Rennen voor Farida

Merle Findhammer - 25 januari 2021

Rennen voor Farida

In een van mijn boeken staat een verhaal, een volkssprookje. Over een reus die van verdriet zo lang in de zee geknield zit dat de natuur op zijn rug klimt, zijn huid verdroogt en de mensen op zijn hoofd gaan wonen. En dan is hij plots een eiland en weet niemand meer waar de reus gebleven is. Niemand vraagt waarom hij niet wegloopt—het is overduidelijk. Niemand trekt hem de zee uit.
De mensen willen ook niet meer dat hij wegloopt. Hun huizen staan bovenop hem. Er leven herten en egels en wilde zwijnen in zijn bossen, in de zomer bloeien de klaprozen zijn huid uit.
In je haar ruik ik de klaprozen als je me omarmt. Jij ziet ze waarschijnlijk elke dag, de herten en egels.
Van achter mijn raam zie ik ze ook. Af en toe strijkt er zonlicht langs mijn wang. Soms klinken er verre buren door de muren heen. Het duurt nooit lang voor mijn blik weer terug dwaalt. En ik ben er weer.

Binnen is het zacht. Een blauw kleed als de lucht van buiten, door jarenlang gebruik bewolkt geraakt. Een glimmende houten vloer die piept en kraakt. Matte groeven in de lak. Een tafel met een houten blad. Stoelpoten eronder, flarden tafelkleed van katoen.
Mijn boeken, overal, in stapels langs de plinten.
Een half muurtje richting de keuken—een rudimentair orgaan uit het leven van een vorige bewoner. Mijn huis is een walvis, denk ik soms. Hier en daar nog wat nutteloze botten.
Bij storm kreunen de scharnieren van de deur, klappert het glas tegen de kozijnen, verzandt de armzalige tegeltuin in modder en water. Bij wind is het huis een spook dat zich in alle holtes nestelt en zingt. Bij niks is het een eiland, stilletjes.
Ik kom hier nooit meer weg, denk ik soms.

Soms probeer ik het, als jij er niet bent. Mijn ene hand op de tafel, mijn andere op het kookeiland, mijn voeten in de zee ertussenin. Als een mishandelde balletdanser tijdens een barre-oefening duw ik me dan omhoog, mijn tenen slepend over de vloer. In het begin schommel ik nog. Maar dan hang ik alleen maar. Even waan ik me een turner die er simpelweg voor kiest om in het moment haar benen slap te houden. Die elk moment de afsprong kan wagen, maar nog even geniet van het moment waarin ze gewichtloos is. Dan worden mijn armen moe. Voorzichtig zak ik terug de zee in.
Af en toe ligt de zee onder jou. Til je me op, een beetje. Dan hang ik in jouw omhelzing, kan ik mezelf niet meer overeind houden behalve aan jou. Ik voel me licht, want je lacht naar me, met die ogen. En ik voel me zwaar, want ik ben doodmoe.

Je tarotkaarten krijgen rafelige randen, ik zie het karton onder je vingers wegsijpelen wanneer je mijn kaarten legt. Jij zegt altijd: de Wereld en de Dwaas verschillen heus niet zoveel van elkaar: de een is het begin van een reis, de ander het eindpunt. Het is hetgeen van binnen dat in verband staat met alles van buiten.
Ik geloof niet echt in tarot, maar ik kan me er niet van losweken, van de Wereld en de Dwaas, als ik denderend door de straten ren, heuvels op en af en alles in een waas langs me heen suist, dan kan ik niet meer ophouden, vlieg ik maar door, de grond klettert tegen mijn voetzolen aan. ’s Avonds zie ik de straten verschemeren en lichten de ramen op doordat de lucht die als enige nog licht geeft erin weerspiegelt, en dan wordt de aarde donker maar de hemel nog niet, dan komen de mensen thuis en bladdert hun werkleven dankbaar van hen af. En dan zie ik dat alles gebeuren, weerspiegelen in de gezichten van de mensen in hun jassen met ferme pas vooruit, op weg naar de nog niet door gordijnen verborgen binnenlevens, verscholen in de huizen die ik passeer, dan drijven er geuren naar buiten, gaat ergens een lichtje aan, klinkt een kinderlach, net buiten bereik, een zweem van levens achter gevels. Ik herken het wel maar begrijp het niet, glimlach een beetje dwaas en dan ligt het alweer achter me, of ik hoor iemand gillen, ergens in een huis en dan vraag ik me af of ik moet stoppen, moet helpen, iemand moet bellen misschien, maar ik weet niet meer waar het vandaan kwam, ik zou het niet meer terug kunnen vinden al zou ik het willen, ik zou niet meer kunnen, alles is mijlenver weg, en ik ren maar door.
Als ik niet meer kan, en buiten, adem, eindelijk, terug naar huis ren, hijgend en puffend voor de deur sta, dan lach je naar me op een manier die ik niet begrijp, dan vraag je hoe ver ik ben gegaan vandaag. Of het koud was. Waar de wereld naar rook. Wat ze deden, de mensen van buiten.
Dan vertel ik—dat probeer ik althans, want het is moeilijk dingen te onthouden als alles wazig is—dat ik de stromen van mensen zag, en de lucht, de warmte voelde in mijn benen, terwijl ze me voortploegden door steen en stof en zand, dat ik me er doorheen wurmde, me met zweet en spierpijn tegen de stroom in worstelde om maar niet te verglijden in een leven waar ik niet van een afstandje naar kan kijken.
Net als David Foster Wallace, zei jij eens, net als het water. Ik begreep het niet. Je legde uit: er zwemmen twee vissen in het water, en dan komt er een oudere vis langs, zegt: ‘Morning boys, how’s the water?’ De twee vissen kijken elkaar aan, en dan zegt de een: ‘What the hell is water?’
Je had gelijk, ik zie het water als ik ren. En steeds vraag ik me af of je er niet ook naar verlangt, of je het niet ook wil zien, het water. Want je snuift mijn hete adem op, hangt hongerig aan mijn lippen, kijkt over mijn schouder naar de wereld waar ik uit kom gevallen.
Jouw benen rennen niet, dat weet ik wel. Maar jouw kluizenaarsleven had je ook al voor die benen stopten met functioneren. Toen kenden wij elkaar nog niet. Je kwam het huis niet uit, mensen trokken aan je, vonden: ga nou mee, dat zal je goed doen! Maar je wist dat het jou geen goed zou doen, dat zei je me, jou niet—mensen schreeuwden en schopten, rouwden om jou, om je het huis uit te krijgen, je naar buiten, terug de wereld in te lokken. Maar je hoefde niet.
Misschien verlang je naar wat ik uit die wereld mee terugbreng, in plaats van naar de wereld zelf. Ik weet het niet, begrijp het niet, maar ik weet wel dat ik er hartstochtelijk van houd, van dat moment dat ik binnen knal en jij er bent en me naar de dingen vraagt. Het is het kostbaarste wat ik bezit, dat moment.

Jij kijkt op een bepaalde manier als je terugkomt. Zoals altijd stoomt de wereld van je wangen af. Stroomt de wereld met al haar kleur en kou en geluid de hal in. Ik wil de deur dichtdoen, maar ik haper. Hangend in mijn botten. Een hand tegen de muur. Je ogen zijn schichtig en wild als die van een dier.
Wat? zeg ik. Jouw blik weerspiegelt in de mijne. Maar jij schudt je hoofd. Glimlacht, blijft maar naar me kijken. Dat doe je altijd de eerste paar seconden.
Was het koud? zeg ik.
Mistig was het, zeg jij dan, damp in de lucht. Maar het was fijn.
Fijn! zeg ik. Ik meen het.

Vandaag trok ik de Toren. Een plotselinge verandering, een donderslag bij heldere hemel. Maar er verandert nooit wat.
Alleen jij. Jij bent gelukkig. Woest. Dan huil je, of lach je klaterend—heel plotseling allemaal. Ik weet nooit goed wat ik ermee moet. En je verlangt naar zoveel. Soms ben je onrustig. Kolkt er iets van binnen. Je woelt de hele nacht. En ik voel jouw blik langs me strijken. Terugvallen op de deur, op de ramen, de buitenwereld. Ik probeer het te begrijpen, echt waar. Maar het is moeilijk.
De ochtend erna zeg je: er zit iets in mijn hoofd, een geluid.
Is het iemand? Heb je iemand ontmoet? Iemand van buiten, die nu in je hoofd verankert zit, daar rond echoot?
Ik vraag me af of je me verlaat. Ik zeg het niet, dat ik dat soms denk, het is niet eens waar. Weet ik wel.
Want jij zegt altijd: de mensen van buiten zijn wazig, ik ren te hard om ze te zien, en ik kan niet zachter, dan klopt het ritme niet.
Mijn ritme bestaat alleen uit jou. Als je weggaat. En dan verstrijkt er tijd. En dan weer, als je terugkomt.

Soms probeer ik het, als jij er niet bent. Ver gaan, net als jij. Ik tijger mezelf de vloer over, ga op mijn rug liggen. Leg mijn armen onder mijn hoofd. Precies zo dat ze langzaam beginnen te tintelen, langzaam hun gevoel verliezen. Mijn armen worden twee stukken dood vlees.
Ik doe mijn ogen dicht. Ik houd mijn adem in. Ik blijf zo stil mogelijk liggen.
En ineens is om me heen de zee, groeit in mij het bos, voel ik de dieren lopen, ruik ik de klaproos.

Maar de deur slaat open, en jij bent het maar, als je thuiskomt, die avond, je brengt de geur mee. Rond gewonemensentijd. Half zeven zo’n beetje. Ik moet erom lachen. Met brandende armen kom ik overeind.
Je lacht met me mee als je binnenkomt. Ik voel je kus tegen mijn huid.
Idioot, zeg ik. Meer tegen mezelf. Ik lach nog wat. Maar dan sla ik mijn armen om je heen, zo stevig, en wil ik dat je nooit meer wegrent. Ik weet dat je moet, maar ik zeg niets. Laat mezelf verdrinken in de gedachte dat we voor eeuwig zo kunnen blijven bestaan. We roesten weg. Zoals mijn benen. Zoals de randen van mijn tarot. Zoals de mensen van buiten, die in een waas verdwijnen.
Ik weet dat je moet, ik weet het wel.

Eens rende ik zo ver dat ik de dijk over ging—ik ben zo goed in rennen dat ik altijd ver ga, zoals jij zegt, dat ik honderden duizenden mijlenveel meters maak, dat ik door de straten van de stad ren en door de straten van de buitenwijken en als ik dan nog niet genoeg heb de straten uit door het gras, ik heb nooit genoeg.
Op de dijk kolkt het water anders, begrijp je, de realiteit komt in vlagen en door dat alles heen drong die ene keer ineens een geluid door, een monotone tromslag die me van mijn stuk bracht, ergens van beneden aan de dijk, en daar stond een figuur met een trom zo groot als zijn borst, op blote voeten, zijn slag galmde over de weilanden heen. Er was in geen velden of wegen iemand te bekennen. Ik vond het vreemd, eerst, hoe hij daar heen en weer ijsbeerde, heen en weer, en dan alsmaar die eentonige paukenslag—misschien was hij niet goed bij zijn hoofd, dacht ik nog, hij bleef maar slaan—slaan—almaar slaan—en dat geluid vergroeide als een martelende mantra met mijn gedachten, almaar die trom—eeuwig—en eeuwig—en ik rende verder, verward.
Ik heb het wel eens aan je verteld, maar dat weet je vast niet meer. Je zei toen: net zoals bij Ursula Le Guin, net zoals het kind van Omelas. Misschien trommelt hij de wereld heel. Misschien mag hij niet stoppen, of de wereld houdt op te bestaan.
Er zat een lach in je mondhoek toen, ik weet niet waarom ik dat nog weet. Ik vraag me soms af of jij de wereld bent en ik de trommelaar. En wie er eerst was.
Want ik ren zo hard, altijd maar verder en verder jouw benen voorbij, jouw benen stopten en ik ren ons maar heel, terwijl het niks met ons te maken heeft, toch? Want ik ren gewoon langs ons heen, vergeven, niets meer dan een parallel—
Ik wil het niet zeggen, maar soms wil ik dat je binnen blijft zodat jouw ogen fonkelen als je me ziet. Het is egoïstisch, weet ik wel. Maar is het egoïstisch om me in jouw blik groter te voelen, te willen voelen dan ik ben, om mezelf te vinden in hoe jij naar me kijkt, in plaats van mezelf te verliezen in de waas van buiten? Ik blijf maar rennen, want ik verlang naar jouw fonkelende ogen als ik terugkom.
Misschien ben ik de wereld en jij de trommelaar.

Terwijl ik ren, zie ik hoe mensen vergeten dat ze net als ik zijn, vergeten dat ze een lichaam hebben, een fysiek lichaam dat zweet en pompt en hijgt en piepend en schurend uit weefsel en vocht bestaat, en als ze zoiets dan ineens voorbij zien komen vragen ze zich af of het wel echt is, of het wel bestaat, of ze misschien een geest zien, kunnen ze niet begrijpen dat zij dat ook zijn, dat zwetende lichaam, omhuld door kleding die niet klopt, dat zij ook in zo’n lichaam zitten. Ik weet niet of jouw lichaam ook niet klopt, Farida, of jouw lichaam ook zweet en tiert en stormt. Soms weet ik het niet zeker.
Terwijl ik ren, kom ik anderen tegen, hardlopers, maar soms ook renners zoals ik. Die herken ik meteen: ze rennen niet voor de lol, maar omdat ze simpelweg niet anders kunnen, het zijn degenen die ooit zijn begonnen toen ze nog ergens in een leven pasten, met kleding die voor dat leven gemaakt was, en toen langzaam in dat andere bestaan vergleden, dat van die tussenwereld, waarin alles wazig en zweterig is en voorbij flitst, en dan wordt kleding ineens een soort fossiel dat zich rond hun enkels en heupen slingert, maar er eigenlijk niet meer bij hoort—alsof ze zijn ontstaan uit iets anders, en er nu hier en daar nog iets van vroeger aan ze trekt.

Toen ik die dag wegrende, voelde het alsof er iets van vroeger aan me trok, terwijl het nog niet bestond, ik voelde het gewicht van mijn kleding aan mijn schouders hangen, langs me heen wapperen, ik voelde het zweet in mijn ogen prikken, de wind in mijn gezicht slaan. Ik voelde me voor het eerst doodmoe.
Sorry dat ik je niet alles verteld heb.
Want een keer, veel later, ben ik teruggegaan naar de dijk. Ik kreeg hem niet uit mijn hoofd, de trommelaar, ’s nachts weergalmde de trom in mijn oor, ik sliep er niet meer van, er zat een gedachte in mijn hoofd—ik kon niet ophouden me af te vragen of hij er nog stond, de trommelaar, of je gelijk had, of hij een keus had.
Ik dacht aan die vervloekte trom, hoorde hem al bijna, het geluid, of de herinnering daaraan, dat als een soort fata morgana mijn hoofd binnendrong, en dan dat bonken in mijn achterhoofd, een soort schokkende hoofdpijn, en toen dacht ik opeens: de trommelaar zit in mij, maar het was mijn hartslag maar, en de wereld die tegen mijn voeten aan sloeg bij elke pas, en toen torende opeens die dijk boven me uit alsof het einde van de wereld erachter lag, en vielen ineens, alsof mijn lichaam zich tegen mezelf beschermde, mijn voeten uit hun ritme.
En ik stond stil, verrast.
Ik keek naar de dijk.
En ik dacht: wat als hij er niet is?
En ik draaide me om. Bracht piepend en hijgend mijn benen in beweging, en ik rende terug naar huis, naar jou.

Een keer vroeg je me of ik echt niet naar buiten wilde. Ik weet het nog. Je bent het vast vergeten. Geeft niet.
Ik glimlachte alleen maar. Want ik wist het ook niet. Ik dacht: nee. Maar ik zei toch niets.

Soms probeer ik het, als jij er niet bent. Naar buiten. Dan doe ik een toneelstukje. Ik kam mijn haar. Was mijn gezicht, poets mijn tanden. Ik trek mijn winterjas aan—die heb ik nog steeds. Ik ontgrendel de deur. En dan wurm ik mijn voeten mijn schoenen in, duw mijn huid het stugge leer in, strik de veters totdat ze niet strakker kunnen. Vaak vergeet ik dat ik niets voel. Dan blijf ik maar strikken, totdat ik me besef dat ze nooit strak genoeg zullen zitten. De huid boven mijn schoenen wordt rood en dik. Mijn vingertoppen voelen hitte als ik erlangs strijk.
Ik hijs mezelf omhoog, aan de deurklink. Werp een blik op mezelf in de spiegel in de hal. Vanuit een reuzenperspectief kijk ik op mijn lange lichaam neer. Het doet of het staat. Het lijkt best een beetje. Ik voel de spieren in mijn armen branden, zie in de spiegel hoe mijn handen op de klink trillen van spanning. Mijn blik schampt langs mijn blik. Snel kijk ik weer naar mijn voeten.
Even nog overweeg ik het. Een tergend trage seconde verglijdt.
Dan laat ik mezelf zakken. Terug omlaag. Op de grond voor de voordeur adem ik uit. Ik gooi mijn jas van me af, en trek mijn schoenen uit. Op mijn wreef is mijn huid paarsblauw. Dan kleurt hij weer wit.

Ik weet dat je het niet leuk vindt. Ik zie hoe je kijkt als je mijn schoenen in de hal ziet staan. Ik voel dat je verdriet hebt, ergens. Alsof je iets weet wat ik je niet heb verteld.
Sorry dat ik je niet alles heb verteld.

Want een keer was het anders. In eerste instantie had ik het niet door. Maar het licht veranderde in de kamer. Er leek plots allemaal stof in de lucht te zweven. Tastbaar. Fysiek, haast. Mijn adem droop stroperig mijn borstkas in. Ergens in de verte klonk een geluid dat ik niet kon thuisbrengen. Schemerdonker.

En toen was er plots die pijn. Als een brandende plaat onder mijn voetzool. Ik keek geschokt omlaag naar mijn benen. Maar ze lagen daar maar. Terwijl mijn voeten uit hun vel leken te branden. De tranen sprongen in mijn ogen. Van allesverzengende pijn—van angst. Ik geloof dat ik kreunde. Een oud reflex flitste als een spookachtige herinnering door mijn zenuwen heen. Liep dood. Mijn benen waren even bewegingsloos als altijd. Toen ik met mijn vingers mijn voetzolen aanraakte, voelde ik een ijskoude siddering over mijn rug. Er leek kolkende lava uit mijn vingertoppen te vloeien bij elke aanraking.

Ineens, alsof er ergens een licht aanging, leek het of er niets gebeurd was. De pijn was weg. De lucht was lucht. De kamer baadde in een waterig zonlicht.
Maar ik snakte naar adem, trilde over mijn hele lichaam. Mijn benen trilden niet.

Van achter het raam kijk ik naar jou, die avond, en ik weet niet wat ik moet. Er zit een dichte angst in mijn borst. Kluwen verwarring. Alles is veranderd, niets is veranderd. Even schiet er door mijn hoofd: misschien gaat de deur niet meer open.
Maar de deur slaat open. Een golf van beweging en kou drijft me tegemoet.
Hoi, zeg ik.
Jij zegt: ik ben er weer.
Ik begraaf mijn gezicht snel in je jas.
Ik zie ons zitten, daar, op de vloer. Ik weet niet waarom, maar ik kijk vanaf een afstandje naar jou, en naar mij. En ik zie dat er nog iemand in die omhelzing is. Een dood iemand, onder mij. Een lijk dat aan mij vastzit. Een gewicht dat ik al een leven lang met me meezeul. Waar ik nooit van afkom en wat nooit van mij is.
Ik zie het liggen, daar onder ons, op de vloer. Ik heb het lang verzwegen, dat er nog iemand bestaat, iemand met spieren en botten en bloed, pezen en zenuwen. Ik heb het ontkend totdat ik vergat dat het van mij was, dat ik het was. Een leven lang al doe ik alsof ik half ben.
Tranen springen in mijn ogen. Ze verdwijnen stilletjes jouw jas in. De geur van stof, zweet en een restje parfum dringt mijn neus in. Je ruikt zoals altijd. Niets is veranderd.
Ik wil allemaal dingen zeggen, maar er komt niks.
Ik kijk langs ons heen, naar de kamer. En dan zie ik water onder de deur door stromen. De ramen van de kamer vertroebelen. Ik hoor het geluid van buiten kolkend aanzwellen, verstommen en tegelijkertijd overal vandaan komen. De houten vloer kleurt donker, het kleed wordt weer diepblauw, de zee stroomt mijn broekspijpen in, druipt langs de kozijnen het huis in.
Ik zie hoe de kamer langzaam doordrenkt raakt, hoe het water mijn benen losweekt van de vloer. En ineens drijf ik op het oppervlak, jouw armen uit, en ik voel me verdrietig en blij, zachtjes wieg ik met de stroom mee, en ik drijf weg.

 


Bekijk ook de essayreeks van Martijn van Koolwijk, die Merle Findhammer van illustraties voorzag.

Merle Findhammer ontwerpt, illustreert, zingt en schrijft, en studeert dit jaar af aan Graphic Design te ArtEZ, Arnhem. Daarnaast maakt ze autonoom, persoonlijk werk dat zich voornamelijk kenmerkt door het verbeelden van abstracte, persoonlijke verhalen middels visueel en auditief onderzoek en interdisciplinaire werkwijzen. In 2020 liep ze bij De Nieuwe Oost | Wintertuin stage als productie- en ontwerpstagiair.