Donkere Dagen Feuilleton deel 4

Maartje Wortel
, Joris Moore
 - 18 januari 2021

Vier verhalen om je door de winter heen te slepen

Heb jij ook last van een winterdipje? Of kijk jij op tegen een maand lang gourmetten met de familie? Wij vroegen drie auteurs en een illustrator om jullie door de donkere dagen heen te helpen. Ze hebben over Sinterklaar, Kerstmis, de jaarwisseling en blue monday een verhaal illustraties gemaakt. Deze keer is het tijd voor de laatste uit de reeks. Net als iedere keer heeft illustrator Joris Moore een prachtige prent gemaakt. Dit laatste verhaal is van Maartje Wortel over naar verluidt de depressiefste dag van het jaar: Blue Monday.

 

Fietfiew

Wat ik me niet kan herinneren is op welke dag ik de papegaai voor het eerst hoorde, maar wat ik me wél kan herinneren is dat ik hem voor het eerst hoorde. Ik lag in bed te denken aan mijn vader, die dood was gebloed vanbinnen. Zo zei de dokter in het Academisch Ziekenhuis het: Meneer M. is doodgebloed vanbinnen. Ik durfde de dokter niet te vragen iets specifieker te zijn, ik dacht dat het alles alleen maar erger zou maken. Ik nam genoegen met wat er gezegd werd en droomde daarna wekenlang over mijn vaders lichaam en hoe hij als in een tekenfilm van zijn tenen tot zijn hoofd rood kleurde tot hij het op moest geven. Ik dacht eraan hoeveel pijn dat moet hebben gedaan, en of dat evenredig was aan de pijn die ik voelde. Het verschil was uiteraard dat mijn vader dood was en helemaal niets meer kon voelen en dat ik wederom overbleef met iets van zijn pijn. Er waren dagen dat ik mijn ogen niet eens durfde te sluiten omdat ik bloed zag aan de binnenkant van mijn oogleden, waardoor ik dacht: het heeft bijna mijn hersenen bereikt en dan is alles voorbij.
Zei hij nog wat? had ik aan de dokter gevraagd en hij had zijn hoofd geschud op een manier die het midden hield tussen ja en nee. En misschien kwam het doordat ik al genoegen had genomen met het feit dat mijn vader simpelweg doodgebloed was vanbinnen dat ik mijn vraag nu wél herhaalde.
Zei hij iets?
De dokter zei dat mijn vader had gevraagd op een boterhammetje met kruisbessenjam.
Dat waren zijn laatste woorden? Vroeg ik.
Ja, zei de dokter. Hij vroeg om een boterhammetje.
Met kruisbessenjam?
De dokter knikte en vertelde dat ze geen kruisbessenjam hadden in het ziekenhuis. Het werd bramenjam vanwege enige overeenkomst in de kleur, het had allemaal weinig uitgemaakt want mijn vader heeft geen hap meer van de boterham gegeten. Het was zijn laatste wens, het waren zijn laatste woorden. Met dat wat er nog van hem resteerde (tot waar kwam op dat moment het bloed?) had hij godbetert om kruisbessenjam gevraagd.
Ik had, dat moet ik toegeven, niet veel anders van mijn vader verwacht. Ik bedoel: ik weet eigenlijk niet wat ik verwacht had, misschien beseft een mens in het geheel niet dat hij aan het doodbloeden is vanbinnen, maar ik had gehoopt dat hij me misschien nog iets had willen nalaten. Een paar woorden die zijn leven ten opzichte van dat van mij in retrospectief iets zachter hadden kunnen doen lijken. Natuurlijk had ik gehoopt op iets van spijt, maar mijn vriendin had me al meer dan eens gezegd: Als jij zelf door wil met leven, liefje, zou ik die hoop opgeven.
Vaak als we samen in bed lagen en ik voelde dat er momenten konden bestaan dat er iemand van me kon houden, dat er mensen waren die dichtbij konden komen, hoorde ik mezelf tegen haar liegen. Ik zei met een zo vast mogelijke stem dat ik haar raad had opgevolgd en de hoop inderdaad had opgegeven, en dat het opluchte, dat ik verder kon vanaf het moment dat ik dat gedaan had. Dat het me hielp te denken dat ik geen vader meer had. Maar nu hij dood was miste ik hem. Dat wil zeggen, ik miste dat ik het leven had kunnen haten op de momenten dat het mij uitkwam. Dat ik niet onrustig werd van de moeilijkheden die ik tegen was gekomen, want ik kon steeds denken dat het kwam doordat ik een vader had die geen contact met me opnam.

Nu was alle contact definitief verbroken. Ik was niet naar de begrafenis gegaan maar was naar het ziekenhuis toegereden om de dokter te spreken. En aan het eind van het gesprek had de dokter gezegd: hij ligt hier beneden, als je wil mag je even gaan kijken. We namen de lift naar de kelder, daar liet de dokter me alleen met een andere vrouw die eraan gewend was geraakt lades met lichamen uit een wand te trekken. In een van die lades lag inderdaad mijn vader. Ik keek naar zijn gezicht dat er liever uitzag dan ik me herinnerde. Om toch iets te zeggen te hebben zei ik: Dag papa. En daarna zei ik tegen die vrouw: Zo is het genoeg.
Ze stelde verder geen vragen en begeleidde me terug naar de lift.
Toen ik thuiskwam heb ik Indiaas eten besteld in alle kleuren. Op een of andere manier had ik de stellige behoefte om kleuren bij mezelf naar binnen te duwen. Natuurlijk moest ik daarna overgeven, geforceerd, alsof ik na het openen van de la, het eten van wat Indiaas eten en wat gekots boven de wasbak van deze dag af zou zijn. Helaas komen de dingen er vrijwel nooit zo uit als je ze erin stopt, er lag in plaats van een kleur (welke kleur dan ook) een grijze brij in de wasbak. Ik dacht alleen maar: die brij ben ik, zo zie ik eruit en mijn vader is doodgebloed van binnen.

Ik wilde niet meer dat er dingen binnen in ons konden leven die hun eigen gang maar gingen. Ik wilde dat ik er iets over te zeggen had en ik wilde dat ik niet van die pathetische gedachten zou hebben, dat ik het gewoon zou kunnen accepteren dat alles uiteindelijk een grijze brij is en dat mijn vader dood was gegaan vragend om een boterhammetje met kruisbessenjam, en dat ik zoiets ook prachtig zou kunnen vinden, nonchalant op feestjes zou kunnen staan wanneer dat straks weer mocht en met mijn rug tegen de muur leunend kon vertellen dat mijn vader het leven wel begrepen had, dat er niets meer te wensen valt aan het einde van een leven, wanneer dat einde ook komt.

Ik zou kunnen bedenken dat ik vaak van hem af had gewild, dat vanaf nu alles alleen maar beter zou kunnen gaan, maar het ging niet beter, het ging absoluut niet beter. Ik kon mijn vader niets meer verwijten, nu moest ik het zelf doen. En ik had geen idee hoe. Het had leuk geweest als ik slank zou zijn geworden van verdriet, als ik als een idioot zou zijn gaan sporten of iets dergelijks, maar ik lag maar in bed te eten, ik bestelde alles wat ik kon bestellen, de kleur maakte me inmiddels niets meer uit, als ik maar kon eten. Eten en liggen. En ik werd moddervet, wat ik heus niet prettig vind om over mezelf te zeggen, moddervet, maar het is zo.

Mijn vriendin zei er soms voorzichtig iets over, ze maakte het alleen maar erger. Ik voelde me zo onbegrepen dat ik niet doorhad dat mijn gedrag op het gedrag van mijn vader was gaan lijken. Ik was iemand geworden die zich terugtrok en niets meer gaf om de mensen die om mij gaven, iemand die niets wilde beteken voor een ander en eigenlijk ook niet voor zichzelf. Dat moest natuurlijk veranderen en ik maakte goede voornemens, zoals de hele wereld doet wanneer er een nieuw jaar ingeluiden wordt. Een nieuw begin, denk je. En dat je op 1 januari werkelijk opnieuw kan beginnen, alsof er geen cycli of aanleg of karakter bestaat, alsof je alle omstandigheden uit kunt wissen.

Rechtop moest ik gaan staan. Dat was de eerste en, leek mij, makkelijkste stap. Niet meer liggen. Uit bed komen en lopen. Koken in plaats van bestellen. Maar ik deed het niet. Ik kon het niet.

 

Het was ergens eind januari. Mijn vriendin kwam steeds minder vaak langs. Ik troostte me met de gedachte dat ze niet zo snel iemand anders tegen zou kunnen komen vanwege de pandemie, maar die gedachte bleek van geen kant te kloppen. Ze had iemand ontmoet, gewoon op straat, ze zei er niet precies bij waar en wanneer, maar het zal wel bij een koffietent zijn geweest. Je hebt daar rijen. Je staat daar uren. Ze ging in ieder geval bij me weg zoals mensen bij elkaar weggaan als je ze nietvoldoende aandacht meer schenkt.

Ik was opnieuw (of je zou kunnen zeggen nog altijd) in bed gaan liggen Op een dag in februari hoorde ik vanachter mijn deur: fietfiew, fietfiew, zoals vroeger als je andere kinderen elkaar een kusje zag geven op het schoolplein. Ik had geen idee wie dit geluid maakte, dus ik opende de deur en god weet hoe dat beest er terecht is gekomen, maar er zat een papegaai op de mat, en dat dier keek me aan met zijn kraaloogjes en riep: fietfiew fietfiew. Ik zei: jaja en nam haar mee naar binnen, ze sprong meteen op mijn arm, je zou het bijna ware liefde kunnen noemen en even dacht ik dat alles goed zou komen.

Ik voer de vogel wat pinda’s en ik zoek op wat ze nog meer nodig heeft. Ze vliegt door mijn huis en fluit liedjes. Maar fietfiew zegt ze niet meer. Dat heeft ze alleen gezegd om mij te verleiden, en nu ze eenmaal bij me is neemt ze haar plek in. Niemand, maar dan ook helemaal niemand, geeft belangeloos complimenten. Soms kan het even duren voor je iets terugkrijgt, maar er is uiteindelijk altijd een doel. Dat maakte me razend. Nog altijd maakt dat me razend.

Ik wilde dat mijn goede voornemens waarheid zouden worden, dat ik iemand zou kunnen zijn los van de anderen. Ik lig vanuit mijn bed fietfiew naar mijn papegaai te roepen, zoals zij naar mij riep die dag voor de deur. En ik wacht totdat ik het werkelijk zo bedoel: bedankt lieve vogel, dat je er bent. Ik wacht tot mijn liefde voor de papegaai echt is, dat ik kan zeggen: jij bent de mooiste vogel die ik ooit zag. En dat het dier daarna niet uit mijn hand hoeft te eten, maar in stilte naar me kan kijken. Pas dan kan ik denken aan mijn vader, en hoe hij doodbloedde vanbinnen en begrijpen dat ook hij pijn heeft gehad. Pas dan kan ik hardop zeggen wat ik in de kelder van het ziekenhuis zei: Zo is het genoeg.

 

 

Joris Moore is ondanks zijn exotische achternaam een rasechte Nijmegenaar. Hij studeerde Illustration Design aan ArtEZ in Zwolle, waar hij in 2019 afstudeerde. Zijn werk kenmerkt zich door een veelvoud aan vormen en functies. Hij ontwierp affiches voor onder andere Doornroosje en shirts voor bands als Rolling Blackouts Coastal Fever. Daarnaast maakt hij ook schilderijen en collages waarmee hij onder andere in galerie NEUS exposeerde.

Maartje Wortel studeerde in het verleden af aan de Gerrit Rietveld Academie Beeld & Taal. Inmiddels is ze als schrijver uitgegroeid tot een van de meest kenmerkende stemmen van haar generatie. Ze ontving de Anton Wachterprijs en de BNG Literatuurprijs. Haar laatste bundel Er moet iets gebeuren werd genomineerd voor de Fintro en de ECI Literatuurprijs. Maart 2019 verscheen haar nieuwste roman Dennie is een star. (Foto door Keke Keukelaar.)