Schootheuvel

Mona Thijs  - 05 oktober 2022

Fragment uit een van de zes genomineerde eindwerken voor de Afstudeerprijs

Tijdens de industriedag van festival Nieuwe Types op vrijdag 28 oktober wordt de winnaar van de Afstudeerprijs 2022 bekendgemaakt. Hier lees je de komende weken fragmenten uit de eindwerken van de zes genomineerde afstudeerders: Mila Haak (Writing for Performance, HKU), Wietse Leenders (Creative writing, ArtEZ), Tine Tabak (Writing for Performance, HKU), Mona Thijs (Woordkunst, Koninklijk Conservatorium Antwerpen), Ceren Uzuner (Creative Writing, ArtEZ) en Ilse van der Velde (Creative Writing, ArtEZ). 

 

Schootheuvel | Mona Thijs

 

1

Anja keek naar de grijze, trillende hemel en hoopte uit de grond van haar hart dat het niet zou gaan regenen. In een interview had ze eens gezegd dat ze regen het summum van locatietheater vond: de werkelijke wereld die genadeloos ingrijpt op de fictie, je plots moeten verhouden tot iets waarvan je de vertelling niet in de hand hebt.
‘Je moet ‘ja’ zeggen tegen de regen’, had ze gezegd, wat ze meteen een verschrikkelijk pretentieuze opmerking had gevonden, en de interviewer kennelijk ook, want die vroeg op licht cynische toon ‘Wat hij zich daar dan concreet bij moest voorstellen, ‘ja’ zeggen tegen de regen? ‘Je mag de storm nooit negeren, zeg ik tegen mijn spelers. Je moet erin gaan staan, je hoofd in je nek gooien, jezelf nat laten worden.’
Het was toen al gelogen: regen is nergens het summum van, ook niet van locatietheater, maar in dit stuk zou een bui werkelijk alles verpesten. Binnen enkele minuten ging WAW in première in openlucht. WAW was de afkorting van We are water, een ecologisch waterbedrijf, uit de grond gestampt door de jongste telgen van de zakenfamilie Lauwers, die om de zoveel tijd verzamelen rond de gigantische watertap op scène om het, steeds kibbelender, over de zaken te hebben.
De tribune liep vol en dat maakte Anja zenuwachtig. Ze had gehoopt dat mensen loods 53.7 a op dit gigantische terrein niet zouden vinden, maar die hoop was blijkbaar onterecht geweest; het overdadig aantal pijlen dat Nadja, hoofd productie, afgelopen nacht nog had geplastificeerd en opgehangen, had duidelijk haar werk gedaan.
In de backstage, die achter de tribune uit containers was opgetrokken, hing een beheerste sfeer. Geen uitersten dit keer. Geen acteurs die vloekend op zoek waren naar een technieker omdat het plakkertje van hun microfoon was losgekomen, geen groepsknuffels, geen bekentenissen. Anja liep door de cafetariacontainer, griste een peer mee, kruiste Tuur, die met gesloten ogen en kaarsrechte rug op één van de plastic stoeltjes zat. Ze tikte op zijn schouder, ‘We gaan bijna beginnen’ fluisterde ze en liep verder. Tuur was eind dertig, maar kwam over als een vijfentwintigjarige met last van late puberteit. Hij weigerde mee te eten met de groep omdat hij ‘ruim voor hij op moest nood had aan een prikkelarme omgeving’ en nam voorts plaats aan een tafeltje in het midden van het cafetaria, om met zijn ogen dicht en zijn middelvingers op zijn slapen ademhalingsoefeningen te doen.
Buiten leunde Maïté tegen een container. Ze keek met één dichtgeknepen oog naar het dokwater in de verte. ‘Ben je er klaar voor?’ vroeg Anja. ‘Ben jìj er klaar voor?’ vroeg Maïté. Dit deed ze vaak: de bal terugkaatsen, een gewoonte die Anja had doen beseffen dat ze Maïté de vragen stelde die ze eigenlijk aan zichzelf verschuldigd was. Roos, Willem en Mo stonden op een kluitje, iets verder, en keken door de doorgang in de tribune, op zoek naar bekenden in het publiek. ‘Hij is er’, piepte Roos. ‘Wie?’ Anja drong zich tussen hen in om te kunnen kijken. ‘William. Hij is er.’ ‘Waar?’ ‘Dààr.’ Dat was inderdaad William: hij keek fronsend naar zijn ticket en stapte wijdbeens, haast zonder zijn knieën te strekken, naar zijn plaats. ‘Hij draagt regenlaarzen’, fluisterde Roos. ‘Wat?’ Anja duwde haar licht opzij. William droeg inderdaad de regenlaarzen die het productieteam voor alle publieksleden op de eerste rij gratis had voorzien. Aan het einde van het stuk kwam de scène onder water te staan, waardoor de eerste rij natte voeten zou krijgen.
‘Niet erg’, had Nadja gezegd, ‘helemaal niet erg. We lossen dat op.’ En met angstaanjagend enthousiasme had ze het regenlaarzenaanbod van verschillende Europese outdoor-winkels aan een prijsvergelijkende studie onderworpen.
William had nu ongeveer een jaar geleden toegestaan dat de voorstelling op het terrein van Minerale, het ecologische waterzuiveringsbedrijf waar hij CEO van was, zou doorgaan. ‘Op welke manier past dat toneel van u in ons bredere plaatje?’ had hij gevraagd op hun eerste ontmoeting. ‘Ik bedoel: u snapt dat wij niet van onze eigen visie en missie kunnen afstappen.’ Ja, dacht ze, terwijl ze hem knikkend aankeek en nog een slok van haar lauwe koffie nam, hier had ik me op moeten voorbereiden. ‘Ik wil al lang een gevoelig portret maken van een familiebedrijf’, zei ze. Het idee was haar zonet te binnen geschoten. Op papier had ze al een hele voorstelling klaar: een woordeloze aaneenschakeling van tableaux vivants, met als centrale figuur een jonge vrouw die langzaamaan verandert in een vis. ‘Het concept van een familiebedrijf fascineert me enorm’, zei ze. ‘Het reilen en zeilen achter de schermen, de liefde voor het vak. Ik zou me graag op Minerale baseren, als u daar akkoord mee gaat.’ Hij had naar achter geleund in zijn ergonomische bureaustoel en kort gefronst, maar al vrij vlug was hij te vinden geweest voor het idee. Niet veel later had ze hem geïnterviewd aan zijn bureau, waar hij voor de gelegenheid tientallen ingelijste familieportretten op had uitgestald. Ze had hem vragen gesteld, uren aan een stuk, en hoewel ze wist dat dit niet het verhaal was dat ze wilde vertellen, had ze geknikt en bevestigende geluiden gemaakt. Je moet nu eenmaal iets over hebben voor de ideale locatie, dacht ze. En in haar hoofd legde ze een mythische schittering over het dokwater.

‘Oké, ik ga naar mijn plaats, jongens’, zei ze. ‘Zet ‘m op. Toi toi.’ Ze ging op de tribune naast Nikki zitten, die achter de lichttafel een laatste keer de juiste standen doornam. ‘WAW vertelt een complex verhaal’, fluisterde ze tegen zichzelf, ‘dat naast een woordelijke, ook een lichamelijke ervaring is.’ Dit was haar ritueel geworden: net voor het theaterlicht aanging en de acteurs opkwamen, herhaalde ze de beste zinnen uit de recensie die ze op voorhand over haar eigen stuk had geschreven. Het was een geheime gewoonte die haar dierbaar was en die ze al jaren volhield. Het stelde haar gerust de zinnen op te schrijven die ze uiteindelijk echt wilde lezen. ‘Je voelt meteen dat de bedrijfssetting slechts een dekmantel is om iets spannender naar voor te schuiven’, fluisterde ze, en ze voelde hoe ze rustig werd, en net toen ze Nikki aanstootte om te zeggen ‘we gaan van start’, viel haar oog op het opvallend paar regenlaarzen dat iemand op de eerste rij droeg. Het waren niet de regenlaarzen die Nadja had voorzien, ze waren donkerder en verweerder, met aangekoekte modderspatten. Eigenlijk wist ze al bij wie die regenlaarzen hoorden nog voor ze zijn gezicht zag. Iets in haar lichaam reageerde voor ze woorden vond, en toen hij zich omdraaide leken de dingen lichtjes van plaats te verschuiven: het was Leon. Hij glimlachte en ze voelde die lichte jeuk in haar onderbuik, die haar eraan herinnerde hoe irritant veel je om iemand kan geven. Plots. Ze had gedacht dat alle gevoelens die bij Leon hoorde veilig lagen opgeslagen in de grond van Schootheuvel, waar ze ze veertien jaar geleden had achtergelaten. Het waren gevoelens die ze tot nu toe enkel had toegelaten als herinneringen, luchtdichte verhalen die ze zichzelf af en toe vertelde voor het slapengaan, als ze zo moe was dat het evengoed dromen konden zijn. Toen deed Nikki de felle spots aan en klonk het watergetik door de boxen en kwamen de spelers op en Anja kon alleen maar denken: miscchien mag het toch regenen, zodat Nadja in haar lichtroze poncho zou moeten opkomen en zou moeten zeggen: ‘Sorry, de tickets worden terugbetaald.’

 

2

Tien minuten voor het einde van WAW was er iets vreemd gebeurd: een vrouw in het publiek stond recht en begon te applaudisseren, waardoor de laatste scène van het stuk een langgerekte outro leek. Anja wist niet wie de vrouw was en wat ze hier had gebracht, en omdat haar geapplaudiseer zo lang duurde en extreem storend was, vroeg ze zich af of het niet eerder een sabottagemiddel was dan wel een uiting van bewondering.
Het applaus was begonnen toen Hade, de jongste Lauwers-zus, onder de gigantische watertap was gaan staan. Hades poging haar dorst te lessen aan de waterstraal, haar stuiptrekkende douche, het moment dat ze in de tap klimt en zich onderdompelt in het water, de eindeloze seconden waarin ze, ongemakkelijk opgekruld, blijft liggen, tot de tap helemaal is leeggelopen: allemaal overstemd door geklap en gejuich.
‘Van de eindscène gaat een bezwerende kracht uit’, citeerde Anja wanhopig in zichzelf. ‘De klachten van jongste zus Hade (jeuk, moeite met ademen en praten) die tijdens de voorstelling verergeren, komen tot een magistrale climax.’ De zinnen uit de recensie konden haar niet kalmeren.
Het applaus hield ook de laatste minuten van WAW aan. De scène is ondertussen onder water gelopen, Hade is door haar twee broers uit de tap getild en laat zich langzaam in het water zakken. De stroom neemt haar mee, naar het dokwater waarin het water op scène — door een technisch hoogstandje waar Bart graag mee opschepte — overloopt. Dat alles was was Anja’s lievelingsscène, de reden waarom ze het hele verhaal errond had gebouwd, waarom ze haar oorspronkelijke idee volledig had omgegooid en met William in zee was gegaan en zich had verdiept in familiebedrijven, maar ondertussen was er zoveel geroezemoes ontstaan in het publiek dat de scène eerder een detail voor opmerkzamen werd, iets waarover je in de foyer achteraf zei: ‘Welk moment bedoel je precies?’

Het theaterlicht ging uit, het was buiten ondertussen donker geworden, en er brak een oorverdovend applaus los. Anja wist niet wat ze hoorde, veel mensen stonden recht, het licht ging weer aan, de acteurs bogen, gingen af, kwamen weer op, bogen nog eens, gebaarden naar Anja, kom dan, en op automatische piloot stoof ze naar beneden, ze kreeg bloemen, uitgerekend van Tuur, ze werd gekust door haar spelers, Maïté kwam erbij, druipnat, en omhelsde haar, het applaus bleef maar duren, ze zocht naar Leon op de eerste rij, maar door het tegenlicht vond ze hem niet.
Alles flitste voorbij aan de snelheid van een droom: de receptie in één van de opslagplaatsen van Minérale, die Nadja had proberen opfleuren met groene details, zoals servietjes en bloempotjes, de cava, de schouderklopjes, de felicitaties van mensen die haar kenden maar niet omgekeerd, William die na een tijd naar haar toe kwam, haar bij haar elleboog vastnam en zei: ‘Proficiat. Echt. Heel – hoe zal ik het zeggen – speciaal (gevoelig) gedaan’, nog meer cava, nog meer schouderklopjes.
Op een gegeven moment kwam er een vrouw naar Anja toe, ze hield haar cavaglas opzij, alsof ze bang was op haar blouse te morsen. In haar kielzog liep een man. ‘Gefeliciteerd hoor’, zei ze toen ze voor Anja stond. ‘Inderdaad’, zei de man. Anja bedankte hen. ‘Wat ik mij afvroeg’, zei de vrouw. ‘Kom jij zelf uit een zakenfamilie?’ ‘Nee’, zei Anja verbaasd. ‘Absoluut niet.’ ‘Nee? Wel, dat verwondert mij nu. Ikzelf ben namelijk in zo’n familie opgegroeid. De Vernaartsen. Dat zegt je misschien iets? Fabrikant van stopverf?’ Anja schudde verontschuldigend haar hoofd. ‘Na een paar jaar ben ik daar uitgestapt, omdat het zo een verstikkende bedoening was. Met je familie in zee gaan. Dat moet je gewoon niet doen. En jij hebt dat neergezet, echt, zoals het was. Voor mij althans.’ De man knikte. Anja vroeg zich af wat hun verhouding was. ‘Sorry dat ik te vroeg rechtstond, daarnet, maar ik kon het niet houden’, zei de vrouw. ‘Ik dacht eigenlijk ook dat het na die ruziescène gedaan was.’ ‘Nee hoor’, zei Anja, en ze probeerde beleefd te blijven. ‘Dat was anders ook een goed einde geweest, denk ik. Die ruzie, en dan, bam, lichten uit.’ De man keek naar de grond. Anja zag Maïté naar buiten gaan. ‘Sorry, ik ga gedag zeggen tegen één van de actrices.’ De vrouw nipte knikkend van haar cava. ‘Tuurlijk’, zei ze. ‘Ga maar.’ ‘Bedankt’, zei de man.
De rest van de avond had ze gesprekken maar half gevolgd. De hele tijd had ze Leon in de gaten, die aan een tafeltje alleen stond en rustig van zijn fruitsap nipte. Hij bleef er staan, terwijl het volk één voor één vertrok. Nadja was de laatste die ging. Terwijl ze haar jas aandeed keek ze fronsend naar Leon en vroeg: ‘Wie is die man daar?’ Anja haalde haar schouders op. ‘Zullen we samen afsluiten?’ ‘Nee nee’, zei Anja, ‘ik handel het wel af. Ga maar slapen.’ Nadja legde de sleutel in Anja’s handpalm en sloot haar vingers eromheen. ‘Tot morgen, Antje.’ Ze maakte een kusgeluid.
Toen Nadja weg was, voelde Anja zich plots ontzettend moe. Ze keek naar Leon, die rustig zijn laatst bestelde fruitsapje opdronk en twijfelde of ze naar hem toe moest, zo direct, maar het zou duidelijk nog vreemder zijn om in deze gigantische ruimte op afstand te blijven. Ze wriemelde aan de sleutelbos terwijl ze naar hem toe stapte. Hij keek haar aan met een half opgetrokken glimlach, een trek die niet van kindsbeen af bij hem had gehoord en die hem niet stond. ‘Hey’, zei ze. ‘Lekker fruitsap’, antwoordde hij en hij nam nog een slok die hij onappetijtelijk in zijn mond liet kolken. ‘Hey Anja.’ Onzekerder nu. De Leon die na een te ruw potjestamp een briefje met ‘sorry’ in één van haar pantoffels bij de achterdeur schoof. Hij gaf haar een schouderklopje, waarop zij zich naar hem toe boog om hem op zijn wang te kussen. Ze kon hem ruiken: tijm, haardrook. En toen omhelsde hij haar, met een grip waarvan ze het potentieel zo vaak had gevoeld, vroeger, wanneer hij haar probeerde vast te binden aan de totem in zijn achtertuin of haar tegen de grond gedrukt hield in een worsteling. ‘En?’ vroeg hij. ‘Is dit wat je doet?’ ‘Wat?’ vroeg ze. ‘Toneel maken.’ ‘Oh. Ja. Eigenlijk wel, ja. Naast afwassen in een bistro. Maar dat zeg ik er in interviews niet bij.’ Hij grinnikte. Ze hoopte dat hij niet over het stuk zou beginnen. ‘En jij?’ vroeg ze snel. ‘Hoe bedoel je?’ Ja, wat bedoelde ze eigenlijk? Naar wat in die jij polste ze? Waar woon je? Hoe gaat het? Is je lievelingseten nog steeds diepvriesspinazie met fishsticks? ‘Waarom ben je gekomen?’ vroeg ze. ‘Ik las erover in de krant en was benieuwd.’ Ze speurde zijn gezicht af. Al zijn cellen waren in de tijd dat ze elkaar niet hadden gezien twee keer volledig vernieuwd. Technisch gezien had hij nu een nieuwe huid, nieuwe haren, nieuwe nagels, maar toch was hij, op zijn baardstoppels en een littekentje boven zijn rechterwenkbrauw na, twee druppels water de Leon die ze voor het laatst had gezien voor haar huis in Schootheuvel. Hij streek met zijn hand over het beeld op de brochure van WAW, die voor hem op de receptietafel lag. Het was een close-up van Hade, opgekruld in de lege tap, haar open mond tegen het plastic gedrukt. De spiertjes in Leons nek spanden aan, vroeger het signaal dat hij boos werd en dat binnen enkele momenten diegene die dichtbij genoeg stond eraan moest geloven. Anja liep naar de bar, haar hart in haar keel, en trof daar een schotel met frituursnacks aan. ‘Ik heb honger’, riep ze naar hem vanaf de bar. ‘Wil je ook?’ Een berekende gok. Hij kwam, ogenschijnlijk kalm, zette zich neer op de barkruk naast haar en keek toe terwijl ze de ene lauwe kippennugget na de andere naar binnen werkte. Hij kraste zachtjes met zijn nagels in het houten blad van de bar. Ze vond het plots verschrikkelijk irritant dat er nieuwe gewoontes in zijn lichaam waren geslopen, die de oude onbetrouwbaar maakten en die samen een taal vormden die ze niet begreep. ‘Anja’, zei hij na een tijdje, twijfelend, en ze was bang voor wat er nu zou komen. ‘Ja?’ Hij griste twee kippenvingers uit de schotel en stak ze onder zijn bovenlip, als vampierentanden. ‘Weep je nog?’ zei hij, en de eerste seconde was ze te verbouwereerd om te antwoorden. ‘Tuurlijk weep ik dat nog’, zei ze, en ze graaide naar de kippenvinger in zijn rechtermondhoek, waarop hij naar achter schoof met zijn kruk, klaar om het spel te spelen, maar Anja graaide geen tweede keer. Voorzichtig spuwde hij de kippenvingers in zijn hand en draaide ze in een groen servietje dat op de bar lag. Het was even stil. Misschien was Leon ook verrast hoe makkelijk je over de dunne grens stapt die je van vreemden tot oude bekenden maakt, en Anja vroeg zich af aan welk deel van de grens ze het meest een rol speelde. ‘Anja’, zei hij opnieuw, met zijn ogen op het servietje gericht. ‘Ja?’ Waarom heb je dat gedaan?’ En hoewel ze exact wist waar hij het over had, vroeg ze: ‘Wat?’ ‘Die vis.’ Ze stopte nog een kipnugget in haar mond, die ze in haar wangholte bewaarde. ‘Omdat het een mooi beeld is’, zei ze. ‘Anja, kom op.’ ‘Omdat ik het ergens kwijt moet.’ ‘En dat moet per se op deze manier?’ ‘Hoe anders?’ Hij pulkte aan zijn serviet. ‘Dit is niet jouw verhaal, Anja. Hagar is mijn zus.’ Ze kauwde traag op de kipnugget, die papperig in haar mond lag, en toen ze hem helemaal had doorgeslikt, zei ze: ‘Ik wil gewoon eerlijk zijn.’ Leon stond recht. Anja zag nu dat hij nog steeds zijn regenlaarzen droeg, en hij leek niet goed te weten waar hij naartoe moest. ‘Volgens mij’, zei hij, ‘ben jij gewoon op zoek naar de meest sociaal aanvaarde vorm om je geweten te sussen, om van je schuldgevoel af te geraken, maar heb je al eens nagedacht of je kunstpraktijk wel de plek is waar je moet beginnen met eerlijk zijn?’

 

3

Anja had het ontdekt toen ze op een namiddag achter een paar struiken verstopt lag. Ze had het hele bos als een wilde doorkruist, met die lange bruidsluier op haar hoofd, waarover ze voortdurend struikelde. Ze luisterde of ze Leon in de verte hoorde aankomen. Hij zat achter haar aan met de appelboor van haar vader.
Geregeld stal hij keukengerief van Anja’s ouders dat dan als wapen moest dienen in één of ander spel. Uit de presentatie van het avondeten kon Anja’s moeder ondertussen afleiden wat Leon die dag had gepikt. ‘De eiersnijder’, zei ze stellig, toen de eierplakjes op een avond in ongelijke diktes bij de tomaat-garnaalsla waren geserveerd. Haar vader knikte verslagen. De notenkraker, de rasp, de knoflookpers– allemaal spullen die op een zekere avond ontbraken en die Leon altijd pas de volgende dag terugbracht.
Van hieruit had Anja zicht op de vijver achter het bos. Tussen het riet dreven waterlelies, naast klaprozen haar lievelingsbloemen, en het was pas na enkele seconden dat ze zag wat er tussen die waterlelies uit het water stak: twee handen. Roerloos en loodrecht omhoog. Haar hart ging trager kloppen. Ze twijfelde niet of ze het wel goed zag, ze zàg het, twee handen, en iets in haar zei dat ze er naartoe moest, niet om hulp te bieden, maar omdat de handen voor haar waren bedoeld. In stilte riepen ze ‘Anja’.
Leon had nog een paar minuten nodig om de voorsprong die zij had gekregen in te halen, gokte ze. Zonder verder nadenken stond ze op, propte de tip van haar sluier achter de elastiek van haar legging en liep naar de vijver. Bij de oever knielde ze neer. Het was stil, op het gekwaak van kikkers na. De handen staken nog steeds op dezelfde plek uit het water. Ze hadden slanke vingers, zag Anja nu, en één pink was blauw gelakt. Enkele seconden keek ze naar de handen alsof ze niet bij een persoon, maar bij de vijver zelf hoorden. Wat boven en wat onder het water gebeurde waren voor even twee volkomen aparte werelden, van elkaar gescheiden door een dun oppervlak. Toen ontstonden er belletjes in het water rond de handen en kringen die uitdeinden alsof de vijver wakker werd. De handen sloegen opzij en er kwam iemand naar boven. Het was een meisje. Ze tufte water en veegde het wier uit haar gezicht. ‘Hagar?’ fluisterde Anja. Hagar keek met een schok opzij. Haar scherpe, bleke schouders glinsterden in het licht. ‘Wat doe je?’ vroeg Anja. Hagar twijfelde even, maar kwam dan naar haar toe, of het was te zeggen, ze glééd naar haar toe en leek de vijver in twee te snijden. Toen ze bij de oever kwam, legde ze haar handen, die zo bleek waren dat je haar aders kon zien, op het droge, keek Anja aan en zei: ‘Ik probeer een vis te worden.’ Anja knikte en het was niet grappig, of raar, het was volkomen logisch: Hagar in de vijver, Anja op de oever en tussen hen in de warme geur van stilstaand water. Het was een geheim dat al jaren geleden leek verteld, een ontdekking die er eigenlijk geen was. ‘Niks tegen mijn broer zeggen’, zei Hagar, en het viel Anja op dat ze Leon bijna nooit bij naam noemde. Toen hoorden ze hem het bos binnen stormen: ‘Joehoe bruidje, waar ben jeeee’. Hagar gleed terug naar haar plek en Anja stond recht. Normaal gezien zou ze nu dekking zoeken, maar dit keer niet. Ze liep langzaam het bos in en als een witte vredesvlag bleef ze op de open plek staan, stokstijf, handen in de lucht: hier ben ik, kom me maar halen. Eén, twee. Ze hoorde achter haar zijn passen knisperen. Drie, vier. ‘Ik heb je!’ riep hij. Zijn ruwe hand gleed om haar hals en met de andere trok hij haar aan haar sluier op de grond — die zou ze deze avond weer aan elkaar moeten naaien. Met de appelboor gleed hij over haar keel en polsen, terwijl hij barbaarse geluiden maakte. Ze liet hem begaan. Ze liet hem denken dat hij hààr had overmeesterd. En terwijl hij zo tekeer ging en zij daar lag, op de ondergrond van dennennaalden, die als een zacht, opgewarmd bed aanvoelden, keek ze naar de vijver, in de verte. De twee handen waren van hieruit niet te zien en ze moest glimlachen: in het spel was ze verloren, maar de echte winst was van haar.

 


Voor de achtste keer op rij reikt Wintertuin de Afstudeerprijs uit aan de student met het beste afstudeerproject. Met deze prijs geeft de organisatie aandacht aan een nieuwe lichting schrijvers en makers. Studenten van de schrijfopleidingen van Gerrit Rietveld Academie, Koninklijk Conservatorium AntwerpenHogeschool voor de Kunsten Utrecht en ArtEZ University of the Arts konden tot 14 juli hun werk insturen.

Mona Thijs studeerde in juni 2022 af als master woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Er verschenen kortverhalen van haar in het literaire tijdschrift DW B en ze publiceerde diverse columns in dS Magazine, De Standaard en Klasse. Daarnaast heeft Mona een grote liefde voor sociaal-artistieke projecten. In het kader van haar master deed ze stage als regie-assistente bij de sociaal-artistieke theaterwerkplaats HETGEVOLG. In maart 2022 realiseerde ze Playlist van de pluk, een meertalige radioreeks waarin ze aan de slag ging met de muziek, verhalen en talen van seizoenarbeiders in de Hapsengouwse fruitpluk.