Vuurhaard

Gerjon Gijsbers - 04 november 2019

Vijf jaar geleden verschenen de vier eerste chapbooks bij Wintertuin Uitgeverij, lees waar deze schrijvers nu mee bezig zijn

Een hoofdstuk uit het boek waar Gerjon Gijsbers op dit moment mee bezig is, werktitel Vuurhaard, een boek over opgroeien in een christelijk milieu. 

 

Vuurhaard | Gerjon Gijsbers

Ik wilde hier niet zijn.
Aan het plafond hingen twee lange tl-buizen. Het licht leek te lonken. Als ik wilde, kon ik erin opgaan. Het zou me kunnen verzwelgen. Licht in mijn hoofd. Licht overal.
Ik zat op een lange tafel. Onder me knisperde wit papier. Voor me stond een man in een witte jas.
Hij kneep in een pompje en keek naar een apparaat met een wijzerplaat, zijn wenkbrauwen gefronst alsof hij antwoord moest geven op de vraag of hij spruitjes of liever spinazie bij het avondeten had. Op de wijzerplaat stonden meer streepjes en andere getallen dan op een klok. Het was wellicht een klok, maar dan een waarop je iets anders dan de tijd kon zien. Het was ochtend.
Ik wilde hier niet zijn, maar ik wist ook dat ik weinig te willen had. Zoveel had ik als jongetje van zes al wel geleerd. Het ging niet om mijn wil, maar om Gods wil, en God wilde dat ik op een plek was waar ik niet wilde zijn. Mijn hoofd voelde heet aan. Er dansten donkere schaduwen door het veel te felle licht.
‘Deze bloeddrukmeter moet defect zijn,’ zei de dokter. Hij tikte twee keer met de nagel van zijn rechterwijsvinger tegen het ruitje voor de wijzerplaat. ‘Ik zal er even een moeten zoeken die wel werkt.’
Hij verliet de ruimte. Mijn moeder legde mijn hoofd tegen haar borsten en zweeg.
‘Ik kan niet goed zien,’ zei ik.
Mijn moeder zei nog steeds niets. Ik wist niet zeker of ze huilde.
‘Ga ik dood?’ vroeg ik.
Ik schrok zelf van dat laatste woord, omdat ik me niet kon herinneren dat ik het ooit eerder had gehoord.
Het was of de dader van een diefstal me betrapte als getuige. Wat wist ik precies van de dood? Wie had me verteld over zijn doen en laten? Waar had ik hem gezien, wist ik wel zeker dat het de dood was die ik gezien had en wat had ik ervoor over om in leven te blijven?
‘Ga ik dood?’ vroeg ik nog eens. ‘Ik zie bijna niets meer, mijn hoofd doet pijn.’
Mijn moeder streelde door mijn haren.
‘Nee,’ zei ze, ‘je gaat niet dood.’
Het klonk alsof ze het niet zeker wist, maar het wel wilde laten klinken alsof ze het zeker wist. De dokter kwam de kamer weer binnen met een ander apparaat. Hij rukte het klittenband van het vorige toestel los. Ik moest mijn arm door een andere band steken, die vervolgens strak aangetrokken werd. Hij begon opnieuw in een pompje te knijpen en staarde naar wijzers die heen en weer gingen.
‘On-mo-ge-lijk,’ zei hij langzaam. ‘Deze meter geeft dezelfde onmeetbare bloeddruk, mevrouw. De aderen van uw zoon staan op springen. Het lijkt wel of iedere afzonderlijke bloedcel zich een weg naar buiten probeert te bonken. Een lichaam dat uit zijn eigen lijf wil ontsnappen. Hij moet met spoed worden opgenomen.’
Ik wilde mijn moeder aankijken, om te zien of ze huilde, maar ik zag nauwelijks en het lukte me niet om te bewegen. Alles zat vast. Ik kon mijn nek niet draaien. Alleen de kamer draaide. Een veel te lichte kamer waar ik niet wilde zijn.

Na het bloedprikken had ik een kleurplaat gekregen van een glimlachende hond met een veel te grote vlinderstrik, maar kleurpotloden hadden ze niet. Op de televisie in de hoek van de wachtkamer was de man met de vlek op zijn hoofd weer te zien, die de laatste tijd vaker in het journaal was. Hij zei iets in een taal die ik niet begreep. De ondertiteling ging te snel voor mij. Ik zat bij mijn moeder op schoot.
Tegenover ons zaten twee oude mensen, een man en een vrouw. De vrouw hield met haar rechterhand de linkerknie van de man vast. Ze hoorden bij elkaar. De man keek naar de tv.
‘Duitsland zal herenigd worden,’ zei hij, ‘voor het eerst vrije verkiezingen in de Sovjet-Unie en nu gaan ze hun troepen ook nog terugtrekken uit Tsjecho-Slowakije, de koude oorlog loopt op zijn eind. Gelukkig dat nooit iemand op de rode knop heeft gedrukt.’
‘Joa joa,’ zei de vrouw.
Ze keek verdrietig naar de vloer. Ik probeerde me een koude oorlog voor te stellen en kwam daarbij niet verder dan soldaten in de sneeuw, die liever thuis bij de kachel hadden gezeten. Soldaten die net als ik op een plek waren waar ze niet wilden zijn.
‘Als je het mij vraagt,’ ging de man door, ‘is het einde niet pas begonnen met het neerhalen van de muur, maar bij de ramp met die kerncentrale, toen we een tijdje beter geen spinazie konden eten. Alweer zowat vier jaar geleden dat het verval…’
‘Kiek toch,’ onderbrak de vrouw hem, ‘wat een mooi’n tegels.’
Volgens mij had ze het liever over de tegels dan over het verval. Ze wees ook naar de tegels, alsof de man anders niet wist over welke tegels ze het had.
‘Ja,’ zei de man, ‘wildverband.’
Verband in een ziekenhuis, dat leek me erg belangrijk. Zonder verband geen ziekenhuis. Ik prutste even aan de pleister op mijn arm, die de zuster er na het bloedprikken op had geplakt. Er stond een blauw olifantje op. Ik keek naar de man en de vrouw om te zien of ze zagen dat ik een pleister had, zonder dat ik daarom hoefde te huilen, maar ze zaten allebei naar de vloer te kijken.
Er ging een deur open en een vrouw riep onze achternaam. Mijn moeder zette me neer en stond op. Ze nam me aan haar hand een andere ruimte binnen. Er stond eenzelfde lange tafel waar ik eerder op gezeten had en een houten bureau, met daarachter een schilderij dat nergens echt op leek. Je kon er een bos in zien, maar ook een meer. In de hoek van het lokaal stond een ziekenhuis van Playmobil. De vrouw die ons naar binnen had geroepen, stond nu met iemand te praten in de deuropening. Mijn moeder ging zitten op een van de twee stoelen voor het bureau.
‘Ga maar even spelen,’ zei ze.
‘Mag dat?’ vroeg ik.
‘Natuurlijk mag dat.’
Ik had weinig zin om te spelen. Ik voelde me niet goed. Ik wilde alleen maar beter worden en begreep niet waarom alles zo lang moest duren. Om mijn moeder blij te maken, gaf ik haar de kleurplaat van de hond en liep ik toch naar het speelgoedziekenhuis. Ik ging op mijn knieën zitten en pakte een van de Playmobilpoppetjes, een patiënt met krukken en zijn been in het gips. Met mijn andere hand nam ik een dokter op, die er maar naar moest kijken. Misschien had God grote onzichtbare handen, waarmee hij met ons speelde, zoals ik nu met de patiënt en de dokter in het ziekenhuis zat te spelen. Op zijn knieën, zonder dat hij zin had om te spelen, omdat hij zich ziek voelde. Ik had geen krukken en geen gips, alleen een pleister, dus misschien zag hij niet dat ik ziek was en duurde het daarom zo lang tot ik geholpen werd. Ik schrok toen er een deur werd dichtgeslagen. Toen ik achteromkeek, zag ik de vrouw die ons had binnengelaten op me af komen.
‘Wil je dat weleens laten,’ zei ze kwaad, ‘dat speelgoed is alleen voor kinderen die opgenomen moeten worden.’
Ze bukte, trok aan mijn pols en pakte de poppetjes af. Mijn moeder vloog overeind uit haar stoel.
‘Hij moet opgenomen worden!’ snauwde ze. ‘Mens, hij had weken geleden al opgenomen moeten worden. Het is een kind, wat bezielt je?’
De vrouw liet mijn pols los. Ik had mijn moeder nooit eerder zo kwaad gezien, maar ik wist wel aan te voelen wanneer ze zou gaan huilen. Dit was een van die momenten. Ik ging bij haar zitten. De vrouw durfde niets meer over het speelgoed te zeggen. Ze leek zelf op een Playmobilpoppetje met een opgedrukte pruik. Zij ging ook zitten, haalde een paar papieren uit een bureau en noemde nog eens onze achternaam. Toen wilde ze weten waar we woonden. Ze klonk heel anders dan daarnet. Mijn moeder beantwoorde vragen tussen het snikken door.
Uiteindelijk bond de vrouw een plastic bandje rond de pols die ze kort daarvoor nog zo ruw had vastgegrepen. Daarna liep ze naar de deur om die voor ons open te houden. Ze legde een hand op de schouder van mijn moeder.
‘Sterkte,’ zei ze.
Mijn moeder knikte en snikte. Samen liepen we door de wachtkamer, maar ik had zoveel pijn aan mijn benen dat ik opgenomen moest worden. De oude mensen waren verdwenen. De weerman op de televisie had het over zwaar weer op komst en hevige windstoten.

Toen ik wakker werd, was er niemand. Ik lag alleen op een kamer, in een hoog ziekenhuisbed dat aan beide zijkanten was afgesloten met een traliehek. Had ik iets misdaan? Misschien had ik inderdaad iets misdaan en moesten ze zien te voorkomen dat ik zou ontsnappen. Wie waren ze? Waar was mijn moeder? Mijn moeder had beloofd bij me te blijven, maar ze was er niet. Misschien had ik iets misdaan. De deur naar de gang stond open. Vanaf de gang klonken stemmen en voetstappen. Ik kon geen kant op.
Ik wilde me omdraaien, wat niet lukte omdat mijn rechterarm aan een plank was vastgebonden. Er ging een slang van mijn arm naar een plastic zak die gevuld leek met water en aan een ijzeren kapstok naast mijn bed bungelde. Ik zag hoe een druppel van het vocht in de slang gleed en zich traag richting mijn arm bewoog. Ik dacht aan onze kat, hoe hij een vogeltje in de achtertuin kon besluipen. Ik zou niet kunnen opfladderen als ik aangevallen werd. Wat als het vocht geen water was, maar het doorzichtige bloed van een buitenaards wezen? Misschien was ik hier niet om beter te worden en veroorzaakte het vocht juist merkwaardige bulten als het eenmaal door mijn aderen stroomde. Of ze konden me met hun moderne technologieën een leven lang in de gaten houden. Door die vloeistof in mijn lijf wisten ze altijd waar ik was. Ja, ze wisten altijd waar ik was en konden me zelfs een andere kant op sturen.
Ik hapte naar lucht en draaide mijn hoofd opzij. Over het traliehek hing een klein kastje met een rode knop. Ik durfde er niet op te drukken. Gelukkig had nooit iemand op de rode knop gedrukt, en ik wilde het niet voor iedereen verpesten door er als eerste wél op te drukken. Hoe lang lag ik hier al?
Buiten zag ik niets dan kale bomen, regenplassen en auto’s die af en aan reden. Het waaide hard. De gedachte dat mijn moeder niet terug zou komen werd steeds groter in mijn hoofd. Ik wilde aan leuke dingen denken. Aan tekenfilms, aan de capriolen van onze kat, aan de cadeautjes die ik een paar weken geleden voor mijn verjaardag had gekregen. Het hielp niet. Ik moest naar de wc. Mijn moeder was weg en ik kon me niet eens op mijn buik keren om mijn betraande gezicht in het hoofdkussen te duwen. Ik kneep mijn ogen dicht, perste de tranen eruit, probeerde onhoorbaar te huilen. Ik kon me niet herinneren dat ik iets misdaan had. Om daar zeker van te zijn, liet ik mezelf de laatste weken nog eens beleven. Ik voelde me al zo lang beroerd dat ik niet meer wist hoe het was om gezond te zijn. Waar was het begonnen? Die keer dat ik met mijn moeder bij de huisarts was en ik woorden hoorde die ik nog niet kende. Angina. Streptokokken. Woorden waar ik me niets bij voor kon stellen. Het konden evengoed schelpdieren zijn. Bloedprikken. Een flesje in de deur van de koelkast, met een mierzoet en felroze drankje erin, waar ik meerdere lepels per dag van kreeg en alleen maar zieker van werd. Ik had geen zin om te spelen, hing lusteloos op de schommel. Bloedprikken. Een bekertje met plas, rood van het bloed. ‘Net of er een biefstukje in gebakken is,’ had de huisarts gezegd. Mijn ogen die raar deden. Met carnaval had ik me voor een feestje in de klas nog verkleed als leeuw. Ik voelde me niet de koning van het dierenrijk, meer een vlinder zoals we die vingen in een leeg jampotje, bij de vlinderstruik op de hoek van de straat. Een vlinder die net als ik niet wilde zijn waar hij was en steeds vermoeider en tevergeefs met zijn vleugels sloeg. Mijn moeder die schreeuwde tegen de huisarts. Bloedprikken. Mijn vader die de deur van mijn slaapkamer opende, het licht aanknipte en zei dat ik op moest staan om naar school te gaan. Hoe ik me niet meer kon bewegen, maar van mijn vader geen geintjes mocht maken en gewoon moest gehoorzamen. Opstaan en naar school gaan. Ik kon me écht niet bewegen. De huisarts die erbij werd gehaald en me voor de twintigste keer in korte tijd onderzocht. De buurvrouw die adviseerde om een ziekenhuisopname te eisen toen ze mij zag. Mijn moeder, smekend aan de telefoon. De bruine Opel Kadett die kwam voorrijden omdat mijn ouders geen van beide een rijbewijs hadden. Bloedprikken, wachtkamers en nu lag ik hier. Gevangen, in een glazen potje met gaatjes in het deksel.
Er kwam een zuster de kamer binnen die een karretje voortduwde.
‘Goedemiddag, meneertje koekepeertje,’ zei ze, ‘ben je lekker uitgeslapen?’
Volgens mij wilde ze me opvrolijken of op de een of andere manier geruststellen.
‘Waar is mijn moeder?’ vroeg ik. ‘Waar is mijn vader?’
Ik beet op mijn lip, maar kon niet voorkomen dat ik weer begon te huilen.
‘Ach, mannetje toch,’ zei de zuster, terwijl ze een hand op mijn voorhoofd legde. ‘Je moeder is thuis even wat spullen voor je halen. Ze kan ieder moment terugkomen.’
Het woord thuis maakte het alleen maar erger. Bovendien had ik het idee dat alles wat ze zei niet echt was, alsof ik met een robot te maken had, waardoor zelfs het woord thuis koud klonk. Zij was niet echt, dit ziekenhuis was niet echt en ik was hier niet. Ik geloofde niets of niemand meer.
‘We moeten driemaal daags bloed bij je afnemen,’ zei de robot. ‘Maar je bent het inmiddels vast wel gewend, niet?’
Ik knikte zonder dat ze het zag. Ze nam een groene riem van haar karretje, stak mijn linkerarm erdoor en trok hem strak aan. Daarna nam ze een naald, verwijderde het beschermingsdopje en boog zich voorover.
‘Nu moet ik even goed kijken waar de ader zit.’
Dit was het moment om te controleren of ze een verborgen deurtje in haar nek had, onder haar zwarte krullen, waar snoertjes achter schuilgingen, een stopcontact om haar op te laden of zelfs een klein toetsenbord, waarmee ze haar konden laten zeggen wat ze zeggen moest.
‘Je kijkt te veel tekenfilms,’ zou mijn vader zeggen.
Voor ik het wist zat de naald in mijn arm, werd de riem losgemaakt en zag ik het eerste buisje volstromen. Daarna een tweede en een derde buisje. Ieder vol buisje werd door de robot kort geschud. Was dat de uiteindelijke bedoeling van deze onderneming? Driemaal daags drie buisjes aftappen en zo al mijn bloed vervangen door de buitenaardse vloeistof die daar aan de kapstok hing, net zo lang tot ik geen mens meer genoemd kon worden? Ik moest een plukje watten tegen mijn arm drukken, wat bijna niet te doen was omdat ik mijn andere arm vanwege de plank amper kon buigen. De naald werd verwijderd, de robot plakte een pleister over de pluk watten – alweer met een olifantje – en deed op ieder buisje met bloed een sticker, waarna het in een rekje op het karretje werd gezet.
‘Ik moet plassen,’ zei ik.
‘Daar heb ik ook wat voor,’ zei de zusterrobot.
Onderuit haar karretje haalde ze een plastic fles tevoorschijn. De fles had een vreemde vorm. Er stonden streepjes op, zoals op de maatbeker die mijn moeder in de keuken gebruikte. Ik kon me niet voorstellen dat iemand met mijn plas iets wilde brouwen of koken. De robot sloeg mijn deken weg, trok zonder het te vragen mijn onderbroek naar beneden, plaatste de fles tussen mijn benen en stak mijn piemel erin.
Het gebeurde allemaal zo snel, dat ik niet de kans had gekregen om tegen te stribbelen.
‘Zeg het maar als ik te vrijpostig ben, hoor,’ zei ze.
Ik wist niet wat vrijpostig was. Mijn aandrang om te plassen was plotseling verdwenen, alsof ik nooit gehoeven had. Ik sloot mijn ogen en telde twee keer tot tien. Er kwam niets.
‘Het lukt niet,’ zei ik, terwijl ik mijn ogen weer opende. ‘Ik wil naar het gewone toilet.’
‘Onmogelijk,’ zei de robot, ‘je mag onder geen beding je bed verlaten.’
Ze hield haar blik tussen mijn benen gericht. Ik wilde dat ze ergens anders naar keek.
Wie had deze regel bepaald? Had de directeur van het ziekenhuis er zelf opdracht toe gegeven? Wekenlang hadden ze me heen en weer gesleept als een knuffelbeest en nu mocht ik ineens mijn bed niet meer uit.
‘Ik kan het niet,’ zei ik. ‘Ik hoef niet.’
‘Geen probleem,’ besloot de zuster.
Ze klonk een beetje boos, waardoor mijn theorie dat ze een robot was aan het wankelen kwam.
Ze borg de fles weer op, hielp me mijn onderbroek omhoog te trekken en stopte me in onder de deken. Ik durfde haar niet aan te kijken.
‘Als je straks toch moet,’ zei ze, ‘of als je iets of iemand nodig hebt, dan mag je altijd op de rode knop drukken.’
Ze wees vluchtig naar het kastje met de rode knop en verdween toen met haar karretje uit de kamer.
‘Niemand heeft ooit op de rode knop gedrukt,’ mompelde ik. ‘Ik ga nooit op de rode knop drukken.’

Niet veel later keerde mijn moeder terug, met een grote boodschappentas vol spullen.
Ze had mijn tandenborstel meegenomen, tandpasta, hemden en onderbroeken, pantoffels, een ochtendjas, mijn favoriete pyjama met op het shirt twee indommelende uiltjes, zoveel paar sokken dat ik me afvroeg hoe lang ik in godsnaam moest blijven, meerdere kinderboeken en Het huis van licht Bijbels levensboek voor kinderen, waar we thuis graag uit voorgelezen werden, al koos ik altijd hetzelfde verhaal. Over het adelaarsjong dat leert vliegen onder de vleugels en het wakend oog van zijn moeder.
De tas was nog lang niet leeg. Ook voor zichzelf had ze van alles meegenomen, want vannacht mocht ze bij mij op de kamer blijven. Ze had aan kleurpotloden gedacht, met een elastiekje bij elkaar gebonden, om de kleurplaat van de hond met de vlinderstrik in te kleuren. Tot slot toverde ze uit een plastic tasje een trui tevoorschijn, het prijskaartje er nog aan, die ze in het ziekenhuiswinkeltje had gekocht. Blauw en wit, met een rits.
‘Een nieuwe trui!’ riep ik enthousiast.
We kregen niet vaak nieuwe kleren. Ik kreeg mijn kleren via vrienden van mijn ouders, zodra hun eigen kinderen eruit waren gegroeid. Of ze kwamen van de kinderkledingbeurs, goedkoop, maar vaal- en stukgewassen. Soms waren er mensen van de Vuurhaard die mijn ouders een doos met kleding gaven, voor mij en mijn twee zussen, omdat Jezus zei dat geven gelukkiger maakt dan ontvangen en omdat God houdt van mensen die zonder tegenzin en met vreugde geven. De gulle gevers van de Vuurhaard lachten daarom waarschijnlijk om alles, ze zeiden dat het niets was en wuifden ieder bedankje weg. Vervolgens bleven ze naar mijn idee wel te lang doorpraten over die doos met kleding – over de herkomst, de stoffen, de maten –, alsof ze toch nog rekenden op een wederdienst of er in ieder geval zeker van wilden zijn dat hun vrijgevigheid niet alleen door ons, maar ook door de hogere macht werd opgemerkt.
‘Mag ik de trui aan?’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei mijn moeder, ‘je moet nu rust houden, je moet eerst beter worden.’
‘Hoe kan ik beter worden als ik helemaal niet ziek ben,’ zei ik.
Ik moest en zou de trui aantrekken. Een trui die helemaal van mezelf was, die nog nooit door wie dan ook gedragen was. Ik kon niet wachten.
‘Je bent ziek,’ zei mijn moeder, ‘houd je rustig.’
Ik had de deken al van me afgetrapt en stond nu rechtop in bed. Door de plank aan mijn arm helde ik iets naar rechts.
‘Ik wil de trui aan! Geef me de trui!’
‘Wil jij weleens heel snel gaan liggen, jongeman,’ zei mijn moeder. ‘Je bent nog veel te zwak om een trui te passen.’
Ik begon op en neer te springen op het bed. Mijn moeder moest zien hoe goed het met me ging.
‘Ik voel me oké, ik voel me perfect!’ riep ik. ‘Zie je wel, er is niets aan de hand!’
Dit had ik van Alfred J. Kwak geleerd, de bijna altijd vrolijke tekenfilmeend die eerst op maandag, maar tegenwoordig op donderdag op televisie kwam. Ik had nog geen aflevering gemist. Alfred lag ziek in zijn klomp, toen hij per brief een oproep kreeg voor de zeeverkenners. Zijn vader, Henk de Mol, die niet eens zijn echte vader was, gebood Alfred in bed te blijven om beter te worden. Alfred zei dat hij zich oké voelde, perfect zelfs, dat er niets aan de hand was, waarna hij uit bed klom, wild op en neer sprong en meteen weer omviel van ellende. Het duizelde me. Ik pakte de rand van het traliehek beet en zakte door mijn knieën. De kamer vulde zich met zwarte vlekken.
‘Zie je wel,’ hoorde ik mijn moeder van ver weg zeggen, ‘er is wél wat aan de hand! Man, je ligt hier aan ik weet niet hoeveel toeters en bellen en jij probeert er een feestje van te maken.’
Ik begreep haar niet. Hoorden toeters en bellen niet juist bij een feestje?
Door een waas zag ik hoe ze de trui omhooghield, voor mijn borst, en het kledingstuk weer opvouwde.
‘Hij is ook veel te groot, je zult zeker een jaar moeten wachten voor hij je past.’
Even kwam de gedachte in me op dat ze de trui met opzet een paar maten te groot had gekocht, zodat ik mijn best zou doen om beter te worden en te blijven groeien tot ik de trui aan kon. Ik schaamde me voor die gedachte. Ik wilde niet slecht over mijn moeder denken.
‘Ga ik dood?’ vroeg ik nog een keer, voor de zekerheid.
Ik wist niet precies wanneer ik de dood had leren kennen. Misschien kwam het ook door Alfred J. Kwak, die in de tweede aflevering al zijn ouders en al zijn broertjes en zusjes verloren had, overreden door de dikke auto van K. Rokodil en Hannibal Nijlpaard. ‘Waar is papa? Waar is mama?’ Ik hoorde het zijn stem nog steeds zeggen en dan voelde ik een pijn zonder dat ik ergens pijn had. De afleveringen eindigden altijd met hetzelfde liedje. Soms is ie ongelukkig, ontzettend ongelukkig, soms is ie ongelukkig, dan sterft ie van verdriet. Sterven was net zoiets als doodgaan. Mijn moeder keek verdrietig.
‘Ik weet het niet,’ zei ze, ‘misschien wel, maar ik heb daarnet het houten Mariabeeldje, dat thuis onderaan de trap stond weet je wel, ik heb het in de ziekenhuiskapel neergezet, dus wat er ook gebeurt, zij zal er altijd zijn om over je te waken. Onder haar vleugels ben je veilig, denk daar maar aan.’
Ik deed mijn best daaraan te denken. Mijn moeder pakte een laag tafeltje dat ze over mijn benen plaatste. Daarna zocht ze de kleurplaat van de hond met de vlinderstrik en trok ze het elastiekje van de kleurpotloden. Samen kleurden we de plaat in. Ze leerde me hoe ik binnen de lijntjes kon blijven. Ik had nog nooit zo netjes gekleurd.
‘Ik moet plassen,’ zei ik, toen we bijna klaar waren. ‘Ik moet al heel lang plassen.’
‘Wacht maar even,’ zei mijn moeder, ‘dan zal ik een urinaal vragen aan de zuster.’
Ze liep de kamer uit en botste in de deuropening bijna tegen een andere zuster aan die ik nog niet eerder had gezien.
‘Welke groente lust jij vanavond bij je kip en aardappelen, jongeman?’ vroeg de zuster. ‘Spruitjes of spinazie?’
Ik twijfelde tussen geen van beide en probeerde me een voorstelling te maken van een urinaal.

 

Chapbooks

Een belangrijke stap in de talentontwikkeltrajecten voor schrijvers die De Nieuwe Oost | Wintertuin biedt is het maken van een chapbook. Een chapbook is te vergelijken met wat een ep is voor een muzikant: een visitekaartje, een eerste proeve van het kunnen van de maker. Het is een kleine uitgave die de opmaat vormt voor een contract bij een landelijke uitgever. Daarnaast wordt het chapbook ingezet om de schrijver onder de aandacht te brengen van programmeurs en andere literaire professionals. Klik door naar de webshop voor alle reeds verschenen chapbooks.

Gerjon Gijsbers schrijft proza. Hij trad op tijdens onder andere de Zwarte Cross, Mañana Mañana en Lowlands. Gerjon schreef voor Propria Cures en HP/De Tijd. In 2015 verscheen een selectie van zijn radiocolumns onder de titel Ik keek naar boven en had geen idee bij Uitgeverij Fagus. In 2014 verscheen zijn chapbook Aan gort, dat bestaat uit drie verhalen over Luctor, een dwalende ziel op zoek naar werk, liefde en de zin van het leven, maar in eerste instantie naar een douchegordijn. Het complete verhaal over Luctor verscheen dit najaar in boekvorm onder de titel Scheuren in het canvas bij Uitgeverij Fagus. Samen met Marc van der Holst en Koen Frijns speelde hij daarnaast in de voorstelling Fata Nirvana, een punkdocumentaire op het podium. Gerjon geeft les aan ouderen in Het Verhalenhuis en werkt aan een roman over de katholieke beweging Focolare. Gerjon zit in een talentontwikkeltraject van De Nieuwe Oost | Wintertuin. (Foto door Gaby Jongenelen.)