Restmens

Marjolein Visser - 25 februari 2020

Restmens is een debuutroman over uiterlijke schijn en slachtoffercultuur, de roman verschijnt eind maart. Lees nu vast een voorproefje!

Als er een robot zou worden gemaakt met een perfect redenerend brein, dan zou die een deel van de mensen uitroeien. Er zijn nu eenmaal mensen van wie het simpelweg niet logisch is dat ze leven. Ze zijn stelselmatig ongelukkig, maken hun omgeving ongelukkig en het steeds weer halen van het einde van de dag kost ze te veel moeite.

Ik zou ongetwijfeld zelf bij deze selectie zitten, zoals ook veel andere bewoners hier en vermoedelijk ook sommige medewerkers. Een van de eersten die door de robot een corrigerende tik richting de rand zou krijgen, is zonder twijfel Anneke. Iemand die zegt dat anderen over haar zeggen dat ze een engel is, is het leven niet waard. Een engel die je tijd doodt met irritaties over haar hersendodende vrijwilligersactiviteiten. Iemand die haar enkele volger volgt en elke dag haar vagina insmeert om haar droge kut meer bij haar lichaam te betrekken.
           ‘Ik doe het graag,’ zegt Anneke aan de andere kant van de lijn. Ik kijk naar het briefje aan mijn moeder dat ik in mijn koude rechterhand vasthoud.
           ‘Aan jou lag het niet,’ staat er. En daaronder heel veel witregels.
           Of lag het toch een beetje aan haar?
           ‘Ik ben eigenlijk nog even bezig,’ zeg ik. Ik leg mijn pen neer en probeer de steken in mijn hand te verzachten door mijn handen elkaar te laten schudden. Eerst zacht en dan met knijpen.
           Anneke zegt dat we met z’n allen tot de wekelijkse wandelingen besloten hebben.
‘Dat weet je best.’
           Ik druk haar weg en kijk in mijn oproepgeschiedenis. Behalve de verzekeringsmaatschappij die nogmaals belde, zijn er de afgelopen maand slechts gemiste oproepen van Anneke en Katinka, van de scriptiestudent, de psycholoog en mijn moeder. Eefje kwijt zijn was draaglijker geweest als er niet steeds vrouwen om me heen waren die me aan haar herinnerden door anders te zijn dan zij. Ik mis haar in alle vrouwen.

‘Bijna te laat,’ zegt Anneke als ik kom aanrollen. Het is haar vaste openingszin, alsof dat het wachtwoord is om te mogen deelnemen aan ons geheim genootschap. Even zit ze aan haar grijzende paardenstaart en doet haar rugzakje goed.
           Ik knik. Anneke pakt mijn handvatten vast en terwijl ze me langs de vijver voor het zorgcentrum rolt, begint ze over hoe ze bij Katinka is gaan klagen over de uren die zij officieel aan de Zorgmarkt moet besteden op de Nationale Patiëntendag. Dat het haar zelf op zich niet veel uitmaakt – met haar rug kan ze sowieso niet lang in een kraam staan en ze kunnen het haar dus überhaupt niet vragen – maar dat bijna alle vrijwilligers het zeggen. Dat het in zijn geheel onethisch is: vier uur onbetaald oliebollen bakken. Dat ze van veel mensen hoort dat ze zich niet gezien voelen. Dat iedereen zich überhaupt zorgen maakt over de gezondheidszorg op dit moment. Dat ze dit tegen Katinka heeft gezegd en dat die het moeilijk vond om te horen, maar dat eyeopeners altijd een beetje pijn doen. Dat heeft ze ook tegen Katinka gezegd. Anneke is een vrouw die als ze op een familieweekend een huurfiets krijgt zonder bel – ook al verdient ze de beste huurfiets, ze heeft immers haar rug – ‘tring tring’ roept naar tegenliggers.
           En dan zegt ze het: ‘Nog even over zondag. We hebben het besproken en besloten je weigering te weigeren.’ Anneke lacht: ‘Veertig worden we maar één keer. Hier vieren wij de dingen.’ Ze gaat voor mijn rolstoel staan, kijkt me indringend aan en knipoogt. ‘Van het huis.’ Ik krijg het warm. Het begint te steken in mijn handen en ik voel een versneld getik in mijn borstkas. Sinds mijn ongeluk gebeurt dat minstens één keer per dag, maar toch schrik ik iedere keer weer.
           ‘Wij doen het taartje en de groepsfoto.’ En dan knijpt ze haar ogen samen. ‘En nog belangrijker: wij komen. Jij hoeft alleen maar wat mensen te bellen. Je moeder en Eefje heb ik vandaag al even een bericht gestuurd.’
           Eefje.
           En dan begint mijn hart ontembaar hard te bonzen.
           ‘Ik zie je sowieso van tevoren nog even. Woensdag haal ik je op voor het vrijwilligersdiner en zaterdag voor handvaardigheid,’ zegt Anneke terwijl ze me afzet voor mijn aanleunwoning.
           Ik voel de stekende pijn door mijn handen naar mijn armen razen en daarna zachtjes knijpen in mijn nek. Dan verandert het geknijp in geduw. Ik begin met diep ademhalen maar nog niet halverwege stokt mijn adem al en slaat me in mijn gezicht.
           ‘Denk er niet over om terug te komen,’ zou ik haar willen toebijten. Ik zie voor me hoe Anneke zou stoppen met het overhevelen van sultana’s van mijn rolstoelzak naar haar rugzakje en een tijdje naar beneden zou kijken. ‘Je wilt het wel,’ zou ze zacht zeggen terwijl achter haar de vogels gaan fluiten en ik weer energie in mijn lichaam krijg. ‘Jíj wilt het,’ zou ik antwoorden, ‘dat is heel iets anders.’ Anneke zou me aankijken als een peuter die uit zijn moeders blik probeert op te maken of een val huilwaardig is. En dan, fantaseer ik, begint ze oorverdovend te huilen. Terwijl ze de sultana’s in haar rugzakje laat zakken, snikt ze: ‘Ik doe zo mijn best.’ Ik zou rustig knikken. ‘Ik ben een klootzak.’

En dat is ook zo. Ik ben een klootzak. Ik was het altijd al. Ik kan best, zoals zoveel mensen die onverwachts een wrak zijn, ongericht vriendelijk gaan doen omdat ik de kracht niet meer heb om een lul te zijn, maar dat vind ik hypocriet. ‘Wij zijn familie David,’ zou Anneke zeggen. ‘Ook al is dit mijn werk – ik word er dan wel niet voor betaald, maar het is toch werk – ik voel me als je naaste.’ En daar heeft Anneke gelijk in. Als er maar lang genoeg amper wat aan je werkt, worden getrainde professionals naasten en naasten getrainde professionals. ‘En toch moet je optiefen,’ zou ik beheerst willen zeggen. ‘Rot op.’

Een van de vrijwilligers zwaait naar ons. ‘Dankjewel en tot woensdag,’ prevel ik. Ik klop op Annekes hand. Dat doet pijn. Alles doet altijd pijn.
           Anneke knikt en loopt dan weg op haar tenen, met haar rugzakje evenwichtig door beide schouders gedragen.
           Ik kijk naar de vijver, naar de lisdodden eromheen en naar mijn grijze aanleunwoning aan het eind van een van de lanen van het zorgcentrum. De tachtig aanleunwoningen zijn allemaal identiek, of op z’n minst gespiegeld. Ze staan in cirkels om de grote entreehal met balie heen, als ramptoeristen om een ongeluk. De aanleunwoningen hebben een schuin grijs dak en een voorpaadje met grind, alsook een achterdeur die je via gangen bereiken kunt.
           Nergens een lekker wijf te bekennen.
           Dan zie ik de vrijwilligers het baliekantoortje in trekken voor een lange koffiezit. Ik rol een tijdje heen en weer over het trottoir, voel mijn handen steken en mijn adem stokken. Ik span mijn handen om mijn wielen, waardoor het gesteek zich uitbreidt richting ellebogen, romp. Vandaaraf steekt de pijn verder naar beneden, naar een ver en eindeloos ‘onder’, dat al lang niet meer bij mijn lichaam hoort, net zomin als ik.
           Ik draai mijn rolstoel. Voor me ligt nu de vijver, in de vorm van een zwaan met daaromheen de rij lisdodden.

En dan geef ik een hengst aan mijn wielen. Alles begint te draaien. Alles behalve ik. Nooit meer muren van rook. Nooit meer deuren die niet opengaan. Nooit meer deuren die ontbreken, die opgaan in muren van vlammen. Nooit meer niemand. Mijn stoel glijdt als vanzelf naar beneden over het gras, richting het diepe water. Hard. Dan ineens voel ik dat ik rem.

En zweet.

 


Benieuwd naar meer van Restmens? We namen ook nog een voordracht van Marjolein op:

 

Pim beseft steeds meer dat hij anders is. Zijn innerlijke spanning komt tot een uitbarsting wanneer zijn ouders hem voorbereiden op uit huis plaatsing. Bij de denkbeeldige luisteraars van radio PIM FM lucht hij zijn hart.
De talentvolle socioloog David is na een brand blijvend invalide geraakt. Hij wordt omringd door hulpverleners die hem aanmoedigen een feest te organiseren voor zijn veertigste verjaardag.
In Restmens vertelt Marjolein Visser het indringende en tragikomische verhaal van Pim en David. In hoeverre is er plaats voor hen in een samenleving die gericht is op uiterlijke schijn? En zijn sommige levens minder waard dan andere?

Restmens is de debuutroman van schrijver Marjolein Visser. De roman verscheen maart 2020 bij Uitgeverij Podium en is verkrijgbaar bij je lokale boekwinkel, zowel offline als online.

Marjolein Visser schrijft proza en non-fictie. Ze studeerde Klinische Psychologie en Culturele Antropologie en Ontwikkelingsstudies. Marjolein won verschillende schrijfwedstrijden, waaronder Writing for Success, Write Now! en de VPRO Bagagedrager. Ze deed onderzoek voor verschillende hulpinstellingen en ministeries, is oprichter van de Schrijfwerkplaats voor Nieuwkomers en werkte hierin met asielzoekers aan het boek Geen Plaats voor Steen. Momenteel schrijft ze een ervaringenboek voor en over terminale patiënten met een hersentumor. Marjolein werd in 2016 geselecteerd voor het Slow Writing Lab, waarvoor ze uitgezette asielzoekers achterna reisde. Een literair verslag van deze reis verscheen in de VPRO Gids en werd in 2018 gepubliceerd door Wintertuin Uitgeverij onder de titel Chacun sa chance. Het verhaal van een reis. Mede voor dit werk ontving ze in september 2018 de PAX Duif, van de Pax Vredesorganisatie. Haar tragikomische debuutroman Restmens, over leven zonder volgers, verscheen in maart 2020 bij Uitgeverij Podium. De roman werd lovend ontvangen en door Psychologie Magazine benoemd tot één van de vijf beste boeken van afgelopen jaar.