Een lied van warm zand

Johanna Loman - 05 oktober 2020

Afgelopen maand las je hier werk van studenten Woordkunst aan het Koninklijke Conservatorium Antwerpen | AP School of Arts

Er heeft iemand aangebeld. Ik zit aan mijn bureau en luister hoe het geluid van de bel nagalmt in het appartement. Het kaatst tegen de muren en de tegelvloer. Ten slotte verdwijnt het in het tapijt, in de ovenwanten die naast het fornuis hangen en in het kurken prikbord boven mijn bureau.

Op het bureau ligt een laptop. Een cadeau van onze dochter. Ze gaf hem aan mij in de week na jouw begrafenis. Ze zei dat we elkaar via het scherm zouden kunnen zien als ze weer in Frankrijk was. Ze legde me uit hoe het werkte. Welke knopjes en hoe de webcam. En ik kon alleen maar denken: gaat ze weer terug naar Frankrijk?

Ik weet nog hoe je in de zetel zat. Je ene been over het andere geslagen. Met je pink tekende je achten op de bovenste knie. Tevreden keek je door het raam naar de brandtrap. Het was een vereiste geweest toen we verhuisden.
Naast de deur naar de trap stond al jaren een tasje klaar. ‘Het belangrijkste’ zat daarin. Nadat je was doodgegaan, heb ik eens in de plastieken zak gekeken. De reservesleutels van onze fietsen, ons trouwalbum, een kader met het geboortekaartje van onze dochter.

Soms kwam je in paniek naar me toe. Terwijl je je vingertoppen in mijn arm duwde, vertelde je me waaraan je dacht. Brand in ons huis. Een kaars vergeten. Wij, slapend, smeltend. Of de nieuwe hond van de onderbuurman. Je had hem op de trap gezien. Hij had aan je kuiten geroken. De hond of de buurman? Je kon er niet mee lachen. Je had je been niet durven bewegen. Toen ze al lang vertrokken waren, stond jij daar nog steeds. Pas toen je iemand anders de trappenhal in hoorde komen, kwam je weer in beweging. Je liep de trap op en zorgde ervoor dat je geen bruuske bewegingen maakte.

Je hele leven ben jij bang geweest. Toen je doodging, liet je je angsten van je afglijden. Zoals je je badjas van je schouders liet glijden voor je in bed kroop.

De bel gaat voor de tweede keer. Ik ga rechtstaan achter mijn bureau. Er zal toch niks met onze dochter? Ze heeft altijd haast. Rijdt te snel. Slaapt slecht sinds jij. Ik ben al in de gang. Wanneer heb ik haar voor het laatst gehoord? In de living kijk ik naar het tasje naast de brandtrap.
(Ik zie mezelf via de trap naar beneden klimmen, met het zakje aan mijn ellenboog. Ik haal mijn fiets uit de garage en rijd weg. Niemand doet de deur open en de agent neemt het nieuws terug mee naar huis.)
Ik loop verder naar de voordeur en kijk door de deurspion. Het is geen agent. Ik ken hem. Hij woont in het appartement boven ons. Ik ga op de grond zitten met mijn rug tegen de deur.

Ik denk aan de wesp in de badkamer. Vroeger sloeg ik wespen dood met mijn slof. Op een dag liet jij me de vlekken op de muren zien. Sindsdien joeg ik ze met een handdoek naar buiten.
Nu zit er al weken een in de badkamer. Ze waaide naar binnen toen ik mijn tanden stond te poetsen. En ik liep de gang op en trok de deur achter me dicht.
Af en toe leg ik mijn hoofd voorzichtig tegen de badkamerdeur en luister ik of ik haar nog hoor. Het gezoem is al een tijd opgehouden, maar ik durf nog niet naar binnen.

Na jouw begrafenis vond ik jouw badjas op de grond naast ons bed. Ik raapte hem op en trok hem aan.

Ik hoor dat de bovenbuurman er nog is. Hij loopt heen en weer op de overloop. Hij woont hier nog maar een paar maanden. Toen we hem voor het eerst zagen, liep hij met twee treden tegelijk de trap op. We dachten dat hij de zoon van de nieuwe huurder was. Sinds we in dit appartementsgebouw waren komen wonen, was jij er de jongste geweest.

Op een dag sprak hij ons aan toen we beneden de post uit onze brievenbus haalden. Hij had een brief moeten krijgen die week, maar er zat niets in zijn bus. Of wij misschien een enveloppe te veel hadden.
Terwijl wij door onze post bladerden, vertelde hij over het meisje dat de brief had geschreven. Hij had haar op vakantie leren kennen. Ze was drie dagen lang zijn gids geweest in de woestijn. Samen met tien andere toeristen had ze hem rondgeleid tussen de duinen. ‘Duinen zijn voortdurend in beweging,’ had ze gezegd, ‘misschien komen ze ooit tot in jouw land.’ En hij had gehoopt dat ze haar dan zouden meenemen. Toen ze afscheid namen, had ze gezegd dat ze hem zou schrijven. De brief zat niet tussen onze post.

De volgende keer dat ik hem zag, was het avond. Wij zaten in de living te lezen, toen er iemand op de deur bonkte. Jij zette meteen je leesbril af. Je keek van de voordeur naar de brandtrap naar mij. Je bleef naar mij kijken terwijl ik opstond en naar de voordeur liep.
Het gebonk was opgehouden en dan, wat verder, herbegonnen. Toen ik door de deurspion keek, zag ik de bovenbuurman voor de deur aan de andere kant van de overloop staan. Hij begon te roepen. ‘Is er iemand thuis?’ Om me heen werd het donkerder. Jij sloop door de kamer en knipte een voor een de lichten uit. ‘Iemand?’ Hij hing nu over de reling van de trap, als een kind over de rand van een wensput. ‘Ik zou graag even met iemand praten.’ Zijn woorden vielen als koperen muntjes naar beneden.

Sinds die avond werden er in het gebouw verhalen over hem verteld. Iemand van de zevende verdieping wist dat hij muziek maakte en zijn cd’s deur-aan-deur verkocht. Op de eerste etage vroegen ze zich af of dat wel legaal was. De bewoner van het appartement naast hem zei dat hij soms op zijn balkon stond te huilen. Hij voegde eraan toe dat het balkon vol lege flessen stond. Op een dag hoorde ik jou op de gang tegen de buurvrouw fluisteren: ‘Hij heeft een vrouw gekocht in de woestijn.’

De bovenbuurman zelf verliet elke ochtend vroeg zijn appartement. ‘s Avonds hoorden we hem niet meer. Op een avond heb ik op de overloop op hem gewacht. Jij was vroeg naar bed gegaan. De behandeling maakte je moe. Rond tien uur kwam hij de trap op, met twee treden per keer en op zijn sokken. Zijn schoenen droeg hij in zijn hand. Hij schrok toen hij me zag. Ik stak mijn hand op. Hij deed hetzelfde.
(Ik wilde vragen: zoek je nog iemand om mee te praten?)
‘Kan ik je cd kopen?’ Hij zette zijn schoenen neer en begon met beide handen in zijn schoudertas te graven. Hij gaf me een doorzichtig cd-doosje. Aan de binnenkant zat een foto. Het plaatje was gedrukt op gewoon kopieerpapier en de kleuren klopten niet, maar ik zag dat het duinen waren. Ik gaf hem twintig euro. Haastig begon hij in zijn zakken naar wisselgeld te zoeken. ‘Hou het maar.’ Ik liep ons appartement weer in.

Aan de andere kant van de deur begint de bovenbuurman zacht te neuriën. Ik herken het liedje. Het is het laatste op zijn cd. Ik heb het al tientallen keren beluisterd. Hij zingt over de nacht die valt in de woestijn. Het wordt snel donker. Maar het zand blijft nog lang warm. Ik luister tot het helemaal gedaan is. Ook de stilte erna hoort bij het liedje.
Na een paar minuten sta ik traag recht. Sinds jij begraven bent en onze dochter vertrok, heb ik de deur voor niemand opengedaan. Net voor ik de sleutel omdraai, bedenk ik me. Ik heb jouw badjas nog aan.
Nadat ik hem heb uitgetrokken, voelt mijn vel week. Zoals het witte vel onder mijn trouwring als ik hem uitdoe om de afwas te doen. Ik haal mijn overall van de kapstok en trek hem aan. Ik vouw de mouwen een slag om en doe de deur open.

 

Klik door naar de rest van de teksten die van studenten Woordkunst verschenen.

Studeer jij ook aan een schrijfopleiding en wil je graag werk naar ons insturen, dat kan door een mail te sturen naar myrna@denieuweoost.nl. Wie weet verschijnt jouw tekst op Notulen van het Onzichtbare.

Johanna Loman studeerde Nederlands en Duits aan de KU Leuven en volgt sinds 2019 de opleiding Woordkunst aan het Koninklijke Conservatorium Antwerpen. Daarnaast speelde zij mee in Othello, De Metsiers en Merlijn of het barre land, drie theaterproducties van fABULEUS. Voor Toneel4 schreef en regisseerde Johanna twee jaar geleden een toneelstuk dat door vijftien kinderen op scène werd gebracht.