De vrouw in mijn hoofd

Selin Kuşçu - 13 juli 2021

Welk idee ligt in de la stof te verzamelen? En waarom?

Zoals in Hollywood een blacklist-survey wordt gehouden van most-liked motion picture screenplays not yet produced, zo zetten wij deze vraag ook uit onder schrijvers: welk idee – waarvan de schrijver zelf weet dat het fantastisch is – ligt desondanks nog in de la stof te verzamelen? En waarom? De reflectie die uit deze opdracht voortkomt, kan gaan over onkunde en onzekerheid, maar ook over ambitie en fascinatie, wilde dromen. Over wat er van je wordt verwacht ten opzichte van wat je zelf wil. Klik door voor de rest van onze Literaire Blacklist.

 

Stel je mijn hoofd voor als een holle ruimte en probeer dan te zien hoe een vrouw daar rondloopt. Op deze plek bevindt ze zich al jaren, onverstoord en onveranderlijk (ze is rond de vijftig) – ze hoeft nergens heen. De vrouw huist in mij en waarschijnlijk is dat mijn eigen schuld: ik weet niet welke richting ik haar op moet sturen.

Hoe zou ze bij mij terecht zijn gekomen? Daar probeer ik al een hele tijd achter te komen. Niet zodat ik haar via dezelfde weg kan terugsturen, maar om onze band te begrijpen. Ik heb weleens gedacht dat ze een visioen was, mijn eigen toekomstbeeld, en later dacht ik dat ze een waarschuwing was: kijk naar haar, want jij kan zo worden, maar dat wil je niet. Dan voelde ik me schuldig, want kon ze, rondlopend in mijn hoofd, die gedachte niet gemakkelijk uit de lucht plukken en oplezen? Zou ze door hebben dat ik het over haar heb?

Maar ze is, ik zei het al, onverstoord. Of geluidloos – de vrouw laat niemand, en daarmee in de eerste plaats zichzelf, niet weten hoe ze zich voelt of wat haar raakt. Heeft ze dat niet geleerd of heeft ze het afgeleerd? Ik weet niet wat voor mens voor jou een enigma is, maar voor mij is het een vrouw als zij, die zo terughoudend is dat ze zich op geen enkele manier laat zien. Een mens zonder enigszins uitgesproken karakter. Ze is een warme, donkere steen in een laag en smal watertje, waar je met je blote voeten op springt om aan de andere kant te komen. Je staat er maar even, stevig, de steen is glad en warmt je zolen op, en dan ben je er weer vandoor. Wat me stoort aan de vrouw is dat ze de hele dag in touw is, maar op zo’n ingetogen manier dat het andere mensen niet opvalt, waardoor ze haar bijdrage middelmatig en soms zelfs overtollig vinden. Daardoor weet ik zeker dat ze geen autobiografisch schrikbeeld is – ik ben geen patser, maar zó bescheiden gedraag ik me ook weer niet.

Daardoor weet ik dat ze mijn personage is. Ze fascineert me. Maar ik kan niets met haar, omdat ze nergens heen gaat. Een verhaal waarin zij de hoofdrol speelt staat stil. Ze ligt daar, onbeweeglijk als de warme, donkere steen die het vooral voor anderen mogelijk maakt op een volgende plek te komen. Maar wat is haar richting?

Slechts in één vertelling ben ik haar tegengekomen, of iemand die zo veel overeenkomsten met haar vertoont dat ik echt kan zeggen: jij lijkt op de vrouw die rondloopt in mijn hoofd. Dat is ook hoe ik bij haar kwam. Adriaan, mijn vriend, zei: ‘Er is een korte film waarvan ik zeker weet dat je die mooi zal vinden, omdat de hoofdpersoon me doet denken aan de vrouw in jouw hoofd.’ De korte film is een van de achttien delen van Paris, je T’aime (2006); dit deel heet 14e Arrondissement en werd geregisseerd door Alexander Payne. Hij laat Carol – een Amerikaanse ietwat gedrongen vrouw van ongeveer vijftig jaar oud met afhangende schouders, overhangende oogleden en een onuitgesproken uitstraling, maar een ontspannen tred en milde kijk op de wereld – tijdens haar Franse les terugblikken op de solotrip die ze recent heeft gemaakt naar Parijs. Ze wilde eigenlijk twee weken gaan, maar hield het bij zes dagen omdat ze haar honden Lady en Bumper niet langer alleen wilde laten. Ondanks de jetlag die haar hele verblijf duurt, loopt Carol rond in de stad zoals mijn vrouw in mijn hoofd. In de zesenhalf minuut durende film horen we haar in beginners-Frans vertellen waarom de reis naar Parijs zo speciaal voor haar was, terwijl we ondertussen zien hoe ze in haar eentje door de Franse hoofdstad dwaalt.

‘Ik heb overwogen om mee te gaan met een groepsreis, maar ik ben een zeer zelfstandig persoon,’ vertelt ze – haar Franse uitspraak vet van Amerikaans accent. De vrouw in mijn hoofd zou dit argument ook opvoeren. Maar, net als bij Carol, vermoed ik dat er iets anders speelt: het vooruitzicht van een geanimeerd groepsgesprek duizelt haar bij voorbaat. De vrouw in mijn hoofd is altijd in de weer, niet met mensen of dieren, maar met dingen. Met planten, kranten, puzzelboekjes en het bezorgen van de post. Dat laatste geldt in elk geval voor Carol, die postbode is (de perfecte baan voor een vrouw als zij), maar niet per se voor de vrouw in mijn hoofd (die geen postbode is).

We zien Carol in een restaurant waar de tafels vol zitten met druk pratende mensen, maar aan haar tafel staat tegenover haar een lege stoel. Ze drinkt water. Ze eet haar bord leeg zoals je thuis je bord leegeet: afgeleid en zonder van elke hap te genieten. Carol is in zichzelf gekeerd, in gedachten verzonken. Misschien had ze gehoopt dat ze iemand zou vinden in dat romantische Parijs, iemand die tegenover haar plaatsgenomen zou hebben. Ik denk dat de vrouw in mijn hoofd zich daar niet mee bezighoudt. Ze is druk met de dingen. Dat vind ik jammer: het verhaal kan dus ook niet die kant op.

Terwijl Carol door Parijs loopt, fantaseert ze dat ze dáár postbode zou zijn. Dat ze een leven zou hebben in Parijs waarbij ze de post rondbracht van al die aardige Parijzenaren. Carol kan fantaseren, zolang de droom raakt aan het bekende. Carols avonturen zijn bescheiden, ook dat deelt ze met de vrouw in mijn hoofd. Ik vind het lief en irritant tegelijk.

Carol heeft genoeg vrienden en twee honden, maar soms mist ze iemand waarmee ze dingen kan delen, zoals het uitzicht vanaf een wolkenkrabber. ‘Ik wilde tegen iemand zeggen: is dit niet mooi? Maar er was niemand.’ Op een bankje in het park eet ze een broodje dat ze net heeft gekocht. ‘Toen gebeurde er iets,’ zegt Carol, ‘iets wat ik lastig kan beschrijven.’ Carol kijkt om zich heen, naar rennende kinderen in de speeltuin, naar zoenende stelletjes op het gras, naar kletsende oudere koppels op de bankjes links en rechts van haar. ‘Terwijl ik daar zat, alleen in een ander land, ver weg van mijn werk en iedereen die ik ken, werd ik overvallen door een bepaald gevoel. Het was alsof ik me iets herinnerde wat ik nooit heb gekend of altijd naar heb verlangd, maar ik wist niet wat. Misschien was het iets dat ik ben vergeten, of iets wat ik mijn hele leven heb gemist. Het enige wat ik erover kan zeggen is dat ik tegelijkertijd vreugde en verdriet voelde. Maar niet te veel verdriet, want ik voelde dat ik leefde.’ Terwijl ik op de bank in mijn woonkamer allang zit te huilen, raakt ook Carol daar op dat Parijse parkbankje langzaamaan ontroerd en overmand door haar eigen gevoel (of: het zo duidelijk ervaren van überhaupt een emotie). En ja hoor, daar, in haar linkeroog, welt een traan op, die dikker wordt, en dikker, maar… niet uit haar oog over haar wang rolt. Carol blijft wel Carol.

De vrouw in mijn hoofd is een zachtaardige, teruggetrokken vrouw. Ze is graag in gezelschap, maar nooit op de voorgrond. Ze heeft niet de behoefte om je onder haar huid te laten kijken. Ik durf nog niet te zeggen of het bescheidenheid is, of dat het een gebrek aan moed is, of het misschien zelfs angst is, bang om voor de ander een last te zijn. Haar ostentatieve onopvallendheid maakt een dramatische wending in haar verhaal ongeloofwaardig, vermoed ik. Het maakt haar tot een vruchteloos personage: ik weet niet welke richting ik de vrouw op kan sturen, maar waar ze ook heen gaat, ze zal nooit uit de bocht vliegen. Ze is de warme, donkere steen, die stevig verankerd is in de holle ruimte van mijn hoofd. Wat moet een lezer als jij met haar? Hoeveel tijd wil je met haar doorbrengen? Mijn houvast is de korte film van Alexander Payne, waarmee hij heeft bewezen dat iemand zo stil als zij een verhaal kan dragen. Ze maakt het me alleen niet makkelijk: er is geen opening, het is lastig peuteren aan een monoliet. Ergens in die onmogelijkheid zal het verhaal verborgen liggen. Ik kom er nog wel achter.

Selin Kuşçu studeerde Beeld & Taal aan de Gerrit Rietveld Academie en Fiction Writing aan Pratt Institute in New York. Met haar afstudeerwerk won ze de Nieuwe Types Prijs 2018.