Wat je met zo’n avond doet

Jozien Wijkhuijs  - 06 mei 2024

 

‘Hij gaat verdomme trouwen, pa,’ zeg ik. Hij kijkt niet op. Zijn ene been ligt over de rug van Sascha, die daar geen last van lijkt te hebben. Ze heeft haar rechterpoot over haar ogen gelegd, haar borst beweegt langzaam op en neer. Af en toe snuift ze en schudt haar hoofd. Pa’s andere been ligt op tafel, naast de televisiegids. Niet erop, zoals gisteren. Geen reden om ruzie te maken.
Mijn vader kijkt naar de muur en drinkt thee, ik houd mijn vinger op het scherm van mijn telefoon, zodat het beeld stil blijft staan op het gezicht van de verraste bijna-bruid.
‘Pa.’ Ik kijk op van mijn telefoon.
‘Wie?’ zegt hij zonder van de muur weg te kijken. Ik volg zijn blik en zie niks.
‘Derk.’ Weer blijft het stil.
‘O,’ zegt hij uiteindelijk.
Ik sta op, loop naar de keuken en trek de koelkast open.
‘Ga jij vandaag nog naar de Jumbo of is dit het?’.
‘Hmmpf,’ klinkt het uit de woonkamer. Ik pak twee biertjes, loop terug en zet er een bij mijn vader neer.
‘Het is half 2,’ zegt die.
‘Ja,’ zeg ik.

Drie maanden geleden stond Derk op zijn sokken op straat voor zijn studentenhuis, gemaakt nonchalant op een fietszadel leunend. Er brokkelde gele smurrie uit dat zadel. Toen had ik geloof ik nog geen idee dat ik later op die avond voor de laatste keer zijn deur achter me zou dichttrekken en daarbij mijn lievelings-slaapshirt zou vergeten. Of misschien ook wel.
Drie maanden sinds Derk mij, nog steeds op zijn sokken, snel de hoek omtrok zodat het meisje achter zijn vieze raam me niet kon zien. Hij stopte voor de Hypotheker. Een fractie van een seconde dacht ik erover na daar een grap over te maken, maar in plaats daarvan maakten we ruzie. Ik schreeuwde naar hem, omdat hij me weer alleen naar een feestje had laten gaat, waar ik had geglimlacht en gezegd dat mijn nieuwe vriend zich inderdaad niet zo vaak liet zien. Ik had weer gelogen dat hij ziek was en geknikt als mensen zeiden dat dat nogal vaak gebeurde. Ik herinner me dat ik hem sloeg, daar voor de Hypotheker. Niet hard, maar een soort laffe klap op zijn bovenarm, waarna ik mijn hoofd neerlegde op de plek die ik had geraakt. Hij trok z’n arm weg, maar sloeg hem daarna om me heen. Zo stonden we een tijdje stil.
De hond beweegt haar oren. Omdat mijn vader die bewuste avond niet alle botten in Derks lichaam heeft gebroken, zoals hij wilde, zit hij niet al drie maanden in de cel. Hij zit hier, met dat been en die tv-gids en dat blikje, te zwijgen. Dat is winst, denk ik terwijl ik aan het lipje van mijn bier pulk. Mijn vader kijkt me aan, mompelt ‘ach wat kan mij het schelen’ en opent het zijne. In drie grote slokken is het weg. Hij loopt naar de koelkast, haalt nog twee blikken en neemt direct de kaas mee. Ik probeer van een afstandje te zien of er schimmel op zit. Hij zet het bier voor mijn neus en legt er twee blokjes kaas naast. Voor zover ik kan zien, zijn ze nog goed.

De eerste keer dat mijn vader Derk ontmoette, zaten we op het terras van de kroeg waar ik op dat moment werkte. Ze schudden elkaar de hand en bestelden koffie. Ik hield voorzichtig Derks hand vast, bij de vingertoppen, en stelde aan beiden vragen waarop ik het antwoord al wist, om het gesprek op gang te houden. Af en toe knikte ik bemoedigend als een van de twee me aankeek. Aan het eind van het gesprek haalde Derk een ingelijste foto van ons uit zijn tas en gaf die aan mij, als cadeautje voor twee maanden verkering. Mijn vader klopte hem op zijn rug bij het afscheid nemen.
Later, toen het allemaal misging, heeft mijn moeder weten te voorkomen dat pa naar Derks huis reed. Ze had er de telefoon voor neergelegd, dat had ik pas door toen ik nog drie snikkende zinnen had gezegd en geen antwoord kreeg. Toch praatte ik door, over hoe ik het niet had zien aankomen en hoe ik echt dacht dat de gebruikte wattenschijfjes in zijn prullenbak van zijn huisgenoten waren, zoals hij zei. Aan de andere kant van de lijn hoorde ik mijn ouders weer terug de ruimte inlopen, kibbelend. Een van hen pakte de telefoon weer op toen ik zei: ‘en fucking niemand die er iets aan heeft gedaan’. Aan het zware ademen herkende ik dat het mijn vader was.
Ik heb dit alles onlangs lachend aan mijn therapeut verteld. Op de een of andere manier worden de dingen die mijn ouders doen een soort slapstick als ik ze navertel. Mijn moeder onder de dikke blauwe oogschaduw met onhandig gestifte rode lippen en een permanentje, in niets lijkend op haar eigenlijke beige voorkomen. Mijn vader als een soort clown Bassie, maar dan dun.
Die dag stond ze ineens naast ons, zijn vriendin, of zijn ex, zoals ik haar kende. Haar gekrijs, het gejoel van de dronken jongens die voorbijliepen, de vraag of ik mee naar binnen wilde gaan, want ik had dit veroorzaakt, ik was immers de Andere Vrouw. Ik moest het ook maar oplossen, vond ze, al was ik daar zelf niet zo zeker van. Ik liep achter hen aan de trap op, sloeg automatisch de vijfde trede over want daar zat een gat in. Bovenaan gekomen liep ik terug, om op de trede te gaan staan. Er brak niets. Pas toen moest ik huilen.
Hij greep mijn arm, ik rukte me los. Als een zielig hondje schoot hij zijn studentenkamer in en plofte neer op zijn bank, waar hij schichtig van haar naar mij begon te kijken. Ik wist niet wat te doen, dus ik keek de kamer rond. Zijn matras had hij heel lang geleden op de vloer gelegd, het bed kraakte te veel. Hij zei dat zijn huisgenoten hadden geklaagd. Ik probeerde uit te rekenen hoeveel tijd ik op zijn vloer had doorgebracht. Inmiddels lag het ding weer op het bed, een pyjama die ik nooit had gezien er netjes opgevouwen bovenop. Ik leunde tegen het dunne stukje muur tussen de wastafel en de rest van de ruimte. Op het plankje boven de kraan zag ik een heel pak wattenschijfjes en een tweede tandenborstel.

‘Met wie?’ zegt pa.
‘Wat?’
‘Met wie? Trouwen.’
‘Met haar.’
‘Ah.’
Mijn vader weet dondersgoed wie ik bedoel. Mijn hele leven al vraagt hij naar de bekende weg, laat hij ongeoorloofde stiltes vallen, of raakt hij strategisch zijn sleutels kwijt, zodat hij heel lang kan gaan zoeken. Ik besluit het te laten en drink mijn tweede blik bier leeg. De koelkast in de keuken slaat aan, de buurvrouw doet de rolluiken naar beneden, waarschijnlijk om ze schoon te maken. Er rijdt een grote auto voorbij en de ramen rinkelen.
Ergens begrijp ik de vraag wel, het zou ook best iets voor Derk zijn om gewoon iemand van straat te trekken. En ze zouden willen. Ze zouden allemaal willen.
Ik schrik op omdat mijn vader naar de televisie schreeuwt. Hij heeft een zender gevonden die voetbal uitzendt en nu zit hij met zijn bier te zwaaien en de spelers op het scherm uit te schelden. ‘Jongejongejonge’ en daarna een klap op de tafel. Ik duik in elkaar. Hij draait zich naar me toe en zegt dan, veel zachter: ‘eikels.’

Zij stond bij zijn open balkondeuren naar buiten te huilen en ik stond stil als een toeschouwer bij een rouwprocessie te staren naar de jongen op die bank, waar ik een jaar van mijn leven aan had gegeven. Hij nam een slok water uit haar flesje. Ze zag het, liep ijzig stil op hem af en sloeg het uit zijn handen. ‘Sorry,’ kraakte hij en zijn stem schudde me wakker. Het werd tijd om te vertrekken. De volgende ochtend was iedereen die iemand uit het studentenhuis kende op de hoogte.
Ga naar je ouders, niet te lang, daarna gewoon het leven weer oppakken, maar wel even pauze nemen, zeiden ze. Iedereen gaf me advies, zelfs degenen die er al die tijd van wisten en even waren vergeten iets tegen mij te zeggen. Vooral na avonden stappen stroomden de berichtjes binnen. ‘Je hebt vast gewoon even rust nodig. Je schamen heeft geen zin, je moet kijken wat je met zo’n avond dóét.’
Naar het dorp, even pauze, en niet drinken. Vooral niet drinken, dat begon een beetje uit de hand te lopen, vonden ze, mijn vrienden. Mijn vader beloofde het mijn moeder ook toen die vanochtend de deur uit liep. Ik stond haar bij de achterdeur na te kijken, zoals vroeger, de deur op een kiertje en mijn hoofd ertussen gedrukt. Toen hield ik het vaak zo lang vol dat mijn moeder me uiteindelijk meenam naar haar vergadering, of koorrepetitie, of ‘gym’, zoals ze dat noemde. Nu niet, ze ging gewoon.

‘Ok,’ zegt mijn vader. Ik kijk op van mijn vierde bier en realiseer me dat er al zeker tien minuten niets is gezegd.
‘Misschien moeten we toch maar eens bij hem op bezoek gaan.’
‘Bij wie?’ zeg ik.
‘Hoe bedoel je, wie?’ Mijn vader kijkt me eindelijk echt aan. Ik sta op, een beetje wankel. Met het bier nog in zijn hand pakt hij de hondenriem en loopt de kamer uit. Iets later komt hij terug om mij en de hond te halen.

Jozien Wijkhuijs werkt freelance als journalist, schrijver en radiomaker. Recente opdrachtgevers zijn de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Het Literatuurmuseum, Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, De Nieuwe Oost | Wintertuin, Vox magazine, 99pi, en de Openbare Bibliotheek Gelderland Zuid. In 2015 verscheen We moeten eens koffie drinken, een interviewboek over ondernemerschap in de Creatieve Industrie. Dit boek is geschreven samen met Koen van Vliet. Verder is Jozien een van de initiatiefnemers van USE-IT Nijmegen, een organisatie die 'no-nonsense tourist info' geeft over onontdekte steden in Europa.