De Regenrenner

Tine Tabak  - 28 september 2022

Fragment uit een van de zes genomineerde eindwerken voor de Afstudeerprijs

Tijdens de industriedag van festival Nieuwe Types op vrijdag 28 oktober wordt de winnaar van de Afstudeerprijs 2022 bekendgemaakt. Hier lees je de komende weken fragmenten uit de eindwerken van de zes genomineerde afstudeerders: Mila Haak (Writing for Performance, HKU), Wietse Leenders (Creative writing, ArtEZ), Tine Tabak (Writing for Performance, HKU), Mona Thijs (Woordkunst, Koninklijk Conservatorium Antwerpen), Ceren Uzuner (Creative Writing, ArtEZ) en Ilse van der Velde (Creative Writing, ArtEZ). 

 

De Regenrenner | Tine Tabak

 

Weggaan, de weg op
Proloog: balkon in Amsterdam Oost

as if we were meant
to know
what we wanted
to know
only tomorrow,
as if we were,
after all,
from the very beginning
born
far beyond ourselves,
our whole being
a traveling
onward ghost,
that sees itself
only
in looking back,
always
just about
to find
a home,
always a
hairbreadth
from
arrivali

Ik ga fietsen. Naar Finisterre, het einde van de wereld. Ik zal veranderen in een mens op wielen, een cyclist, een cyclisch mens. Ik zal jagen op de horizon, die steeds weer zal verdwijnen. Ik stop met malen in mijn kop. Ik laat alles naar mijn pedalen zakken. Ik blijf rondjes draaien in een poging om vooruit te komen. Op neer, op neer. Trekken duwen, trekken duwen. Trap – trap – trap – trap – TA TA TA TA. En met dat dreunen is er een traag vergaan van de tijd. Alles smelt samen. Mijn huid, mijn fiets, mijn regen, mijn wegdek, mijn ademhaling en razende hart, mijn zon, mijn keel, mijn donkere lucht. Alles in hetzelfde ritme. De enige tijd die nog bestaat is de tijd van de honger. Ik stop om wat te eten. En ik ga weer door. Dang Dang Dang Dang. Tot de volgende fuelstop. En dit het ritmisch lied wat ik zal zingen: Dank dank dank dank. Gracias a la vida! Zo zal ik leven.

Dat is het plan.

Maar nu, op de avond voor vertrek is daar ineens de vraag ‘WAAROM?’.

Ik ben thuis, in Amsterdam-Oost. Ik zit op mijn balkon – een stukje buiten dat als binnen voelt. Ik kijk naar mijn benen en kan nauwelijks geloven dat die mij naar Spanje gaan brengen. Ik ben zenuwachtig. Waar begin ik aan? Ik ben opeens zo bang. Waarom? Ik weet niet waarom. Ik mis iemand die met me meegaat.

Ik zal een vrouw zijn, alleen op reis.

Ik ga om de simpele reden dat de route richting Finisterre bestaat. Daarom wil hem fietsen. Omdat ik besta. Omdat ik moet bewegen om dat te kunnen voelen. Omdat ik moet bewegen om te kunnen denken.

Ik wil schrijven over pijn en verdriet. Een gelaagd soort verdriet. Een verdriet dat je met je meedraagt en aanzwelt en wegebt zoals het getij van de oceanen. Ik moet fietsen om het op te schrijven en ik weet dat ik dat kan. Omdat het al ergens in mij woont. Dat wat ik wil schrijven is er al.

Er wonen demonen onder mijn huid. Ze zijn daar komen wonen toen ik dertien was en zeker wist: ik ben een vrouw. Het afgelopen jaar hebben ze weer plaats genomen aan de kop van de tafel en daardoor wordt het onophoudelijke gesprek in mijn hoofd – dat bij tijden zacht en veelstemmig is – nu opnieuw gedomineerd door een eentonig dreunende basstem. Een stem die veel pretendeert te zeggen, maar in werkelijkheid maar één ding zegt: “Waarom ben je hier?” en dan soms in de echo van de dreun “ik hoor hier niet”.

Op sommige dagen is het zo moeilijk om mezelf te overtuigen dat ik die stem, die mijn innerlijk behang beklad met zwarte leuzen, niet ben. Dat dat een ongewenste gast is, die al te lang is blijven hangen, waardoor mijn eigen lijf niet meer als veilig thuis voelt. Waardoor ik elke ochtend wakker word met de drang om te verhuizen. In de Engelse taal is het woord voor verhuizen en bewegen hetzelfde: to move. En dat is dus wat ik elke dag moet doen. Bewegen. Om te voelen dat ik welkom ben in het lijf dat mijn naam draagt, dat ik daar mag wonen en me thuis zou kunnen voelen. Thuis, zoals ik me voelde toen ik nog niet begreep dat er naar mij gekeken werd.

In de maanden dat de demonen onophoudelijk met hun drilboren tegen mijn botten dreunen om m’n gestel te testen, voel ik me vaak een klein en kwetsbaar kind. De trillingen schieten vanaf mijn ruggengraat mijn armen en benen in waardoor die ledematen niet meer van mij voelen. Ik voel me gereduceerd tot romp met kop en soms ben ik alleen nog kop. En daar score ik vaak punten mee. Want mijn kop is gevuld met hersenen die slimme dingen kunnen denken. En aan die slimme dingen wordt meer waarde toegekend dan aan het kwetsbare lichaam dat eraan vastzit.
Uit ervaring kan ik zeggen: bij de productie van gedachtes in mistige koppen op verstijfde lijven achter bureaus, is vaak alle nuance en gelaagdheid verdwenen. Het lichaam is als het ware vertrokken. Een hoofd zonder lichaam kan niet denken.

Ik ben een vrouw. Een ontembare vrouw. En in mij brandt een wild vuur.

Ik vul mijn lichaam met boeken vol stemmen van vrouwen die het ook totaal kwijt zijn geweest. De verbinding met hun lijf, en dus met het leven, met alles dat ademt en stroomt. En sinds ik begonnen ben met lezen van hun taal, stormt het in mijn hoofd. Ik kijk omlaag naar mijn biceps en borsten en ik denk: als er iets is waar ik tussen de sombere gedachten door nog trouw aandacht aan besteed heb, dan is het juist wel aan mijn lichaam. Door het genoeg en gezond te voeden en veel te bewegen. En te masturberen als ik daar zin in heb. Mijn huid in te smeren met olie. Elke dag te douchen. Mijn nagels schoon te maken na het pellen van knoflookteentjes. Puistjes uit te knijpen. Me te scheren als ik daar zin in heb. Ik zorg goed voor mijn eigen lichaam en behandel het als een geliefde. Desondanks voel ik me waardeloos. Mijn lijf doet zoveel pijn. Waarom?

Deze reis wordt een herontdekking van het landschap waar ik van vervreemd ben geraakt. Mijn lichaam. De natuur om mij heen. Het water dat leven is. Dat alles met alles verbindt. Dat alles uit alles laat bestaan.

Deze fietstocht is zoeken naar troostrijk land.
Het is een poging opnieuw thuis te komen.
En ik zal er over schrijven. Waarom?

Omdat ik denk dat sport, kunst en filosofie zijn gemaakt van hetzelfde sensuele, bewegende materiaal. Erotisch, cyclisch, nat. Door te schrijven over mijn fietstocht wil ik deze drie uitingen van liefde met elkaar verbinden. Of liever gezegd, met elkaar verzoenen. Want ze horen bij elkaar.

Deze fietstocht is een veldwerk. Ik zal tekstjes en essays schrijven aan de hand van wat ik onderweg tegenkom. Ontmoetingen, gedachten, geluiden van het landschap en de liedjes in mijn hoofd. Het gaat me dus niet zozeer om de fietstocht zelf. Het gaat me om de vragen en gedachten die ontstaan door het onophoudelijk bewegen. En de antwoorden zullen waaien in de wind, ze zullen klinken in het ritmisch draaien van mijn trappers. In de stemmen van de filosofen, atleten en kunstenaars die ik bewonder. Zij gaan met mij mee op reis, want ze wonen in mijn lijf.

Ik zit op mijn balkon in Amsterdam. De zon gaat onder. Het is tijd om te gaan slapen. Vanaf morgen ben ik een mythisch dier. Half vlees, half staal. Een mens met wielen.
Ik ga op reis en ik neem niets en niemand mee. Behalve deze woorden:

Vamos lento porque vamos legos.

Ik zal ze schreeuwen als ik verdwaald ben.

We gaan langzaam, want we gaan ver.

 

Vreemd-zijn
Rit 1: Amsterdam – Zoersel

Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. Je blijft
iemand op wie wordt gewacht.ii

Ga ik ergens van weg? Ga ik ergens naartoe? De jager en de prooi bewegen in dezelfde richting, maar met een tegenovergesteld doel. Is dit jagen? Is dit vluchten? Ik ben begonnen aan een reis van vierentwintighonderd kilometer en ik rijd gewoon langs het stuk Amstel waar ik elke dag fiets. Alsof ik alleen maar even een boodschapje ga doen. Alsof ik zo meteen weer thuis ben.

Waar ben ik thuis? Misschien wel het meeste hier, op mijn fiets.

Op de fiets voel ik het sterkst wat ik als kind ook gevoeld heb in de tuin van mijn ouders: ik ben een bewegend beestje tussen een oneindige verzameling bewegende beestjes. En met beestjes bedoel ik bodies of water. Lichamen die in constante uitwisseling zijn omdat ze bestaan uit water. Regendruppels zijn vallende beestjes, en bomen zijn beestjes met ontspannen armen die wapperen als het waait. En ik ben zelf zo’n beestje. En de kippen in de tuin van mijn ouders waren zulke beestjes. Het waren beestjes met een taal die lijkt op de mijne. Er stond een boom in die tuin die laag was en een hele lange horizontale tak had. Dat was de tak waar de kippen op stok gingen en ze deden dat iedere avond op precies dezelfde tijd: de tijd waarop ook de zon ging slapen en veranderde in een schemerlampje. Ik ben vaak naast de kippen in de boom gaan zitten en dan vertelde ik ze verhaaltjes. Ik luisterde zelf graag naar verhaaltjes voordat ik ging slapen, dus ik kon me goed voorstellen dat de kippen dat ook fijn vonden. Ik probeerde de verhaaltjes te vertellen in een taal die de kippen zouden begrijpen. De taal was niet hun moedertaal, dat was toktok-taal, maar ik begreep dat ik nooit een native toktok-speaker zou worden. Ik begreep ook dat de kippen nooit mijn moedertaal, Nederlands, zouden willen leren. Als ik bij geboorte had mogen kiezen zou ik namelijk zelf ook niet voor Nederlands gekozen hebben. Daarom probeerde ik een zomer lang een taal te ontwikkelen, die voor ons beiden een tweede taal zou zijn, waarin we, misschien ietwat hakkelig, elkaar zouden verstaan. Het is me die zomer gelukt. Werkelijk waar. De eerste weken dat ik naast de kippen op de tak ging zitten om verhalen te vertellen – in toen nog een erg primitieve tweede taal – kreeg ik alleen maar respons in toktok-taal en werd mij vriendelijk doch duidelijk verteld dat ik de tak moest verlaten. Aan het eind van de zomer, op een avond waar de zon pas ver na kinderbedtijd een schemerlampje werd, gebeurde er iets wat de basis werd voor mijn zoektocht naar de verbondenheid tussen mijn waterige lichaam en de (niet-alleen mensen) lichamen om mij heen.

De zon wordt een schermerlamp, dit is mijn cue. Ik volg de kippen naar de horizontale tak. Ik ga naast ze zitten. Ik begin een verhaal te vertellen, niets bijzonders, gewoon een verhaaltje over iets wat ik die dag beleefd had. De kippen kijken me aan. Ik mag doorvertellen. En ik vertel hun een groot geheim. Ze zijn de eersten die het horen en ik schaam me een beetje. In het Nederlands zou ik het ze nooit verteld hebben, want Nederlands is geen geschikte taal voor diepe geheimen. Maar in de taal die bestaat tussen de kippen en mij durf ik het ze te vertellen. Ze knikken hun hoofdjes, kijken me aan terwijl ze blijven knikken. Dan zeggen ze, in de taal die ook hun tweede taal is: niet bang zijn, het komt goed. Mijn huid verandert in kippenvel. Ik kan niets meer terugzeggen. Ik kijk naar de knikkende kopjes, knik terug op dezelfde hakkelige kip-manier en verlaat dan zwijgend de tak.

Sindsdien ben ik met vlagen dagenlang niet bang, omdat ik weet dat ik ergens thuis hoor.

Natuurlijk heb ik de afgelopen achttien jaar tijdens de rest van de dagen deze ervaring afgeschreven als kinderlijke fantasie. Ik heb geleerd om alles te bevragen, te wantrouwen. Mijn eigen lichaam, mijn gedachten, de dingen die ik waarneem, de taal waarmee ik die waarnemingen invoelbaar maak, de wereld om me heen, de mensen om me heen, die gevaarlijk zijn, bang zijn of boos misschien. Ik heb geleerd dat ik een individu ben met een vrije wil. Ik heb geleerd dat ik verantwoordelijk ben voor de dingen die ik zie en zeg en doe. Ik heb ook geleerd dat sommige dingen zweverig zijn en andere gegrond. Ik heb geleerd dat zweverig en gegrond geen vrijblijvende woorden zijn. Ik heb geleerd over hiërarchieën. Tussen mensen en dingen, tussen denken en voelen. En ook binnen die mensen, dingen, gedachtes en gevoelens zijn hiërarchieën te vinden. Ik heb geleerd dat de wereld logisch is, in de zin van verklaarbaar en gebouwd volgens wetten. Ik heb geleerd dat de dingen die niet logisch lijken, dat in feite wel zijn. Ze zijn alleen nog niet begrijpelijk omdat we nog niet alles weten. Méér kennis is de oplossing voor onbegrip. We zouden alles kunnen kennen, als we alle kennis zouden hebben.

Dat is de wereld waarin ik opgroeide. Dat is de wereld waar bomen en mensen en kippen inherent vreemd aan elkaar zijn. Op mijn fiets wordt het mogelijk om even aan die wereld te ontsnappen.

 

Voor het slapen gaan
In een hostel in Geraardsbergen, Vlaanderen,‘s avonds laat

De hete waterstraal van de douche voelt als een omhelzing.
Ik hoor de druppels op de tegels kletteren en zingen:

Het komt goed
hoe dan ook
het komt goed.

 

Schoonheid en troost I
Rit 15: San Sebastian – Mutriku

Hoe troost ik een vrouw die huilt?

Ik heb dat nooit geleerd. Mijn moeder huilde nooit. Vroeger dacht ik dat dat kwam omdat mijn moeder nooit verdrietig was. Nu ik zelf een volwassen vrouw aan het worden ben en met de dag meer op haar begin te lijken, weet ik dat dat waarschijnlijk niet waar is. Ik ben al maanden verdrietig, maar het lukte me nauwelijks om te huilen. Ik leerde om tranen door te slikken zodat ze zinken naar de plekken waar vrouwen van nature veel gewicht kunnen dragen. Buik en heupen. Ik droeg verdriet als een kind van mijn moeder. Met mijn kaken op elkaar geklemd. Maar nu, al fietsend, wordt verhard verdriet weer vloeibaar en vindt het via mijn ooghoeken een weg naar buiten.

 

Schoonheid en troost II
Rit 16: Mutriku – Sopela, de laatste 5 kilometer

Ik fiets traag als iemand die niet verwacht om aan te komen.

Mijn fiets is een slak en ik ben het huis dat zij draagt.

Dit lichaam wordt steeds minder van mij, van mijn ego. Steeds minder van de verlangende blikken van anderen. Dit lichaam wordt steeds meer van het landschap. De zon laat haar sporen na op mijn huid. Het wegdek bijt zich vast in de spieren van mijn bovenbenen en kuiten. De wind heeft mijn hoofd leeg gewaaid. Ontdaan van alle gedachten.

 

Traag bestaan (zomerdag)
Rit 21: Puerto de Vega – Santiago de Compostella

Het lijkt alsof alle delen die
mij vormen tot nu toe alleen
bij elkaar zijn gehouden door
pure snelheid.

Ik fiets
naar het einde van de wereld
om erachter te komen dat het niet de afstand was
die ik moest overwinnen maar
de angst voor mijn eigen vuur.

Dit is het punt waarop ik
voel dat ik
breek
nu
thuis bijna in zicht is.

 

Noten

i David Whyte, ‘Traveller’, in Pilgrim (Washington: Many Rivers Press, 2014), 5–7.

ii Rutger Kopland, Het Orgeltje van yesterday (Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1988),15.

 


Voor de achtste keer op rij reikt Wintertuin de Afstudeerprijs uit aan de student met het beste afstudeerproject. Met deze prijs geeft de organisatie aandacht aan een nieuwe lichting schrijvers en makers. Studenten van de schrijfopleidingen van Gerrit Rietveld Academie, Koninklijk Conservatorium AntwerpenHogeschool voor de Kunsten Utrecht en ArtEZ University of the Arts konden tot 14 juli hun werk insturen.

Tine Tabak schrijft scenario's en proza met krachtige, kwetsbare queerpersonages. Ze zet zich in voor positieve queer representatie en het vertonen van sterke vrouwenrollen in verhalen. Tine is een fysieke denker. In haar teksten wilt ze de verbinding tussen lichaam en geest benadrukken en versterken. Ze wordt geïnspireerd door het lezen van filosofie en door zelf te bewegen en te sporten. Door nieuwe verhalen te vertellen ziet Tine de mogelijkheid om normen en vaste patronen in de samenleving te bevragen. Precies om die reden vindt ze het belangrijk om stemmen te laten horen die voorheen niet gehoord werden.