Hannah of de Val

Wietse Leenders  - 21 september 2022

Fragment uit een van de zes genomineerde eindwerken voor de Afstudeerprijs

Tijdens de industriedag van festival Nieuwe Types op vrijdag 28 oktober wordt de winnaar van de Afstudeerprijs 2022 bekendgemaakt. Hier lees je de komende weken fragmenten uit de eindwerken van de zes genomineerde afstudeerders: Mila Haak (Writing for Performance, HKU), Wietse Leenders (Creative writing, ArtEZ), Tine Tabak (Writing for Performance, HKU), Mona Thijs (Woordkunst, Koninklijk Conservatorium Antwerpen), Ceren Uzuner (Creative Writing, ArtEZ) en Ilse van der Velde (Creative Writing, ArtEZ). 

 

Hannah of de val | Wietse Leenders

Alles in de wereld begint met een nee. Een keurige rechte regen van deeltjes waarvan ééntje plots zegt: Nee. Nee! — het stuur omgooit en inslaat op de andere nietsvermoedende ja-zeggende deeltjes, waar andere deeltjes in hun tomeloze, naïeve snelheid weer op inslaan, en alle deeltjes achter hen daar weer op, en daar weer op, et cetera! Een groter en groter wordende rotzooi deeltjes die langzaam wordt: Iets.
Hannah Würm staat in de file op de vijfbaans, haar raam staat open, haar arm leunt op het stukje geronde glas dat er nog boven uit spiekt, haar hand hangt slap naar buiten, waadt door de lucht alsof het water is. Ze rijdt langzaam langs de auto aan het einde van de slipsporen met voorin een man in een witte blouse en een zwart giletje, die voor zich uit staart en iets vreselijk moois ziet, iets ondeelbaars, iets, zo lijkt, achter de dingen (zij herkent die blik, zij, Hannah, Hannah Würm, die in haar auto zit en langzaam rijdt en met haar hand door de lucht waadt als is het water, alsof ze eruit ontstaan is, zij is het water). Op de achterbank is een ambulancemedewerker gekropen die het hoofd van de man met latex handschoentjes van achter vastpakt als een stuk uit een museumcollectie — aardig, zó voorzichtig, bijna lief, een aanraking die de arme man die iets vreselijk moois ziet misschien nooit gevoeld heeft en nu niet meer mag voelen (maar Hannah voelt het voor hem! Ze voelt de rilling in haar nek, de latex vingers die haar slaap masseren). Ze kijkt naar rechts; een jongetje op de achterbank kan zijn ronde bevreesde ogen niet afhouden van de man die iets vreselijk moois ziet, tot hij Hannah passeert en haar aankijkt. Ze lacht en … knipoogt. Ze knipoogt. Een onderons, een wij-hebben-het-gezien. Een knipoog waarvan ze hoopt dat hij iets besmettelijks heeft, een tik-jij-bent-‘m, maar wat geeft zij door? Een geur, een stank, een nooit-meer-horen-bij.
Alles in de wereld begint met een nee.

*

Wat is je naam? vraagt Hannah Würm aan de vrouw op de bijrijdersstoel naast haar.
Mijn naam is haar geliefde, zegt haar geliefde.
Haar geliefde?
Ja. Met een grote letter H en een kleine letter g.
Mag ik je iets vragen dan, Haar geliefde?
Ja?
Als je je dag zou moeten omschrijven in drie bijvoeglijke naamwoorden, wat zou je dan zeggen?
Haar geliefde denkt na.
Het was een blauwe, hongerige, betonnen dag. Maar zo zijn de meeste.
Heb je het koud gehad?
Nee.
Hoe ben je verkleed vandaag?
Ik draag een kogelvrij vest, verstopt onder een hoodie.
Een blauwe hoodie?
Nee, rood. 
Is rood je favoriete kleur?
Wat jij wil. 
Rood is je favoriete kleur. 
Ik draag rode nepleren laarzen. Ze zijn niet mooi, lopen niet fijn, maar zijn verstopt onder het dashboard en ruiken naar sjag en vanille en ik droeg ze de dag dat we uit elkaar gingen. Wil je de radio aanzetten?
Hannah Würm zoekt in de FM naar een heldere zender; de ruis laat niks door.
Misschien heb je de antenne eraf gereden in die tunnel, wanneer was het, een dag, een week, een maand geleden? Ik ben het gevoel van tijd verloren.
Helemaal aan het eind van de meter waaien stemmen naar hen toe, alsof ze opdoemen uit de mist vlak voor hen, plotseling duidelijk verstaanbaar. Hannah Würm draait het volume hoger.
Zal ik je nog een grap vertellen? zegt een kalme mannenstem.
Graag, zegt de ander, nasaal en gewillig. 
Hoe noem je een cowboy met een houten pistool?
Nou?
Kind Eastwood. 
Dat is een goeie. Zeker.  
Zal ik er nog een vertellen?
Ga je gang. 
Welke cowboy moet er nog naar de wc?
(…)
Clint East-moet. Nog een? 
Zeker. 
Welke cowboy groeit maar en groeit maar? 
Nou?
Clint Yeastwood. 
Mhm, mhm, doet de ander.
Blijf je altijd bij me? vraagt Hannah Würm. 
Dat is nou zo iets wat ik je nooit zou kunnen beloven. 
Hannah Würm knijpt in haar stuur. 
Ze slaat af naar een tankstation, parkeert haar auto, pakt een platgedrukte wc-rol uit het dashboardkastje, loopt de bosjes in en hurkt naast een boom. In de verte, na een hek van prikkeldraad en een lang stuk omgeploegde modder, loopt iemand met een hond achter hem aan. Hannah Würm loopt terug naar de auto, gooit de wc-rol op de achterbank, pakt haar sporttas tussen haar in een handdoek gewikkelde typemachine en de dozen met boeken in de achterbak vandaan en loopt het wegrestaurant binnen waar ze de sleutel voor de douche aan de vrouw achter de balie vraagt.
Even later, het schemert al, draait ze een klein plastic flesje witte wijn open op de bestuurdersstoel, ze knoeit wat op haar schoot als ze een slok neemt, Haar geliefde gniffelt.
Ik ga slapen, zegt Haar geliefde, en ze stapt uit, om de volgende ochtend, als Hannah Würm met haar armen over haar stuur en haar gezicht in haar armen ligt, terug te komen in een enorme roze jurk die amper in de auto past en ze zegt: goeiemorgen lieve, lieve Hannah.

Ik vind haar maar niks, zegt Hannah Würm met volle mond tijdens het middageten in een klein wegrestaurant, en ze wijst met haar vork naar een meisje dat opstaat van haar tafel en naar de wc loopt.
Wie? Haar? zegt Haar geliefde.
Ja. Zwart kort haar?
Ja. 
Niet zo kijken. 
Ik zie haar.
Ik kwam haar overal tegen. Ik kwam haar tegen in de bioscoop en op café. En nu is ze hier. Ze keek altijd series op café. Ik denk dat ze verder niks doet.
Ze ziet er aardig uit. 
Ik heb echt een hékel aan haar … Iets aan haar zit me ongelooflijk dwars. Ze is altijd alleen. Zo’n verkleedkistjurkje, en dat … haar — ze is een soort kind. Ze is een kind zonder ouders dat maar mag doen wat ze wil. En dan series kijkt op café en cola koopt en naar de film gaat, en overdag maar een beetje over straat loopt. Ze is áltijd alleen.
En buiten begint het te regenen.

(…)

Nu staat Hannah Würm voor de badkamerspiegel van haar hotelkamer, ze reist haar vel af, knijpt erin en trekt eraan, doet de lamp uit, pakt de telefoon van de haak en belt de roomservice, hangt op na de eerste toon.
Ze ligt in bed, ze voelt zich weemoedig en haar hart klopt snel. Aan de andere kant van de muur komen mensen hun kamer binnen, ze slaan met de deur. De muur van haar hotelkamer is behangen met een skyline van een anonieme stad in de nacht, zoals je op dit soort plekken wel vaker amalgamaties van onderdelen uit de bewoonde wereld tegenkomt, compositiefoto’s op basis van de herinneringen aan dat wat zich achter de bomenrijen bevindt, een samensmelting van gemiddelden. Niets specifieks mag hier getoond worden. Niets dat verwijst naar iets aanraakbaars. Ze drinkt haar glas water leeg, zet het over haar oor en drukt het tegen het behang.
… ik woon al heel lang samen, hoort ze door de muur, en ik zou het niet aanraden, niet in een klein huis zoals wij. Het is zo groot als deze kamer, schat, geloof me. Als ik alleen thuis ben blijf ik tot ‘s avonds in bed en eet ik me zo vol dat ik moet overgeven. Pizza’s, burgers, bier. Ik zeg het je. Ik ben niet iemand die zich schaamt. Ik houd van haar maar ben niet verliefd want als ze niet kan slapen wordt ze boos als ik de kleinste beweging maakt, zó boos dat ze me slaat en tegen m’n benen schopt …
Hannah Würm knipt haar lampje aan en wikkelt de typemachine uit de handdoek. Ze stelt zich een kamermeisje voor dat de volgende ochtend, na gisternacht Hannah’s nachtelijke getik door de deur te hebben gehoord, onder het bed kijkt in de hoop verloren pagina’s van een briljant manuscript te vinden.
De volgende ochtend laat ze haar sleutel in de doormidden geknipte petfles vallen die aan een tiewrap aan de onbemande balie hangt.

*

Haar geliefde zit al klaar voor vertrek als Hannah Würm haar in een handdoek gewikkelde typemachine op de dozen boeken in de kattenbak legt en het pak papier dat manuscript heet op de achterbank aanvult met de vers geschreven pagina’s.
Ik heb zin om het te lezen, zegt Haar geliefde als Hannah Würm instapt. 
Jij leest alleen op café.
Ik mis het café. Wanneer gaan we weer eens naar een café?
Mensen die op café lezen zijn altijd op de eerste tien pagina’s. Let er maar eens op. Je moet ze niet laten denken dat je je boeken niet uitleest.
Dat maakt me niet uit. 
Het zou je uit moeten maken. Iedereen zit elkaar maar op te geilen met omslagen en geconcentreerde blikken en ondertussen wordt er geen zin gelezen.
Haar geliefde kijkt uit het raam. Hannah Würm start de auto.
Ik heb wel een mopje voor je, als je wil.
O, zeker. 
Hoe noem je een cowboy die schildert met een voorkeur voor bladgoud?
Geen idee.
Dat is Klimt Eastwood. Ken je … 
We zouden wat van die boeken moeten doneren, zegt Haar geliefde. We hebben te veel boeken. De hele achterbak ligt vol.
Dat is een denkfout, zegt Hannah Würm. Te veel boeken? Hoe kun je nou te veel boeken hebben? We hebben te weinig ruimte.

*

De zon gaat onder en Hannah Würm heeft weer eens een van haar episodes. De achterklep staat open.
God, de derde persoon! roept Hannah Würm uit, en er landt een boek tegen de zijkant van een prullenbak op de lege parkeerplaats. Haar geliefde op de bijrijdersstoel kijkt zwijgend voor zich uit.
Mijn god, wat een kwaal. Ik wou dat het zo simpel kon zijn als ik, ik, ik. Dan schrijf ik gewoon iedere boterham die ik eet en is er plots een verhaal. Lief, roept ze, heeft iemand je wel eens verteld over ayahuascarituelen? Vast wel. Nou, ik krijg er echt een gortdroge mond van als iemand me daarover vertelt. Je maakt een praatje en plots blijkt meneer zijn leven in te delen in een vóór en een ná. Er wordt een reis gemaakt door de vezels van het universum en iedereen behalve hij staat te kijken naar een kotsende hippie. Zo is de ik-persoon. Een verhaal gevangen in een lichaam. Een verhaal dat eindigt met ‘je had erbij moeten zijn’.
Ik heb het geprobeerd, hoor! roept ze van achter. Echt waar! En het was véél te aanlokkelijk om uit de grote pot die mijn geheugen is te snoepen. Daar was gewoon zo’n enorme lekkere hoeveelheid gevoelens en herinneringen dat ik achterover kon leunen en lekker naar de vogels buiten kon kijken terwijl mijn vingers het werk deden.
En ik schreef het met een … summiere stijl. Dat dwong mijn ik-persoon af. Want zo komen gevoelens het beste uit de verf. Zoveel mogelijk zeggen met zo weinig mogelijk woorden. Puh! Literaire smetvrees. M’n reet! roept Hannah Würm, m’n reet! Er zou toch maar ’ns een woord staan dat iets onbedoelds doet! Je zou toch maar eens even niet weten wat het met je doet! En daar het universele in vinden! Schei toch uit. Ik heb toch zeker wel wat beters te doen! Ik kende iemand met smetvrees en die veegde z’n reet af tot ‘ie bloedde, en als dat schrijven is dan kap ik er nu mee! En wat deed hij toen hij genezen was? Hij werd verzamelaar! Een verzamelaar van geweldige dingen! Opgezette weekschildpadden en weet ik veel wat! Kaarten die in brand vliegen als je ze uit het pakje haalt! Gloeilampen ter grootte van-van-van zandkorrels!
Als ik een boek schud en het rammelt niet en de woorden donderen niet tussen de bladzijdes uit mieter ik het godverdomme uit m’n auto! Ik doe het, hoor! Ik doe het zo! Ze slingert een boek de bosjes naast de parkeerplaats in, het fladdert door de lucht als een opgeschrokken duif.
Ik ben er haast gek van geworden, van die ik-persoon. Alles was gevoel. Álles gevoel. Iedere scheet een verhaal. Ik ben er haast gek van geworden, echoot het over de duizenden liters asfalt die smiespelend het feit verhullen dat ook hier ooit gewoon grasland was.

(…)

Weet je?
Er is een bepaald gebrek aan geluid op de snelweg, waarvan Hannah zeker is dat die alleen maar op de snelweg te vinden is, een stilte die alles richting het verdwijnpunt trekt. De golfplaten magazijnen langs de weg versmelten voor Hannahs ogen tot een eenkleurige massa. Haar geliefde is stil vandaag, kijkt naar buiten met haar wang tegen het raam. Hannah draait het volume hoger.
Nou?
Hoe meer van die grappen ik maak…
… mhm …
… hoe meer ik het gevoel heb dat het iets … belangrijks onthult. 
Hm … Wat onthult het?
Nou, in mijn studententijd heb ik een tijdje breinonderzoeken voor geld gedaan. Ik deed dat zó vaak dat ik me afvroeg of de resultaten nog wel representatief zouden zijn. Mensen dachten misschien dat ze iets te weten kwamen over het menselijk brein. Eigenlijk was het alleen het mijne. Maar goed … Tijdens één van die onderzoeken kreeg ik van die plakkertjes op mijn slapen en moest ik een uur luisteren naar de klank Mu.
Mu? 
Mú. Telkens weer. Mú. De klanken verschilden niets van elkaar, echt niets, en ik moest raden welke neusklanken en welke keelklanken waren. Maar alles wat ik hoorde was dezelfde Mu. 
Mu. 
Hannah Würm zet haar knipperlicht aan en haalt een vrachtwagen in, waarna ze weer naar de rechter baan schuift. De weg is verder leeg.
Mú, zegt ze. 
Juist. Mu. Ik was klaar, kreeg m’n geld, en toen ik naar buiten liep — de onderzoeken werden in een kelder gedaan — regende het, voor het eerst sinds een tijdje. Ik liep richting mijn fiets maar had nog geen zin om naar huis te gaan. Het was zo’n moment, snap je. Dat alles hetzelfde is maar anders voelt. Ik woonde in een best donkere kamer op dertien hoog. Als je eenmaal thuiskwam was het moeilijk weer naar buiten te gaan, snap je? Dus ik ging naar een café, Pushkin genaamd …
Zoals de Rus …
… Russische dichter, ja … Ik hield van dat café omdat het met één raamkant aan de gracht zit … De man verzit, zijn kleding schuift over zijn microfoon. Hij kucht.
… en op de ramen dat schilderij gedrukt is van Pushkin leunend tegen een balustrade langs een gracht. De eenden wachten altijd even bij Pushkin alsof hij ze wat brood zal voeren. In ieder geval hoorde ik het weer: Mu. Mu. Mu. Ik keek achter me en opzij, maar er was niemand anders in het café. Mu. Mu. Toen draaide de barman de melkschuimer af, en hoorde ik het niet meer. En toen weer, in een trilplaat van de gemeentewerkers die verderop de klinkers opnieuw legden. Mu. En weer, in een bus die voorbijreed. Mu. Mu. Ik werd duizelig, stond op. Op de wc zette ik de kraan open, en in het lopende water waarmee ik m’n gezicht verkoelde: Mu. Mu. Mu. Mu. Mu. 
Jeetje … En toen?
Ik dacht dat ik gek werd — of nee, gek is niet het goeie woord. Helemaal niet eigenlijk. Ik dacht … Ik dacht dat ik iets geheims had ontdekt. Ik deed de kraan open en dicht, open en dicht, en steeds hoorde ik het weer. Mu. Mmmu. Ik dacht: ik hoor het geheime geluid van het universum. Ik hoor de stemmen van de kleinste vezels van alles achter het zichtbare. Mu. Mu. Mu.
Mu. 
Mu.
Samen: Mu.
En toen?
Ik keerde me om, gezicht en handen nog nat, en zag dat er op de deur van de wc met watervaste stift een telefoonnummer was geschreven.
Een telefoonnummer?
Ja, een simpel 06-je, zonder iets erbij. En de staat waarin ik verkeerde, tja, ik moest wel! Het voelde … voorbestemd. Ik pakte mijn telefoon en draaide het nummer …
En? 
Een vrouwenstem. ‘Hallo,’ zei ik. ‘Vergeeft u me. Uw nummer stond op de deur van een wc gekalkt.’ Ze zuchtte in haar telefoon. ‘Dat verbaast me niks,’ zei ze. En ze vertelde me dat ze na het opbiechten van een affaire in ongenade was geraakt bij haar partner, nu ex, die haar niet alleen doodzweeg, maar ook haar telefoonnummer op zo’n beetje alle wc-deuren in de stad had gezet, zodat Jan en alleman haar kon bereiken. ‘Het is een wraak van het soort,’ zei ze, ‘waarbij het slachtoffer zich moedwillig verder in haar slachtofferschap wrikt, om zo op de schuldgevoelens van de dader te werken — haar als het ware te confronteren met een gedramatiseerde versie van haar eigen, in werkelijkheid veel complexere en genuanceerde daad.’ Dat vond ik een erg slimme analyse, en nog geen jaar later waren we getrouwd.
Getrouwd?
En of. 
En … Sorry dat ik je onderbreek, maar … Wat heeft dit met de grappen te maken? En de klank, het mu?
De wat? De …
Grappen. En het mu …
… de grappen, ja. Ach, mijn excuses. Ik zou het om eerlijk te zijn niet meer weten. Soms begin je met het één, en eindig je met iets heel anders. Zo gaat dat, vrees ik. Misschien mis ik mijn vrouw. Hier zo aan de andere kant van de wereld, dag in dag uit in de studio. Blind hopen dat iemand je hoort. Het doet wat met je. 
Het doet wat met je, ja. 
Ja.
En of.
De twee zwijgen even. 
Wil je er nog een horen? 
Waarom niet. We zijn er tenslotte. 
Zo zit het. We zijn er. De man neemt een slok en schraapt zijn keel. Oké, dan. Hoe noem je een cowboy met een hoed zó groot dat hij over zijn ogen valt? 
Nou?
Blind Eastwood.  
Een gouden grap, vriend. Een gouden grap.


Voor de achtste keer op rij reikt Wintertuin de Afstudeerprijs uit aan de student met het beste afstudeerproject. Met deze prijs geeft de organisatie aandacht aan een nieuwe lichting schrijvers en makers. Studenten van de schrijfopleidingen van Gerrit Rietveld Academie, Koninklijk Conservatorium AntwerpenHogeschool voor de Kunsten Utrecht en ArtEZ University of the Arts konden tot 14 juli hun werk insturen.

Wietse Leenders studeerde na zijn studie Theaterwetenschappen af aan Creative Writing met zijn novelle Hannah of de val, over een vrouw die na het verbreken van haar relatie verdwaalt in de tijdloze tussenruimte van de snelweg. Eerder liep hij stage als schrijver en redacteur bij De Poezieboys en schrijver/podcastmaker Hanneke Hendrix. Hij publiceerde o.a. in Notulen van het Onzichtbare en was deelnemer van het Das Mag Zomerkamp 2021.