Stokstaartjes

Lars Meijer - 20 april 2021

Bij Lezen met de Sterren met Splinter Chabot

Hoe krijg je de jeugd van nu aan het lezen? Deze vraag is het uitgangspunt van Lezen met de Sterren, een laagdrempelig en uniek project waarin leesbevordering en -plezier centraal staan. Het project stimuleert lezen onder de groep die het meest ten prooi valt aan de beruchte ontlezing: de tieners van nu. Iedere editie van Lezen met de Sterren staan een schrijver en een boek centraal. Dit keer werd CONFETTIREGEN van Splinter Chabot gelezen.

De leerlingen zullen woensdag 21 april een online interview met Splinter Chabot bijwonen. Deze bijeenkomst is niet publiekelijk toegankelijk, maar om nog meer mensen te inspireren Chabots CONFETTIREGEN te lezen, vroegen we interviewer Lars Meijer zich te laten inspireren door Chabots boek en ook een verhaal over jezelf vinden te schrijven, dit resulteerde in ‘Stokstaartjes’.

 

Stokstaartjes | Lars Meijer

Mijn zwembroek plakte aan mijn bovenbenen vast, een natte handdoek lag in mijn nek ter verkoeling. We waren de loopbrug overgestoken, hadden ons langs de stieren gemanoeuvreerd. Er was niemand op ons strandje. Een paar vrienden sprongen gelijk het water in. Sommige trokken een zwembroek aan over hun onderbroek, anderen deden alles uit voordat de zwembroek aanging. Ik had mijn handdoek naast die van Jasper neergelegd. Ik deed een paar knoopjes van mijn overhemd los en haalde een boek uit mijn tas. Hij kantelde zijn hoofd om de titel te kunnen lezen. ‘Als je de hele middag gaat lezen,’ zei hij, ‘had je net zo goed thuis kunnen blijven.’ Hij haalde twee biertjes uit zijn rugzak. ‘Gewoon een hoofdstuk,’ antwoordde ik, ‘anders heb ik ‘m voor niets meegezeuld.’ Jasper zuchtte en keek richting het water. Hij nam een slokje van zijn bier. ‘Ik heb een veel beter verhaal,’ zei hij met gespeelde verontwaardiging, ‘maar je bent duidelijk niet geïnteresseerd.’ Vanachter zijn zonnebril kon ik zien dat hij me in de gaten hield. Er verscheen een glimlach op zijn gezicht.
Jasper schoof dichterbij en wees samenzweerderig naar een strandje, ongeveer vijfhonderd meter verderop. ‘Er lopen daar mannen rond die stokstaartjes genoemd worden,’ zei hij. Ik rook zijn deodorant. ‘Omdat ze tussen het gras uitsteken’ Mijn ogen volgden zijn vinger. Er stonden veel bomen. ‘Denk je dat ze naar ons loeren,’ zei hij, ‘terwijl ze bezig zijn?’ Ik dacht aan het sporten op school, de verplichte douches. Jasper zocht oogcontact. Een zenuwachtig gevoel schoot door mijn onderbuik. Hij ging op zijn buik liggen. ‘Ze zijn allemaal naakt,’ fluisterde hij. Ik kon mezelf zien zitten in de reflectie van zijn zonnebril. ‘Ik geloof er niets van,’ antwoordde ik uiteindelijk, ‘van wie heb je dat gehoord?’ Hij moest lachen: ‘Een paar jongens van het uitgaan.’ Er werd vanuit het water naar ons geroepen. Jasper stond op en riep: ‘We gaan even een rondje lopen, we zien jullie straks wel!’

Halverwege de loopbrug bleef ik staan. Jasper wees naar een elektriciteitshuisje langs de weg. ‘Volgens mij is het die kant op,’ zei hij, ‘en dan door de bramenstruik.’ Ik begreep niet waarom ik voorop liep. Ik had de behoefte om te schreeuwen, alsof mijn zenuwen dieren waren die weggejaagd moesten worden. Ik keek achterom, zijn gezicht was rood aangelopen. We waren niet vaak meer echt met z’n tweeën. Met zijn zonnebril op leek hij een piloot onderweg naar zijn vliegtuig, alsof hij Leonardo DiCaprio was in Catch Me If You Can. Ik wilde dat hij naast me kwam lopen. ‘Wacht even,’ riep hij, ‘ik heb nog iets voor ons.’ Hij deed zijn rugzak af en haalde er twee biertjes uit. ‘Je moet wel voorzichtig doen,’ zei hij, ‘anders spuit ‘ie in je gezicht.’ Met een uitgestrekte arm drukte ik het lipje naar binnen. Een korte sis, wat schuim droop over mijn handen. Jasper verslikte zich doordat hij ergens om moest lachen. ‘Wat,’ zei ik, ‘wat is er? Waarom moet je zo lachen?’ ‘Waarschijnlijk,’ zei hij hoestend, ‘zeggen de stokstaartjes dat ook tegen elkaar.’

Het grasland was afgezet met prikkeldraad. Daarachter stonden bouwlampen en graafmachines, onbemand tijdens het weekend. Van een bord waren de plannen voor een nieuwbouwwijk af te lezen. Een man en vrouw keken gelukzalig in de verte. Jasper hield het prikkeldraad voor me omhoog en kroop er daarna zelf onderdoor. Ik voelde een korte steek in mijn oksel. Jasper veegde de aarde van zijn zwembroek en keek me zorgelijk aan. ‘Wat is er,’ vroeg hij. Weer een steek. Met een ruk trok ik mijn overhemd uit en gooide het op de grond. Een wesp kroop rond en vloog daarna weg. Jasper kwam dichterbij staan. Ik tilde mijn arm voorzichtig omhoog. ‘Ik kan het niet zien,’ zei ik. ‘Kan jij het zien?’ Hij stapte naar achteren. ‘Die moet je uitzuigen,’ zei hij, ‘anders gaat ‘ie ontsteken.’ Ik keek om me heen, alsof iemand anders nog een oplossing kon aandragen. Jasper keek me vragend aan. ‘Geen zorgen,’ zei hij, ‘mijn vader doet dit ook altijd.’ ‘Oké,’ zei ik zenuwachtig, ‘snel.’ Hij legde zijn hand op mijn schouder. ‘We gaan even zitten,’ zei hij, ‘anders krijg ik last van mijn nek.’ Hij tilde mijn arm omhoog en ik voelde zijn stoppels kriebelen. Met zijn hand kneep hij zacht in mijn onderarm. ‘Nog heel even,’ zei hij, ‘ik kan het niet goed zien.’ Hij drukte zijn mond verder in mijn oksel. Ik was bang dat ik zou gaan lachen, maar het enige dat ik op dit moment wilde waren wespensteken op mijn mond. Jasper liet mijn arm weer zakken en hij tufte in het gras. Ik wilde overeind komen, maar hij gebaarde vlug dat ik moest blijven zitten. ‘Niet schrikken,’ fluisterde hij enthousiast, ‘maar ik zie er eentje.’
In de verte stond een man met zijn rug naar ons toegekeerd. Hij had niets aan, waardoor zijn lichaamshaar duidelijk afstak tegen zijn witte lichaam. Hij had zijn armen over elkaar gevouwen, alsof hij aan het wachten was op de bus. ‘Wil je nog een biertje?’ Ik schrok van de plotselinge vraag van Jasper, die onderhand naast me was gaan zitten. Hij wachtte niet op mijn antwoord om er zelf eentje uit zijn rugzak te pakken. ‘Valt een beetje tegen, hè?’ voegde hij eraan toe. Er schoot weer een zenuwachtig gevoel in mijn maag. Ik nam een biertje van hem aan. ‘Hoe oud denk je dat hij is,’ zei ik, ‘achterin de dertig?’ Jasper dacht even na, maar schudde zijn hoofd: ‘Nee, hij is te oud.’ De glimlach was van zijn gezicht verdwenen. Er bekroop me een gevoel van spanning die me tijdens het uitgaan ook weleens overvalt wanneer een groep jongens binnenkomt. De ruimte wordt geladen met een ander soort energie. Gevaarlijk. Onvoorspelbaar. Jasper boog naar me toe, legde zijn hand op mijn knie terwijl hij naar de man bleef kijken: ‘Denk je dat ik op hem af moet stappen?’ zijn stem klonk hees, alsof hij de vraag niet helemaal onder controle had. ‘Misschien heeft hij ook dorst.’

 

 

In 2020 verscheen Splinter Chabots CONFETTIREGEN bij Uitgeverij Spectrum. Een zeer persoonlijk verhaal over een jongen die opgroeit in zijn eigen glitter- en confettiwereld. Als kind lijkt thuis alles een sprookje. Naarmate hij ouder wordt ontdekt hij langzaam maar zeker dat hij anders is dan zijn broers, anders dan zijn meeste klasgenoten, anders dan wie hij dacht te zijn. Anders dan wie hij wilde zijn.

Lars Meijer schrijft, dicht en leest. Hij rondde zijn studie Creative Writing aan ArtEZ Arnhem af met Alleen mijn vrienden zijn bang, een onderzoek naar de taal rondom seksualiteit, geweld en verlangen. Eerder trad hij op bij Onbederf'lijk Vers, het Wintertuinfestival en verscheen werk op De Optimist, See All This en De Groene Amsterdammer. Op YouTube is hij actief als co-host van het literaire kanaal Poëzie & Pils. Lars maakt deel uit van schrijverscollectief Wildgewelf.