Briljante plannen

Joris van Casteren  - 06 juni 2022

Welk idee ligt in de la stof te verzamelen? En waarom?

Zoals in Hollywood een blacklist-survey wordt gehouden van most-liked motion picture screenplays not yet produced, zo zetten wij deze vraag ook uit onder schrijvers: welk idee – waarvan de schrijver zelf weet dat het fantastisch is – ligt desondanks nog in de la stof te verzamelen? En waarom? De reflectie die uit deze opdracht voortkomt, kan gaan over onkunde en onzekerheid, maar ook over ambitie en fascinatie, wilde dromen.
Deze keer vroegen we Joris van Casteren, meester van de literaire non-fictie, naar beloftevolle verhalen die hij niet heeft kunnen uitwerken. Verhalen die ondanks zijn niet-aflatende fascinatie en grondige onderzoekspogingen, nog altijd alleen in zijn hoofd zitten. Klik door voor de rest van onze Literaire Black List.

 

Werner Herzog wandelde in 1974 in drie weken door de novemberkou van München naar Parijs, waar een goede vriendin, filmcriticus Lotte Eisner, op sterven lag. Hij was ervan overtuigd dat Eisner in leven zou blijven als hij de Franse hoofdstad zou bereiken.
Ondanks snijdende kou en barre overnachtingen in hooibergen slaagde de schrijvende regisseur in zijn missie. Eisner leefde inderdaad nog en zou dat, al dan niet dankzij Herzogs pelgrimage, die resulteerde in het boek Vom Gehen im Eis (1978), nog blijven doen tot 1984.
In een recent interview met The New Yorker, vanwege de aanstaande publicatie van een volgend boek – over de Japanse soldaat Hiroo Onoda die dertig jaar lang weigerde te erkennen dat de Tweede Wereldoorlog voorbij was – refereerde Herzog aan zijn tocht. Hij merkte op dat de wereld zich openbaart aan hen die te voet reizen en wenste die uitspraak niet nader toe te lichten.
Omdat ik zelf een vergelijkbare tocht ondernam – ten behoeve van mijn boek Het been in de IJssel (2013) liep ik door de brandende zon van Wijhe naar Düsseldorf – meen ik te weten wat Herzog bedoelt: de over langere tijd uitgesmeerde en zich als het ware in slowmotion voltrekkende inspanning levert volstrekt andere resultaten op dan verwacht en stelt ons in staat de werkelijkheid in volle pracht en misère te aanschouwen. Iets waar ik als schrijver van een zelf gecreëerd, op de realiteit gefixeerd genre altijd naar op zoek ben.
De hieruit voortvloeiende vaststelling dat elk onderwerp, zelfs bij mislukking, een verhaal kan opleveren is juist, al hangt het er uiteraard wel van af hoe een en ander wordt opgeschreven. Want tenslotte, leert Frans Kellendonk ons, moet het nog wel even worden waargemaakt op papier.
Het Herzog-axioma impliceert dat er geen verhalen zijn die ik niet had kunnen schrijven maar helaas zijn die er wel, of niet dus eigenlijk, aangezien de verhalen slechts schimmen zijn gebleven. Het is prettig ze hier op deze plaats alsnog een vorm van leven te kunnen inblazen.

 

Mijn vader heeft een mensenschedel in een van zijn boekenkasten staan. Het ding heeft geen onderkaak, de paar overgebleven kiezen zitten los. Als kind – mijn broertje en ik waren eens in de twee weken een weekeinde bij hem – zat ik vaak met die kiezen te spelen, ik trok ze eruit en plaatste ze weer terug. Mijn vinger gleed over de naden van het schedeldak.
Door een gat aan de onderzijde keek ik naar binnen. Wie heeft in dat hoofd gedacht? En wat zoal? Toch niet dat het in Lelystad in een boekenkast zou komen te staan.
Mijn vader groeide op in Valkenswaard, een katholiek dorp niet ver van de Belgische grens, en zat bij de verkenners. Op zijn achttiende was hij in bezit van de schedel gekomen, die zich in de nalatenschap van een hopman bevond.
Met deze hopman, een zonderlinge, alleenstaande man die kampte met trombose en overleed in een lampenzaak, onderhield mijn vader een speciale band. Hij was regelmatig met hem mee naar huis gegaan, een duister vertrek, en had de schedel daar zien staan.
De hopman heeft hem nooit verteld hoe hij aan de doodskop was gekomen. Kennelijk dacht hij dat zijn trofee bij mijn vader in goede handen zou zijn. Dat is ook zo, mijn vader stoft hem wekelijks af, wat dat betreft heeft de schedel het goed.
Het ergerde mij, ik wilde het fijne ervan weten. Met hulp van wijlen mijn oma spoorde ik de stokoude zus van de hopman op, die wist van het griezelige attribuut en vertelde dat haar broer bij wijze van late roeping witte pater in Afrika had willen worden.
Dat mislukte, om een of andere reden. In ’s-Heerenberg werd hij van de opleiding verwijderd, de zus had er nooit naar durven vragen. Misschien, zei ze, heeft hij uit wraak een graf geplunderd.
Ik belde nog wat mensen, Valkenswaardse padvinders op leeftijd. Niemand die iets wist, mijn macabere speurtocht kwam ook raar op hen over. Met tegenzin gaf ik het op, het raadsel is intact gebleven. De tocht zelf, het vruchteloze bellen, was te magertjes voor een verhaal. Meer dan dit is het vooralsnog niet, tenzij je zou gaan fantaseren – maar dat is een zwaktebod.

 

Mijn vader kocht altijd dezelfde auto, een Ford Escort stationwagen. Om de twee jaar verkocht hij het dan enigszins verouderde model terug aan de dealer en schafte er (na flink te hebben bijbetaald) de nieuwste editie aan, een constructie waar vooral de garagist, de heer Kamphuis, wel bij voer.
Het verouderde model, waar ik me aan was gaan hechten, stond een poosje verloren bij Kamphuis in de showroom, met aanbevelingen als ‘uitstekend onderhouden occasion’ en ‘weinig mee gereden’, maar was op een dag onherroepelijk verdwenen.
Eén keer zag ik terwijl ik van school naar huis fietste een van die vorige auto’s – de kentekens ken ik gek genoeg nog steeds – door de Kempenaar rijden, een sjofel hofje in Lelystad.
De Escort verkeerde in een slechte staat, er zat een deuk in het portier en een koplamp was verdwenen. Met de uitlaat was hoorbaar iets mis. Achter het stuur zat een morsige man, hij rookte shag en zijn arm hing uit het raam. Ik schaamde me kapot en was blij dat mijn vader er niet bij was.
Jaren later, ik werkte intussen bij De Groene Amsterdammer, waar Gerard van Westerloo Martin van Amerongen kortstondig was opgevolgd als hoofdredacteur, werd ik voor een poos naar Nigeria gestuurd, waar na jaren bloedige militaire dictatuur verkiezingen werden georganiseerd die minder democratisch zouden uitpakken dan gehoopt.
Op het vliegveld van Lagos, waar volstrekte chaos heerste, vond ik ten slotte de taxistandplaats. De chauffeur die het meest recht op mij meende te hebben begon, na een opstootje met zijn collega’s, het touw om de kofferbak van zijn Toyota Corolla los te knopen.
Terwijl de chauffeur in de weer was met mijn bagage zag ik dat het geel geverfde wrak uit Lelystad afkomstig was (er zat zo’n ouderwetse roodwitblauwe plaatsnaamsticker achterop). Onderweg door de gekmakende miljoenenstad, waar niemand zich iets aantrok van welke verkeersregel dan ook, zag ik meer uit Nederland afkomstige voertuigen.
Het idee dat een van mijn vaders auto’s hier misschien ook als taxi zou rondrijden was absoluut niet kalmerend, het zorgde er juist voor dat mijn paniek het kookpunt naderde.
Na in Abuja verslag te hebben gedaan van een met rellen omgeven ceremoniële machtsoverdracht door het leger was ik in iets betere doen. Ik besloot met hulp van journalist Olu Ojewale van Newswatch te gaan uitzoeken hoe het toch kwam dat die Nederlandse auto’s in Nigeria terechtkwamen.
Ik had van tevoren contact met Ojewale gehad, want het was de bedoeling dat ik bij een plaatselijk medium onderdak zou vinden. Ojewale week tijdens mijn verblijf geen moment van mijn zijde en schoot mij verschillende keren te hulp in riskante situaties, onder meer door zich op de achterbank van een wederom uit Nederland afkomstige taxi-auto op mij te werpen toen er op ons geschoten dreigde te worden.
In een haven die nauwelijks op een haven leek vonden we een roestige loods waar Socar was gevestigd. Eens in de maand loste een schip hier auto’s die in Nederland niet door de APK waren gekomen.
Een Socar-medewerker legde uit dat Nederlandse auto’s zeer gewild waren omdat het Nederlandse wegennet in een zo goed als perfecte conditie verkeert. Naar Nigeriaanse maatstaven kon er met die voertuigen dus nauwelijks iets aan de hand zijn.
Daar, in die roestige loods van Socar, zag ik het ineens helemaal voor me: ik zou één auto gaan volgen, van wieg tot graf. Ik zou beginnen op de plek waar de grondstoffen werden gewonnen die nodig waren om het voertuig te kunnen bouwen, ik zou de fabriek bezoeken waar de boel in elkaar werd gezet en vervolgens de trotse eerste eigenaar spreken.
Na nog wat eigenaren, die de auto tussentijds niet in de prak moesten rijden, zou de oversteek naar Afrika volgen, waar het tweede leven aanving. Hier bij Socar zou ik net zolang wachten in de brandende hitte tot mijn auto werd doorverkocht. Eerst aan een ervaren taxichauffeur, die hem van de hand zou doen aan een mindere collega.
Dat proces zou zich enkele malen herhalen. Ten slotte kwam het voertuig in handen van een rebellenbeweging in het noorden van het land die een grote mitrailleur op het dak zou monteren waarna het hele verhaal, na een precisiebombardement door elitetroepen van het regeringsleger, met een grote klap uiteen zou spatten.
Nog steeds vind ik het een briljant plan, de uitvoering blijft een punt van zorg.

 

 

Joris van Casteren is schrijver van literaire non-fictie. Hij schreef onder meer voor De Correspondent, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer, waar hij een reputatie heeft opgebouwd met grote reportages. Deze verhalen werden gebundeld in De man die 2 ½ jaar dood lag en Requiem voor een pitbull. Voor het deels autobiografische Lelystad werd hij genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In de jaren daarop volgden meerdere boeken over waargebeurde, wonderlijke voorvallen waar hij zich in verdiept, zoals Het been in de IJssel en Moeders lichaam. Sinds 2018 is Joris van Casteren coördinator bij het begeleiden van mensen die in alle eenzaamheid sterven. Geschreven portretten van hen verschijnen onregelmatig in de Volkskrant.