Ontsnappen aan het dal der plichten

Lieneke Frerichs  - 13 januari 2022

Bij haar recent verschenen biografie Nescio: Leven en werk van J.H.F. Grönloh

Voor onze rubriek Raad van Advies vragen we schrijvers die net een boek uit hebben om een tip die voortkomt uit dat boek. Dat kan een ander kunstwerk zijn dat inspiratie gaf tijdens het schrijven, maar bijvoorbeeld ook een levensles van het hoofdpersonage. Op die manier bieden we je een tip in een tip! Want naast de genoemde tips word je ook geattendeerd op het nieuwe boek van de schrijver in kwestie. Het is nu de beurt aan Lieneke Frerichs, die naar aanleiding van haar biografie over Nescio een tekst schreef over hoe te kijken. 

 

Raad van Advies | Ontsnappen aan het dal der plichten

De man achter het pseudoniem Nescio heette J.H.F. Grönloh en hij hield niet van foto’s. ‘Hier moet het zitten!’ zei hij eens, en sloeg met de vlakke hand tegen zijn voorhoofd. ‘Kijken, kijken, kijken’, hield hij zijn dochters tijdens wandelingen voor. Ze stonden dan langdurig stil om alles goed in zich op te nemen. Dat was soms wel vervelend, herinnerden ze zich, maar toch ook wel prettig, want aan het eind van zo’n uitstapje had je een heerlijke dag beleefd.

Nescio’s reputatie is vooral gebaseerd op zijn drie verhalen Dichtertje, De uitvreter en Titaantjes. Hij schreef ze aan het begin van de vorige eeuw, voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog, en ze verschenen in boekvorm in april 1918, nu dus ruim honderd jaar geleden. Van veel romans en verhalen uit die tijd zijn de stijl en de taal verouderd, maar het werk van Nescio is nog altijd springlevend. Zijn figuren (Japi, Bavink, het dichtertje) houden ervan om in Nederland rond te dwalen en alles intensief te observeren, net zoals de schrijver zelf graag deed. Dat resulteert in beschrijvingen zoals deze uit De uitvreter, over het leven anno 1907 in Veere, toen Walcheren nog een eiland was:

En ’t tij kwam in en ’t tij ging uit; ’t water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester en maakte eerst ’t groene lichtje aan op ’t Noorderhoofd, de palenwering; en dan kwam i daar af, dan moest i om ’t heele haventje heen en dan zag je ’m weer bij den toren en dan maakte-n-i het houten hek open en klom de houten trap op en stak ook ’t licht aan den toren aan. En dan zei Japi: ‘alweer een dag, meester,’ en dan zei de manke havenmeester: ‘Ja mijnheer, al weer een.’

Nescio was werkzaam op een handelskantoor, maar hij trok er in zijn vrije tijd zo vaak mogelijk op uit. Vanaf zijn jeugd heeft hij alle streken van Nederland verkend: lopend, fietsend of met het openbaar vervoer. Dat zwerven was voor hem het ware leven, een manier om te ontsnappen aan ‘het dal der plichten’. Hij hield hartstochtelijk van het Nederlandse landschap. ‘Buitenland is geen land’, vond hij. Zijn voorkeur ging uit naar Waterland, de omgeving van het Gein, de Amstel, de Vecht, het Gooi, de grote rivieren, Zeeland, Zuid-Limburg, maar hij hield ook van de halfopen coulissenlandschappen van Noord- en Oost-Nederland. Naar de oude binnenstad van Amsterdam keek hij ook als naar een landschap. Oudejaarsdag 1953:

’s Avonds naar de Remonstrantsche kerk aan de Keizersgracht. De stille verlaten donkere stad. De straten vochtig en vaag glimmend, hier en daar wat pikkeltjes sneeuw op de grond. Geen wind. Dam, Leliegracht, een klok slaat. De weerspiegelingen van de lantaarns in het donkere water en van de lijsten en kozijnen van de ramen. De sterker verlichte hoek van de Westermarkt en Keizersgracht met meer licht in het water en de huizen duidelijk weerspiegeld. De kale trappen van de kerk, eikenhout uit 1600 zooveel. De Blauwburgwal en de steegjes naar het Damrak. Vrede en de behagelikheid en het geluk van in Amsterdam te leven.

Deze passage staat in het Natuurdagboek, dat Nescio na de oorlog als gepensioneerd man ging bijhouden, tussen 1946 en 1956 (ik had het geluk dat ik het na zijn dood mocht bezorgen). Het Natuurdagboek maakt, meer nog dan de verhalen, duidelijk waar het Nescio tijdens zijn zwerftochten om ging. Al kijkend liet hij zich diep doordringen van de vergezichten, het licht, de wolken, de schaduwen en spiegelingen: ‘Dezen ochtend was ik te klein om alles te bevatten, heele provincies zwommen naar binnen en maar twee oogen.’ Nescio wist dat er naast het prozaïsche leven een andere werkelijkheid bestaat, die op begenadigde momenten kan worden ervaren als ‘een vreemd gevoel van onvergankelijkheid’. Bij zulke eeuwigheidservaringen gebruikt hij op een haast vanzelfsprekende manier niet alleen het woord ‘God’, maar ook termen als ’toverachtig’, ‘irreëel’, ‘onaards’ en ‘eeuwig’, en hij laat zijn God vergezeld gaan van door hem hoog gewaardeerde begrippen als rust, stilte, ontspanning. Zonder daar verheven of hoogdravend over te doen. Hij heeft heerlijke uren beleefd, kijkend en dwalend in de landschappen die hij met zoveel liefde in zijn werk beschreven heeft. Dat werk heeft hij eens zijn kathedraal genoemd. Hij wist dat zijn kathedraal niet af zou komen, maar het bouwen eraan is het grote geluk van zijn leven geweest. Hij twijfelde aan alles, maar op zijn beste momenten was hij er zeker van dat zijn stem het waard was om gehoord te worden, dat hij als groot schrijver zou worden erkend, en dat zijn onvoltooide kathedraal ook na zijn dood nog steeds zou staan schitteren in de zon.

Bij het schrijven van de biografie ben ik steeds dieper gaan beseffen hoe belangrijk het is om geregeld stil te staan, heel bewust te kijken, en op die manier iets van het mysterie van het leven te ervaren. Een streven, lijkt mij, dat naadloos past bij een website die tracht de ‘Notulen van het Onzichtbare’ bij te houden.

Nescio stierf in 1961, maar wat zou hij vinden van het Nederland van nu? Al in 1935 hoonde hij over ‘de huisjespest’, over ‘de verwoesting van Nederland door de verbetering der wegen’ en over ‘een wereld vol lawaai’. Lawaai is er nu overal. En overal in Nederland vinden steeds grotere verwoestingen plaats door de ‘verbetering der wegen’. In het Natuurdagboek stelde hij al grimmig vast: ‘alles moet dichtge­bouwd’, maar hoe is dat nu? Al die nieuwe woonwijken? Al die bedrijventerreinen? Overal vakantieparken? Overal die rechthoekige dozen van de distributiecentra? Grote stukken land vol zonnepanelen en datacentra? En iedereen met zijn hoofd gebogen over de smartphone, zonder op of om te kijken?

Nescio wist niet hoe hij de veranderingen in Nederland kon keren. Hij voelde zich maar een klein machteloos burgermannetje. Hij trok zijn handen van de hele boel af en vond nog hier en daar wat ongeschon­den gebieden om zich over te verheugen. Ook nu zijn die er nog. Moeten we die opzoeken, koesteren en verder de projectontwikkelaars hun plannen laten maken? Of moeten we zelf iets doen, op de barricaden?

Ik geef Nescio het laatste woord, in het verhaal ‘Insula Dei’. Het is februari 1942, en oorlog, en hij vraagt zich af of zijn oplossing om de ogen voor alle negatieve ontwikkelingen te sluiten verkeerd is, ‘een toevlucht voor oue mannen’.

Ja. En nee. Ik denk aan deze bewogen tijden. Men wil iets doen. Maar dit is niet de eerste bewogen tijd dien ik beleef en als ik nog wat ouder word kom ik met God’s hulp allicht aan mijn derden oorlog toe.
Doen. Wat heb ik er grondeloos genoeg van gehad. O, zij kunnen niet anders. Doen ze niet, dan zijn ze niet. Ik wil zijn, voor mij is doen: niet zijn.
Ja. En nee. Er is geen antwoord. En in eens heb ik daar vrede mee. Er is geen antwoord. Ook al goed. Over een maand bloeien de crocussen weer.

Het vroege voorjaar moet nog komen. Het is misschien een goed voornemen om daar heel veel oog voor te hebben, dit jaar. Om met evenveel aandacht als Nescio naar de natuur te kijken en de beelden ervan in hoofd en hart op te slaan. ‘Hier moet het zitten.’

Zet het maar alvast in de agenda.

 

 

In 1918 verschenen Nescio’s verhalen ‘De uitvreter’, ‘Titaantjes’ en ‘Dichtertje’ voor het eerst in boekvorm. In de loop der tijd maakte J.H.F. Grönloh zich bekend als de man achter dit pseudoniem, maar hij bleef verder buiten de literaire wereld. Ook na zijn dood in 1961 hield zijn familie de deur voor biografen gesloten.

In Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh gaat die deur eindelijk open. Uit niet eerder gepubliceerde documenten rijst een fascinerend portret op van de gecompliceerde man die deze verhalen schreef.

Nescio: Leven en werk van J.H.F. Grönloh is te verkrijgen bij je lokale boekhandel of via uitgeverij Van Oorschot.

Lieneke Frerichs is neerlandica en tekstediteur. Zij was tien jaar beleidsmedewerker bij een van de letterenfondsen en hoofdredacteur van het Verzameld werk van Karel van het Reve. Frerichs publiceerde veel artikelen over Nescio en was samensteller van de bundel Over Nescio. Ze bezorgde zijn Verzameld proza en nagelaten werk en Natuurdagboek, Brieven uit Veere en het reisboekje Buitenland is geen land. De Nescio-erven gaven haar voor de biografie vrije toegang tot alle nagelaten papieren. (Foto door Tessa Postuma.)