Het Onvoorstelbare 1/3

Anne-Goaitske Breteler Arno Boey  - 15 april 2021

Vlaamse en Friese schrijvers stellen zich samen het onvoorstelbare voor

Deze briefwisseling maakte deel uit van De Verwonderkamer: een literair project van Explore the North, Leeuwarden City of Literature en deBuren. Maak het onvoorstelbare voorstelbaar aan de hand van een duurzaam literair format: dat is de taak die drie teams van telkens één Friese en één Vlaamse kunstenaar kregen. In plaats van een fysieke residentie in Leeuwarden met een presentatie op festival Explore the North, hielden de duo’s een digitale residentieweek en werkten ze aan een winterslaapwandeling, de klantenservice van God en een poëtisch enquete-onderzoek naar heiligheid. In De Verwonderkamer zijn Friese makers Anne-Goaitske Breteler, Nicole van den Berg en Raymond Muller gekoppeld aan Vlaamse makers Arno Boey, Betül Sefika en Marie Borremans. De teams kregen in de aanloop naar de residentie workshops over kunst en (on)voorstelbaarheid, van Barend van Heusden, Hoogleraar Cultuur en Cognitie aan de RUG, en van dichter/actrice/goochelaar Maud van Hauwaert. 

 


Ternaard, 13-10-20

Ha Arno,

Het is een tijd geleden dat ik zo schreef. Ik moet er weer even in komen. De laatste keer was denk ik in de derde klas, toen we voor de Franse les brieven moesten schrijven aan denkbeeldige ontvangers. Ik herinner me niet goed meer wat er in de mijne stond, alleen maar dat ik het jammer vond dat ze nooit gepost zouden worden. Dat maakt het wel interessant, want waarom wilde ik die brieven zo graag versturen? En waarom herinner ik me alleen dat teleurgestelde gevoel? 

Ik zou namelijk vellen kunnen volschrijven over alles wat ik me niét meer kan bedenken van vroeger. Dat is een grote voorraad, want ik ben niet zo goed in het opslaan van gebeurtenissen. Maar soms, bijvoorbeeld tijdens een wandeling naar de zeedijk met mijn hondje Willem, dan kruipt ineens een verleden tijd vanuit mijn amygdala – ik heb even gegoogeld in welk hersendeel onze herinneringen aan emoties gekoppeld worden – zo in mijn gedachten. Ik speelde eens met een onbekend kindje aan een legotafel in een Amelander restaurant, heel rustig, totdat het kindje ineens in mijn arm beet. 

Heb jij dat ook? Of houd je alle gedachtes goed lang vast, voordat ze verschuiven naar de achtergrond? Vind je het jammer dat je je niet alles kan blijven herinneren? 

Ondanks dat ik me vaak niet goed meer kan voorstellen hoe het is geweest, heb ik er wel plezier in om te bedenken hoe iets zal zijn. Hoe, bijvoorbeeld, jij nu deze brief leest. Op een kamer die ik via een glimp misschien op Zoom heb gezien (mooie schouw! veel boeken ook), in een huis ergens in dat Zuidelijke land. Ik gok eigenlijk dat je niet op het platteland woont, maar ergens in een stad als Antwerpen of Gent (ik hoop Gent, daar ben ik vaker geweest, dus dat kan ik me nog beter voorstellen). Dat je deze brief uit de brievenbus beneden hebt gevist, in hetzelfde trappenhuis waar ook de buren hun post halen. Buren die druk zijn, met de stad, met hun banen, met zichzelf. Maar die in het weekend hun ‘schone kleedjes’ uit de kast halen, en met hun lief van een wijntje nippen. Stereotypes, van de dingen die je denkt te weten, zijn moeilijk los te laten in een onvoorstelbare wereld.

Wil je me vertellen of het klopt? Van jouw herinnering en van je buren? Heb je de brievenbus beneden of gewoon vast in je deur op een begane grond? Wat vind jij leuker, het onvoorstelbare verzinnen of het onvoorstelbare zo laten?

Ik hoor graag van je,

Groetnis,
Anne-Goaitske 

 


Brussel, 23 oktober 2020

Beste Anne-Goaitske,

Je brief is goed toegekomen. Mijn brievenbus bevindt zich inderdaad op de benedenverdieping van het appartementsgebouw waar ik woon. Meestal zit hij vol met reclamefolders en visitekaartjes van astrologen en zieners die hun diensten aanbieden. Brieven zijn schaars geworden en facturen belanden tegenwoordig in mijn mailbox. Postkaarten komen al helemaal niet meer toe. Nu we met zijn allen weer thuis zitten en reizen enkel nog bestaan onder de noemer ‘essentiële verplaatsingen’, lijken postkaarten kleine relieken van een andere tijd. En ze hadden het al niet gemakkelijk. De voorbije jaren is de postkaart een nutteloos goed geworden. Ons doen en laten verschijnt in realtime op verschillende platformen, traagheid is achterhaald. En toch zijn we eraan blijven vasthouden, doen we wat we al zo lang kennen: als uit een herinnering schrijven we dat het goed met ons gaat, dat het eten ons smaakt en dat de zon hier zo mooi staat. De kaart legt een lange, nostalgische reis af en tegen dat hij aankomt, hebben we onze levens in het thuisland vaak alweer opgepakt. Het is van een treffende eenzaamheid.

Ik mis postkaarten, Anne-Goaitske. Ik mis de kaarten en de reis die ze afleggen. Ik mis hoe ze met een magneetje op mijn koelkast kleven, hoe ze daar vergelen, hoe de tuinen van het Alhambra er blijven bloeien, hoe het Zwitserse sneeuwlandschap maar niet wegsmelt. Ik mis hoe ongecompliceerd postkaarten zijn, bevroren in de tijd, voorspelbaar en toch eigen. 

Enkele weken geleden vond ik tijdens een wandeling drie schoendozen op straat. Ze waren gevuld met postkaartjes, het moeten er in totaal zo’n driehonderd geweest zijn. Sommige kaarten waren beschreven en boden een glimp van wie ze hadden verstuurd. In korte bewoordingen werd er verteld over zieke tantes en goede rapporten, over lange reizen en nieuwe ontmoetingen. Maar de waarde van de postkaart ligt in het ongezegde, in wat niet in het tekstvak past. Er leeft iets tussen zender en ontvanger, buiten de uitdrukkingen om, een stille verbinding, verbeelding. 

Die verbeelding deed mij de dozen mee naar huis nemen. Een voor een las ik de kaarten en probeerde me de levens die erachter schuilgingen in te beelden. Een groot deel van de kaartjes bleek leeg, misschien waren ze van een verzamelaar geweest? Ik vraag me al een tijdje af wat ik ermee kan doen. Ze alsnog beschrijven en naar willekeurige adressen in België en Nederland sturen? Kleine herinneringen verzinnen? Overschotjes vroeger op de post doen?

Wat zou jij doen, Anne-Goaitske? Ze bewaren en blanco laten? De kaartjes in een schoendoos bewaren? Of ze nieuw leven inblazen en zo een leven beschrijven in het ongezegde?

Warme groet,
Arno

 

PS: Ik voeg een van de gevonden kaartjes bij deze brief. Misschien heb je er iets aan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Ternaard, 06-11-20

Ha Arno,

Harry de Doper, zo noemen we thuis de man met het lange witte haar die je maar beter niet aan de telefoon kan krijgen, omdat hij dan nooit ophoudt met praten. Af en toe waait hij binnen. Dit jaar nog, toen hij de monniken op Schiermonnikoog bezocht. Bijna vijfentwintig jaar geleden had zijn komst een goede reden. Ik was net geboren en hij wilde mij wel dopen. Niet officieel voor de kerk, denk ik, maar wel voor het geloof. Samen met zijn vrienden maakte hij een bloemenkrans voor me. Die heb ik nog steeds, in een van de verhuisdozen. Daarnaast ligt mijn religie. De Friese kinderbijbels verstoft opgestapeld met de prachtige verhalen over Mozes, Esther, Jonas en de Walvis, Simson en Delila. 

Soms mis ik het wel, dat geloven op dezelfde manier als waar veel anderen ook zo over denken. Jij noemde het laatst de gelijktijdigheid die eruit is. Dat we met de hoofden richting dezelfde preker staan, dat we onze plaatsen in de kerkbankjes graag opgeven voor de mens die het nog harder nodig heeft dan wijzelf. Misschien heeft het ook te maken met vat op het leven krijgen, want juist dan voel ik zo’n honger naar zekerheid. 

Gisteren, ik had het je al laten weten, begroeven we de beste vriend van mijn vader. Twee mannen die als jongens volgens de Christelijke leer zijn opgevoed. En die sinds hun pubertijd elk op hun eigen manier hebben geprotesteerd tegen hun protestantisme. Ze braken met de regels, maar verloren nooit de betekenis. ‘Gereformeerde atheïsten’, zo noemden ze zichzelf. 

Als geuzen bespraken ze met wijn en filosofen hoe het zo ver is gekomen. Dat we in een maatschappij leven waarin de plaats in de kerkbanken nooit meer voor religie zal zijn, maar misschien meer voor losse elementen van pragmatisch geloven. Een meditatieles op dinsdag, een tarotlegging op vrijdag. 

Het hoeft niet erg te zijn misschien, maar ik denk dat ik geloven toch graag meer zou zien als een erkenning van onze collectieve onzekerheid. We leren nu zo erg dat alles in het leven maakbaar is, zelfs onze dood. Elk moment moet te bevatten zijn, moet in te delen zijn in de schakeringen zoals we die in onze hoofden hebben ingebeeld. Ik zou graag leren om dat wat meer los te kunnen laten. Om te kunnen vertrouwen op een externe aanwezigheid, op een ander soort inprenting. 

Ik ben zo benieuwd hoe jij met religie omgaat. Is het anders omdat er in het Zuiden meer Katholieke invloeden zijn? Heb je ooit in een biechthokje gezeten? Voel je je prettig bij een collectief idee of houd je jouw betekenisgeving liever voor jezelf? Misschien moeten we pragmatisch-religieuszijn accepteren als de nieuwe zingeving, maar hoe sta jij daar tegenover? Oh, en bid je wel eens? 

Ik kijk uit naar je reactie! 

Liefs,
Anne-Goaitske

 


Brussel, 13 november 2020

Dag Anne-Goaitske,

Ook mijn religie ligt veilig opgeborgen. Na het lezen van je brief ging ik eens door de verhuisdozen in mijn hoofd, op zoek naar sporen van een geloof. Ik werd gedoopt en gevormd, ben af en toe naar de mis geweest en heb hosties laten smelten tussen tong en gehemelte. Ik heb bijbelverzen geleerd en liederen gezongen, adventskaarsen uitgeblazen en amen gefluisterd. Die dingen waren slechts vorm, ze vloeiden niet voort uit zingeving, maar uit gewoonte. Mijn ouders waren niet gelovig, ze hadden de kerk in de jaren tachtig al achter zich gelaten. Maar er waren dingen die niet in vraag gesteld moesten worden, slingers om op te hangen en feesten om te vieren. Traditie is als een huis dat je erft. Het is er niet echt goed wonen, krakkemikkig en niet naar je smaak. Maar je geraakt er niet vanaf. Zelfs jaren na de verkoop loop je een omweg om nog even een glimp van troost op te vangen, hier is iets geweest wat van jou was. Het gaf je vorm en kleur. Er brandt nog steeds een licht, kijk maar. Mijn ouders vonden wellicht daar betekenis voor de wereld rondom, in de troostende omweg, in de rust van tradities en gewoontes. 

Of het nu geloof of traditie is, wat steeds terugkomt is de verbinding. Neuzen in dezelfde richting, ademen in eenzelfde ritme. Het is pas wanneer we ervaringen kunnen delen, samenkomen en tot een groep behoren dat de dingen zin krijgen. Ik denk dat het ook zo voor mij ging. Eerst als kind, op de speelplaats, tijdens een simpel spel tikkertje of bij het ruilen van Diddle-papier: een schakel in de ketting. Later, op een concert: een tijdelijk resoneren. In de theaterzaal, in de club. In het schrijverscollectief: onze pennen samen gestemd. Ik ben in een web blijven kleven en heb zo de dingen betekenis kunnen geven. 

Nu is er niets meer van dat alles. Er is de stilte van een wereld die in slaap wordt gehouden. Er is binnenskamers, telewerk en videochat. Er is ruis. Hoe kunnen we samenzijn als we alleen moeten zijn? Betekent samenkomen in dezelfde ruimte zijn? Moet ik je kunnen ruiken? Moet ik je ademhaling voelen? Ik vraag het me af. 

Het is gek. We hebben elkaar nog niet ontmoet, zijn nog nooit samengekomen en hebben geen ervaringen gedeeld. Toch schrijven we brieven naar elkaar en komen we in verbinding. Hoe kan dat, denk jij?

Liefs,
Arno

 


Ternaard, 19-11-20

Ha Arno,

Het is bijna een week nadat ik je brief ontving. We zitten op zes dagen. De dag dat God volgens Genesis de mens schiep. Ik moet zeggen dat jij voor mij de afgelopen week ook telkens meer tot vorm gekomen bent. Jij schreef het al in de vorige brief, dat gevoel van verbinding, ondanks de driehonderdzevenenvijftig kilometer die tussen onze laptops ligt. 

Volgens mij heeft dat ook te maken met het delen van heiligdom, want nu ik daar wat vaker bij stilsta, en kijk naar de reacties die we op onze enquête terugkrijgen, blijk ik toch ook iets heiligs in mezelf te kunnen vinden. In mijn Christelijke achtergrond, mijn abstracte godsbeeld, mijn geloof in inspiratie en het maken van dingen die er eerder nog niet waren. Doordat wij samen met De Heilige Dag van start zijn gegaan, merk ik dat ik open naar je kan zijn over mijn individuele zoeken en vinden. 

Dat is misschien ook wel wat ik mis. Daar waar we eerder al over spraken. Het missen van de mis. Toen ik eerder deze week met mijn oma van negentig sprak over haar God en Jezus en dat tegelijkertijd spiegelde aan  mijn eigen geloven, merkte ik weer hoe fijn het is om over de wezenlijke dingen te praten. En dat gewoon op maandagochtend elf uur, met een slappe koffie. 

Eigenlijk zou ik het helemaal niet erg vinden om op een vast moment in de week, met een groep gelijkgestemden, te praten over die filosofische thema’s. Niet vanuit een religiositeit gebonden aan godsdienst, maar van de ene persoon tot de andere. Want dat is een voordeel van de individualisering; ieder mens weet als nooit tevoren hoe zich te onderscheiden van de ander. Dat maakt het nog interessanter, want als iedereen zulke andere ideeën heeft over hoe het beste te leven, dan kunnen we ongetwijfeld elkaar verlichten. 

Daarom misschien vind ik ook de antwoorden uit de online enquête van De Heilige Dag zo fascinerend. We hebben een grote groep respondenten, van allerlei verschillende leeftijden, met ontroerende omgangsregels die ze voor zichzelf bedacht hebben. 

Zeg Arno, wat is eigenlijk een regel die jij jezelf oplegt? Opdat je daarmee eerder ‘het goede’ doet, in plaats van het kwade? Ik ben benieuwd te horen of je dan misschien toch ergens ook dogmatisch kan zijn? Ook al zijn wij waarschijnlijk twee linkse, ‘tolerante’ Europeanen… 

Liefs,
Anne-Goaitske

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


21 november 2020

Dag Anne-Goaitske, 

We hebben de voorbije weken een heleboel vragen aan elkaar gesteld. Via brief en mail, via chat en zoom, via de telefoon. We stelden vragen over zingeving en geloof, over verbinding, over afstand en samenkomen. We vroegen ons af wie de heiligen van vandaag zijn. Wat het concept heiligheid nog zou kunnen betekenen. We wilden weten wie of wat zo goed of verheven is, dat het mensen samenbrengt in een verbindende overtuiging. Ondanks de fysieke afstand tussen ons vonden we daar gemeenschappelijke grond, in de zoektocht naar vergeten stukjes heiligheid. We brachten al onze vragen samen onder de titel ‘De Heilige Dag’, een term die je kreeg van je vriend. Als schilder wist hij je te vertellen dat dat de term is voor een vergeten stukje muur. We wisten het meteen: dat wordt de naam voor ons project. 

We stelden ook vragen aan anderen. We trokken naar buiten, de wereld in. Jij sprak met je familie, met je oma en je papa, met je broertje. Het waren prikkelende en ontroerende gesprekken. Ik zat samen met een groep kinderen en stelde hen dezelfde vragen die wij ons stellen. Ze vertelden me dat Jezus en Allah heilig zijn, God en Jahweh. Maar ook de zon is heilig, de wolken en de lucht. Zonder hen waren we hier immers niet geweest. Ook moeders zijn heilig, vonden de kinderen. En potplanten en huisdieren, want die overleven winters in de koude. Zuurstof en de cellen in ons lichaam en het gezin rond de tafel: allemaal heilig voor de kinderen. Het zijn dingen die buiten ons om bestaan, die we niet begrijpen, maar er toch zijn. Het zijn dingen die ons beschermen en samenbrengen. Het zijn dingen die ons geruststellen: er is leven en het leven is goed. 

Waar heiligheid een vervreemde, religieuze connotatie heeft gekregen voor de meeste volwassenen, konden de kinderen onomwonden de dingen benoemen die voor hen heilig zijn. Ze hadden er geen moeite mee, waren nog niet bezig met het gewicht van hun woorden. Ze durfden samen na te denken, te overleggen, te discussiëren. Ze waren nog niet bezig met een geschiedenis of een toekomst, ze waren daar, met mij en de heiligen.

Ik ben je voorstel voor een praatgroep genegen, Anne-Goaitske. De gesprekken met elkaar en met de kinderen hebben me aan het denken gezet. Ze hebben me vertrouwen gegeven. We delen zoveel meer dan we denken.  

Wat heeft jou de voorbije weken vertrouwen gegeven? Wat hebben de gesprekken jou geleerd? 


Liefs,
Arno

PS: Zullen we afspreken dat ook kinderen mogen deelnemen aan onze praatgroep voor filosofische thema’s? 

 


Ternaard, 26 november

Lieve Arno,

Inderdaad, nu zijn we weer zeven dagen verder. Ruim honderd ingevulde enquêtes, meer dan een dag aan interviews, veel antwoorden en nog altijd het onvoorstelbare. Ik vond het intensief, want – en misschien noem ik dat dan wel een soort geloof – soms komt alles samen, hé? Werk, privé, filosofie, praktijk, een verwonderkamer, een nieuw huis, veel liefde en ook wat angst vanwege mijn gezondheid. God, het lijkt het leven wel. 

Toch zijn die zeven dagen van reflectie, van heiligheid, want zo voelt het wel voor me, helend geweest. Ik ben blij dat ik nu weet hoe andere mensen, jij, maar ook dichterbij hier in Friesland, over De Heilige Dag denken. Hoe ze het invullen en hoe ze dat veranderlijk houden. Het was leuk, mijn oma kwam een paar dagen geleden langs. Ze had de Bijbel meegebracht voor me. Zodat ik me nog beter kan verdiepen in haar zienswijze, in haar godsbeeld. 

Ik merkte afgelopen week dat mensen echt nieuwsgierig zijn naar elkaar en naar elkaars visie. Eigenlijk vind ik dat wel een van de allermooiste dingen die we nu in dit project hebben gezien. De gecreëerde ruimte van de een voor het begrip dat we voor de ander moeten opbrengen, omdat diegene misschien niet hetzelfde denkbeeld heeft. Maar waar we ondanks dat verschil toch erg geïnteresseerd in zijn. Daarmee erkennen we dus ook dat iemand een andere zingeving kan hebben, maar dat die net zo goed betekenisvol kan zijn. Eigenlijk wat ik vroeger op mijn Christelijke school leerde: ‘wat u niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’.  

Leuk om te horen dat jij ook zo verrast bent door de kinderen. Ik op mijn beurt namelijk ook. Volgens mij hebben wij al zoveel overtollige bagage in ons hoofd zitten, waardoor we soms ‘heiligheid’ of ‘goddelijkheid’ niet eens meer goed durven te gebruiken. Dat vond ik zo grappig om te merken in mijn gesprek met Maison van vijf jaar. In het Fries betekent God gewoon God, maar ook ‘gat’. Omdat ik zo zeker was van mijn vraag over God in een religieuze context, had ik pas heel laat in de gaten dat hij het over een ‘gat’ van modder had. 

Gek eigenlijk dat wij nog in een generatie leven waarin die religieuze context toch nog net iets meer aanwezig is, lijkt het wel. Of althans, de kinderen verheffen de meer wereldlijke dingen juist tot goddelijk. Misschien is dat wel hetzelfde, maar liggen hun wiegen nog net iets verder van Jezus’ kribbe weg dan die van ons. 

Het blijft zo’n interessant thema. We zijn er nog lang niet over uit volgens mij. Dat kan ook niet, geloof ik. We zullen het toch nooit écht weten. En eigenlijk is dat ook het allerleukste. Het gedeelde voorstelbare van het onvoorstelbare.

Liefs,
Anne-Goaitske 

 


Brussel, 1 december 2020

Lieve Anne-Goaitske, 

Dit is alweer de laatste brief in onze correspondentie. Het was voor mij de eerste keer dat ik iemand leerde kennen via briefwisseling en ik moet zeggen: hoe wonderbaarlijk! Hoe mooi dat er in die afstand en stilte, in dat zachte krassen van de pennen van twee onbekenden, iets is ontstaan. Een begrip, een vertrouwen, een verbinding. Ik had eerlijk gezegd niet verwacht dat het zo zou lopen, dat onze brieven tegelijkertijd een begin en een verdieping konden zijn. De ontdekking van de correspondentie, het is iets wat ik meeneem uit dit o zo gekke jaar. 

Het klopt wat je zegt: we zijn er nog lang niet over uit. De heiligheid, het heiligdom, de heiligen: het zijn onuitputtelijke onderwerpen. We kunnen nog tientallen enquêtes opstellen, gesprekken voeren, voorstellingen maken en teksten schrijven. De zoektocht naar zingeving en verbinding is eindeloos, de gedachten oneindig. Die oneindigheid is wat de zoektocht net aantrekkelijk maakt, denk ik, als een zwart gat dat alles met grote kracht opslokt. 

‘In de oneindigheid zit het heilige,’ vertelde wiskundige Jean-Paul Van Bendegem mij tijdens ons gesprek. Ik wilde van hem meer te weten komen over het verband tussen heiligheid en wiskunde. Bij dat verband moest hij meteen aan de oneindigheid van de getallen denken. De wiskundige zoektocht naar de eindmeet en de poging tot het veroveren ervan, het is als de zoektocht naar heiligheid. Heiligheid en oneindigheid: beide staan in relatie tot een Verheven Iets, monden uit in een ongrijpbare mist, glippen tussen onze vingers door, geven kleur aan onze wereld, als het licht dat gebroken door een prisma valt. We vatten het niet, maar voelen het toch. 

Wiskunde, zei professor Van Bendegem, werd vaak als toegang tot het goddelijke gezien. De wereld zit immers zo mathematisch in elkaar, is God dan geen wiskundige? Kijk naar de patronen in de natuur, naar de perfecte welvingen in gesteentes, naar de manier waarop schelpen en bloemen wiskundige reeksen nabootsen. Is dat dan geen bewijs dat hier een mathematicus aan het werk is geweest? 

Wiskunde is in dat opzicht ook een vorm van zingeving. Het viel me de laatste tijd op: het geloof in wetenschappen was nog nooit zo groot. Ook in onze enquête was het opvallend hoeveel mensen ‘de wetenschap’ als heilig beschouwen en hoeveel wetenschappers de nieuwe heiligen zijn. Maar het geloof in wetenschap of wiskunde als enige spirituele leidraad, is dat wel voldoende? Biedt dat naast antwoorden ook verbinding? 

Ik was benieuwd naar de mening van de professor, wiens leven verankerd is in formules en bewijzen, in onversneden logica en zuivere wiskunde. Tot mijn verbazing vond hij persoonlijk dat er meer nodig is dan enkel de wetenschap. Verbinding en zingeving begint bij de mensen om ons heen. Ik wil een stukje citeren uit zijn antwoord: 

‘Zingeving kan maar beginnen vanaf twee. Het leven op zich is niet zinvol. Er zijn mensen nodig. Vanaf twee zijn we vertrokken. Ik geef mezelf geen zin, we geven elkaar zin. De dingen krijgen betekenis door de mensen rond ons heen.’ 

Het doet me denken aan wat ik hier enkele brieven geleden al schreef: ik bleef in een web kleven en de dingen kregen betekenis. Hopelijk hebben we elkaar een beetje betekenis kunnen geven en via dit project ook het web om ons heen. En hopelijk ligt er een toekomst in het verschiet waar twee mensen ook mensen kunnen zijn, geen schermen maar vlees, geen pixels maar huid, geen haperingen maar stem. Dan zijn we echt vertrokken, denk ik. 

Tot dan gaat het je goed, Anne-Goaitske. 

Liefs,
Arno

 


 

Explore the North
Explore the North ontwikkeld op dit moment diverse nieuwe interdisciplinaire, vaak meertalige projecten op verschillende locaties. 2021 wordt dan ook – uiteraard onder voorbehoud van de ontwikkelingen rond het virus – een bomvol jaar vol talentontwikkeling, producties, presentaties en expedities.

deBuren
deBuren is het Vlaams-Nederlands huis voor cultuur en debat, gelegen in Brussel. Het bevordert de culturele en maatschappelijke samenwerking en uitwisseling tussen Vlaanderen en Nederland door te presenteren, te produceren, te inspireren en te verbinden. Er wordt gestreefd naar inclusie, stimuleren talentontwikkeling en duurzaamheid.

Leeuwarden City of Literature
Sinds november 2019 is Leeuwarden UNESCO City of Literature. Met deze blijvende titel investeren stad en provincie in een professioneel literair klimaat, een internationaal netwerk en het zo toegankelijk mogelijk maken van literatuur.

     

 

 

Anne-Goaitske Breteler groeide op aan de voet van de zeedijk in Friesland. Na de studies Culturele Antropologie en Publieksgeschiedenis in Amsterdam verhuisde ze kortgeleden terug naar haar geboortegrond. In al haar werk staat de relatie tussen stad en platteland centraal. In 2018 verscheen haar non-fictie debuut De traanjagers (Uitgeverij AUP) en in 2020 haar Friese kinderboek In nuvere nacht. Ze schrijft columns en redactionele bijdragen, maakt tentoonstellingen en geeft lezingen voor jong en oud.

Arno Boey is maker. Zijn werk wrikt zich los van vorm of genre, maar begint steeds op dezelfde plek: bij de taal. Hij is medeoprichter van schrijverscollectief en literair tijdschrift ZINK. In 2019 nam hij deel aan de internationale schrijfresidentie van deBuren in Parijs. Hij publiceerde onder andere in Kluger Hans, DW B en Sampler 2020 van uitgeverij Das Mag. Met partner-in-crime Yelena Schmitz werkt hij aan 1020stories.be, een meertalige verhalenkaart van Bockstael, een wijk in zijn thuisstad Brussel. Zijn literaire werk overlapt met zijn interesse voor het fysieke, de beweging, de dans. In die overlapping gaan de dingen leven. In 2019 maakte hij de documentaire dansvoorstelling We are close (at 22 pm)