een handbeweging. Daarop verandert de samenstelling van het feest razendsnel, als een videoband die wordt doorgespoeld. Een deel van de mensen verdwijnt, er verschijnt rommel op de vloer en Naomi en ik nemen plaats op een smerig matras tegen de muur. Ik herinner me de discussie die we hadden.
          ‘Tom had een dvd opgezet die van de televisie een vuurhaard maakte. Jij vond dat kitsch, ik niet. Het was geen lang gesprek. Tien minuten, misschien. Ik snapte niet wat er gebeurde. ‘Laten we snel gaan slapen,’ zei je.’
          Laten we snel gaan slapen.
          ‘Was dat een probleem?’
          ‘Integendeel.’
          ‘Maar dat is niet helemaal waar, wat je zegt.’
          ‘Wat niet?’
          ‘Dat het uit het niets kwam. Je legde een hand op mijn dij.’
          Naomi wijst naar de kopieën van ons in de woonkamer. Inderdaad, de Bram daar heeft een hand op haar dij liggen. Ik kan me dat niet herinneren. Ik had altijd gedacht dat zij als eerste toenadering had gezocht.
          Ik herinner me wel de opwinding die me overspoelde toen we mijn kamer betraden. Naomi liep voor me uit naar het bed en draaide zich opeens om. Die draai betekende iets. Die draai betekende: druk je lichaam tegen me aan.
          We zoenden. Ik legde mijn handen op haar heupen, trok haar top uit en masseerde haar borsten. Dat dat mocht. Er kwam een streep ochtendlicht door een kier in het gordijn en wij rolden erdoorheen op het bed.
          Dat zoenen was nog spannender dan de seks zelf. Alles was pas net begonnen, er stond ons nog meer te wachten. Ik wist op dat moment dat er een plek was waar alles goed was, ik kon voelen waar het zich bevond – ergens schuin omhoog. Ik hoefde maar een hand uit te steken.
          Na die nacht gingen er twee weken geruisloos voorbij. Uit het niets kwam er op een zondagavond, net na Studio Sport, een bericht: ‘Ik blijf maar aan je denken.’ Het verraste me compleet. Ik had me er onbewust al mee verzoend dat het slechts bij een leuke herinnering zou blijven, een ander scenario was niet in me opgekomen.
          We spraken af naar de film te gaan.

We lopen verder door een brede winkelstraat. De paspoppen in de etalages krijgen door de stilte een griezelige kwaliteit, alsof ze elk moment door het glas kunnen breken om me mee te sleuren naar de krochten van het warenhuis.
          De straat loopt uit op een uitgaansplein. De kroegen zijn gesloten, er staan plukjes jongeren voor de deuren na te praten. Zelfs in dit vacuüm is hun dronkenschap evident. Ik trippel met een boog om ze heen, bang dat ze bij contact tot leven zullen komen. Ik weet waar we heen gaan.
          De schuifdeuren van de bioscoop vliegen voor Naomi open, de verlichting flikkert en springt aan. De roltrap komt met een piepen en kraken in beweging. We stappen op de treden en laten ons naar de eerste verdieping brengen, waar de grote zaal zich bevindt.
          Op de plek waar we tijdens ons afspraakje gezeten hadden, zitten wij opnieuw, bewegingsloos in de pluizige bioscoopstoelen. Haar hoofd ligt op mijn schouder. De hoek was niet goed, het moest haar nek pijn hebben gedaan. Toch had ze die pose grote delen van de film volgehouden.
          We hadden meer moeten praten vooraf. Naar de film gaan is in wezen een slecht idee voor een afspraakje. Pas na afloop, in een café verderop, konden we echt praten. Ik herinner me dat we het over haar vader hadden. Hij ontwierp bushokjes. Ik vertelde haar uitvoerig over de grote roman die ik zou gaan schrijven.
          ‘Ik liep met je mee naar huis,’ zeg ik. ‘Maar ik durfde je niet eens te zoenen. Terwijl we al seks hadden gehad.’
          Naomi glimlacht naar me. Voor het eerst voel ik dat ergens in dat lichaam de echte Naomi zit verstopt. De zaallichten dimmen geleidelijk, alsof er een film op het punt staat te beginnen. Ik voel haar koude, tengere vingers in de palm van mijn hand glijden.
          De projector springt aan en een lichtbundel schiet door de stoffige zaal. Op het scherm wordt onze straat geprojecteerd. ‘Kom,’ zegt Naomi en trekt me behoedzaam door het doek heen, alsof ze een peuter leert lopen. We laten onszelf in de bioscoopstoelen achter.

Anderhalf jaar later studeerden we beiden af. We huurden een appartement in het centrum, bijna tachtig vierkante meter, met een tweede slaapkamer die ik als werkkamer claimde. Ik sorteerde mijn aantekeningen en begon aan mijn grote roman, die een krater moest gaan slaan in het Nederlandse literatuurlandschap.
          Naomi kreeg een baan bij een bedrijf dat wasmiddelen produceerde. Ze maakte lange dagen en maakte razendsnel carrière, twee promoties binnen evenzoveel jaar. Dat verbaasde me. Haar succes leek uit het niets te komen en stond in schril contrast met mijn strubbelingen in de werkkamer.
          Tom, mijn vriend de bon vivant, kreeg ondertussen ook steeds minder tijd voor me. Hij was wasabi begonnen te verbouwen, een plant die in het wild alleen bij bepaalde temperaturen groeide tussen de kiezelstenen langs stromende beekjes. Hij bootste die omstandigheden na met ingewikkelde irrigatiekanalen in een groentekas bij Delft. Nederlanders kenden alleen neppe wasabi, volgens hem. Hij zag een gat in de markt en had binnen een mum van tijd een investeerder.
          Ik bleef alleen achter in mijn werkkamer. Ik kwijnde weg, de roman kwam niet van de grond. Het maakte me razend dat Naomi juist opbloeide. Dat zij alles betaalde als we een keer uit eten gingen. Ik verdacht haar er in mijn paranoïde buien van zich omhoog te neuken, maar hoe bespreek je zoiets? Ik liet mijn verdachtmakingen broeien in mijn steeds eenzamere geest. Ik kwam nauwelijks nog buiten.
          Uiteindelijk moest ik wel een baan zoeken, maar mijn werkloze jaren hadden me uit de markt geprijsd. Ik moest een baan accepteren die me niet lag en kon voortaan alleen in de weekenden schrijven. Het burgerlijke leven had zich dan toch aan me op weten te dringen. Ik kreeg te maken met kantoortijden, kinderfeestjes en kamerplanten.

De deur van ons appartementencomplex staat wijd open. Ik ben moe geworden van onze nachtelijke wandeltocht, mijn benen zijn krachteloos. Ik kom de trap slechts met moeite op. We betreden ons appartement en lopen naar de slaapkamer.
          Naomi ligt nog in dezelfde positie te slapen, maar staat ook naast me naar zichzelf te kijken. De bubbel vult de kamer en pulseert op het ritme van haar hartslag. Met elke puls wordt er een warme luchtstroom langs de muren geblazen.
          Het blijft een tijd stil. Dan komt die vraag.
          ‘Vind je dat het nog goed gaat?’
          Ik voel zweetdruppels vormen op mijn voorhoofd, een prikkelende laag net onder mijn haarlijn. ‘Ik vind van wel. Stabiel.’
          Ik weet dat het niet waar is. Ik heb de afgelopen jaren te weinig mijn best gedaan. Ik mis de onbezonnen daadkracht van de jeugd, die me als zand tussen de vingers aan het ontglippen is. Het heeft een gat achtergelaten dat ik nog niet met iets nieuws heb kunnen vullen.
          Ik ga elke ochtend naar het kantoor. Ik maak geelbruine enveloppen open, kijk naar welke afdeling het moet en leg de post in het betreffende bakje. Ik hoef er na al die tijd geen enkele gedachte meer aan vuil te maken.
          Ik weet nog dat er, een aantal jaar geleden, een interne vacature vrijkwam voor een functie met meer verantwoordelijkheid, salaris en doorgroeimogelijkheden. Ik was bijna achtentwintig. Ik voelde de druk, uit mezelf en mijn omgeving, om carrière te maken. Mijn leidinggevende droeg me voor. Naomi spoorde me aan.
          Maar elke keer dat ik ging zitten om de sollicitatiebrief te schrijven, voelde ik een grote weerstand opborrelen. Hield ik wel genoeg tijd en energie over om te schrijven? Of ging mijn hele leven dan in het teken van werk staan? Solliciteren voelde als het lot in het gezicht spugen.
          Ik heb de laatste tijd een terugkerende droom, waarin ik schuin omhoog kruip door een modderige, nauwe tunnel, mijn rugwervels tegen het plafond. Maar mijn handen kunnen geen grip vinden. Ik zak steeds verder weg van de uitgang.
          En nu dreigt Naomi me te gaan verlaten.
          ‘Je begrijpt niet hoe het is.’
          Ik schud mijn hoofd. Het wordt steeds warmer. Ik laat mijn badjas openvallen. Mijn oren suizen, de kamer draait voor mijn ogen. Ik grijp de deurklink vast om me omhoog te houden.
          ‘Hoe het is om steeds dezelfde rondjes te draaien, tot er een pad is uitgesleten dat dieper gaat dan jezelf.’ Er stroomt zweet over mijn borstkas en rug. Ik val op mijn knieën, veeg het zweet van mijn voorhoofd. Een vage brandgeur dwaalt door de kamer. ‘Om je te realiseren dat je niet goed genoeg bent voor het enige wat je ooit hebt willen doen.’
          ‘Heb je enig idee hoe pathetisch je nu klinkt?’ Naomi kijkt vanaf een grote hoogte op me neer. ‘Je hebt het allemaal in eigen hand.’
          Dit gesprek neemt een verkeerde wending. Ik ben niet op zoek naar advies of bemoedigende woorden.
          ‘Dat klinkt eenvoudiger dan het is.’ Ik laat de deurklink los. ‘Dat schip is gevaren. Hier ben ik gestrand, aan de dorre kust van een dor land.’
          ‘Je bent pas dertig.’
          Ik antwoord niet.
          ‘Denk erover na.’ Naomi knielt naast me, legt een hand op mijn schouder en knijpt even. Ik slik het zuur in mijn keel weg. Ik ben niets meer, een stofdeeltje op een telelens. Naomi laat me op de grond achter.
          ‘Naomi?’ roep ik haar na. Ze draait zich om. ‘Je bent toch niet dood, hè?’
Weer die minzame glimlach.
          ‘Maak je maar geen zorgen.’

De klok springt naar 5:12. Naomi schrikt wakker en duwt zichzelf overeind. Ze kijkt me een tijd slaapdronken aan, haalt een hand door haar warrige haardos en wrijft de slaap uit haar ogen. Ik begin te grienen.
          ‘Bram?’ Ze slaat verhit het dekbed van zich af. ‘Heb je de verwarming aangezet? Waarom zit je op de grond?’
          Ik veeg de tranen van mijn wangen en krabbel overeind.
          Het is nog niet te laat.

Frank Steenhuis studeerde Nederlands aan de Vrije Universiteit. Hij werkt sinds vijf jaar aan een roman die al vier jaar bijna af is en schrijft tussendoor korte verhalen. Momenteel is hij werkzaam als Java Developer-trainee.