Echo

Mona Thijs - 14 september 2020

Komende maand lees je hier werk van studenten Woordkunst aan het Koninklijke Conservatorium Antwerpen | AP School of Arts

‘De tweekoppige rups komt je pakken,’ roept Eef met haar diepst mogelijke stem. Abel gromt erbij. Hij doet denken aan een beer uit een kinderfilm. De vacht veilig zwart omlijnd, de tanden puntig maar onschadelijk wit, nooit kwijl in de mondhoeken. Eef schatert haar twee voorste en enige tanden bloot. Ze zitten samen in Eefs felgele slaapzak, die ze over hun hoofden hebben getrokken en dichtgeritst tot onder hun kinnen.
Ada zit tegenover hen, met haar fleecedeken om haar klamme lichaam geslagen. Ze kijkt naar de spartelende vissen op de bodem van de kom. Slank en doorzichtig zijn ze, met zwarte ruggengraatjes. Buiten de tent hoort ze het Loirewater kolken, dat net nog zacht langs haar kuiten gleed. In dat water heeft ze samen met Abel en Eef de drie vissen gevangen, als avondeten.
Dit zou een goede familiefoto kunnen zijn: in het dunne licht dat door de tentstof valt, zie je dat zij drie bij elkaar horen. Eef lijkt bijna identiek op Abel, en bijna identiek op Ada. Dat hebben ze alle drie altijd akelig grappig gevonden, want zelf hebben Abel en Ada niks van elkaar weg.
Van Abel heeft Eef haar brede neus, die nu nog klein is maar later haar gezicht op dat van een vechtersbaas zal doen lijken. Haar roestbruine hertenogen, haar lach die op huilen lijkt. Haar huid, zo dicht bezaaid met sproeten dat ze er nooit bleek uitziet.
Van Ada heeft ze haar dunne lippen, haar donkere, stugge haren en haar kippenborst. Voor dat laatste draagt Eef nu een harnasje. Ada voelt zich er schuldig om, maar Eef is er fier op, de kippenborst met harnas. Ze laat andere kinderen voelen, bekijkt zichzelf in de spiegel, vult het in vriendenboeken in als haar superkracht.
Abel en Eef kronkelen nu wild in hun slaapzak. ‘Pak me dan,’ zegt Ada. Ze kijkt van de kom met vissen op en zoekt Abels blik. Hij kijkt geconcentreerd toe hoe Eef Pluchen Benny in haar kwijlende mond propt en op haar prooi kauwt. ‘De Turkse tortel heeft ook honger,’ roept Ada. Ze wappert met haar fleecedeken en stort zich bijtend op Abel. Het is een tel stil, dan duwt hij haar zacht van zich af.
De humor, denkt Ada. De humor is een gegeerd goed. Ze weet niet precies wanneer Abel de zijne is verloren. Niet meteen bij Eefs geboorte. Het moet daarna gebeurd zijn. Rond de eerste luier, die hij met grootse sérieux ververste, alsof het om een clandestiene transactie ging. Eén keer lachen en je hangt.
Ada vist een flinterdun snijmesje uit de koelbox en snijdt de lichaampjes open. Het mes glijdt door het vissenvlees als door boter. Daarna peutert ze de ruggengraatjes, de oogjes en de orgaanzakjes los. Ze vraagt zich af waar hun hartjes zitten. Slijmerige klompjes, zo stelt ze zich die hartjes voor, die wegschieten tussen je duim en wijsvinger als je er te hard op knijpt. Van onder haar wenkbrauwen kijkt ze of Abel haar gepeuter ziet. Ze wacht tot hij een opmerking maakt, desnoods gedegouteerd is en haar vraagt naar buiten te gaan, maar hij blaast nu in Eefs koude handen, alsof hij al zijn adem aan haar wil opmaken.
Ada spant haar eigen klamme lichaam op. ‘Zal ik alvast beginnen met koken?’ ‘Is goed,’ zegt hij zonder op te kijken. Zijn antwoord klinkt gedempt in hun handen rond zijn mond, alsof ze hem aan de telefoon heeft. Eef en hij samen aan de Loire, zij ergens anders. Af en toe een kort telefoontje, een slechte verbinding, zijn stem: ‘We hebben de tijd van ons leven,’ Eef die van op afstand in de speaker brult: ‘Je moet ons niet missen.’
Ada gaat met de kom onder het buitenzeil zitten, bebotert de pan, legt de vissen erin, ontsteekt een lucifer bij het gasvuurtje dat blauwe vlammen schiet. De lichaampjes krimpen knetterend, worden goudbruin.
Het is zes jaar geleden dat zij en Abel hier voor de tent lagen, naakt en uitgeteld. Dat zij zei: ‘Het wordt een meisje,’ dat hij antwoordde: ‘Dat weet je toch niet zeker, misschien wordt het wel een stier.’ Dat de dikke keien in haar billen drukten, dat hij zei ‘Ga eens op je zij liggen,’ waarna hij schele gezichtjes tekende in de rode afdrukken die de keien op haar billen hadden nagelaten. Dat zij zich toen weer naar hem omdraaide, dat er een vogel naast hen neerstreek, dat hij fluisterde ‘Die komt met een boodschap,’ dat zij antwoordde: ‘Dat is een doodgewone kwartelkoning, wetenschappelijke naam crex crex.’ Dat hij zijn borst tegen de hare aan vlijde, zij zijn hart wild tekeer hoorde gaan, zo dichtbij en toch onmogelijk om in haar handen te nemen. Toen heeft ze even aan een mes gedacht. Een mes om dat oneindig verre leven dat hij was, stil te leggen, zodat niet alleen zij, maar niemand er ooit bij zou kunnen. Dat leek haar toen rechtvaardig.
Abel zwaait het zeil van de tent open. Op handen en voeten springt Eef door de opening heen. Misschien had Abel wel gelijk. Misschien hebben ze wel een stiertje gebaard.
Eef wijst naar de rivier: ‘Waarom gaat het water altijd naar die kant?’ Met haar vinger volgt ze de stroming, dieper het dal in. ‘Aha!’ roept Abel. ‘Al het water komt van een bron, een plek, helemaal bovenaan in de bergen. Het zoekt een weg omlaag, om in zee te belanden. Water stroomt altijd van boven naar beneden.’ Hij zegt het alsof hij altijd dit soort mens is geweest, dat de wereld overzichtelijk in zijn broekzak heeft.
‘Dat weet je toch niet zeker,’ zegt Ada. Hij kijkt haar niet begrijpend aan: ‘Dat weet ik wel zeker,‘ en dan zachter: ‘Jij moet Eef geen foute dingen leren.’
Ada kijkt op, naar de voorbijglijdende Loire. De eerste keer dacht Abel dat de rivier een geheim had, net als de vallei. Hij bedacht dat ze het landschap zo kaal mogelijk moesten maken, om achter zijn ware aard te komen. Op hun rooftochten in de wijngaarden stalen ze kilo’s druiven en mikten die in elkaars monden. Is dit het dan, riepen ze, het Loiregeheim, bij het overzien van ranken en ranken kale takken. Maar het was het niet, dus stortten ze zich op de rivier, waarvan ze de platte bodemkeien naar de kant droegen. Hij hield iedere kei in zijn handen als een pasgeboren kind. Zij gooide ze vanuit het kniehoge water op het droge. Maar ze stootten niet op een andere bodem, dus staakten ze het zoeken om in het koele water te vrijen. Alles bleef een geheim toen.
Eef zet haar twee volwassen voortanden in de grootste van de drie vissen. ‘Ik wil de binnenkant van de visjes in zee begraven,’ zegt ze met haar mond vol. Met matte ogen kijkt Abel naar de brei in de plastieken kom. ‘Dat zijn gewoon organen, Eefie. Vind je dat niet vies?’
Misschien denkt Ada alleen maar dat hij vroeger anders was. Misschien herinnert ze het zich fout: hij die dit ritueel jongensachtig hoort te verdedigen. Wat er overblijft van de vissen terugschenken aan het water, alles terug naar zijn oorsprong.
Zij die hoort te denken dat die vissen nu dood zijn, dat hun organen zullen vegeteren. Misschien ontspruit er een bergbloem aan de compost waarin ze veranderen. Dat is het grootst mogelijke wonder dat die dode lijfjes kunnen veroorzaken. En is dat niet genoeg?
‘Wat een mooi idee!’ roept Ada uit. ‘Laten we ze hier in het water doen, dan komen ze vanzelf in zee terecht.’ Eef springt recht, danst een lichte dans, met haar armpjes in de lucht, haar heupjes onschuldig wiegend, wankel en tegelijk onverwoestbaar.
Ada tilt Eef in haar nek, legt haar handen om Eefs schenen en begint te lopen. De puntige keien prikken in haar voetzolen. Boven hen schreeuwen reigers. Als ze bij de rivier zijn, bukt Ada zich, zodat Eef op de grond kan springen. Abel reikt Eef de kom aan, waar ze een kleine beetje prut uit schept en tussen duim en wijsvinger neemt.
Eefs donkere, warrige haren vallen rond haar smalle gezicht. Er is iets subtiels en onmisbaars aan haar dat de verschillen tussen Abel en Ada opheft. Is het dat, vraagt Ada zich af, terwijl ze naar haar meisje kijkt, dat iets onverstaanbaars fluistert tegen de prut tussen haar vingers. Worden we alleen verliefd op wat we niet zijn, wat we niet begrijpen?
Eef bukt zich om de vissenorgaantjes in de rivier los te laten. Ada kijkt naar Abel, die de rivier afspeurt op zoek naar de prut. Ze meent paniek te lezen in zijn ogen.
‘Slaapwel in de Loire,’ roept Abel. De vallei echoot zijn stem, waardoor het lijkt alsof hij tegelijk ook aan de andere kant van de rivier staat. Ada beeldt zich in dat hij hen tegemoet komt gestormd, de heuvelflanken af. Morgen zal hij hier zijn.
‘Slaapwel in de ware,’ roept Eef erachteraan. Ze verstart een seconde, wachtend op haar echo.

 

Klik door naar de rest van de teksten die van studenten Woordkunst verschenen.

Studeer jij ook aan een schrijfopleiding en wil je graag werk naar ons insturen, dat kan door een mail te sturen naar myrna@denieuweoost.nl. Wie weet verschijnt jouw tekst op Notulen van het Onzichtbare.

Mona Thijs is masterstudente Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Van kindsbeen af kijkt ze naar de dagen alsof het kleine verhalen zijn. Die verhalen vinden soms hun vorm op papier, soms op de planken. Mona publiceerde columns in dS Magazine en Klasse, en kortverhalen in het literaire tijdschrift DW B. In de zomer van 2019 mocht ze met deBuren op schrijfresidentie in Parijs. Daar schreef ze vanuit de horroractrice Paula Maxa, la femme la plus assassinée au monde. Op het podium brengt ze graag haar eigen cabaretperformances. In Maandagavond on tour van theatergezelschap De Nwe Tijd nam ze haar liefdesleven op de korrel. (Foto door Marianne Hommersom.)