Kindeke van Boeddha

Daan de Jager - 28 september 2020

Komende maand lees je hier werk van studenten Woordkunst aan het Koninklijke Conservatorium Antwerpen | AP School of Arts

Het stroomt, naar beneden, langs de linker lies, maakt een bocht om de enkel, om dan te vertakken in een paar groeven op mijn voet en uit te monden op een hemelsblauw Tibetaans tapijt. Ik heb in mijn broek geplast.
Je mediteert drie keer per dag een half uur. Mediteren betekent je focussen op je ademhaling, tijdens dit half uur zit je stil en beweeg je niet. Je begeeft je naar een mentale tempel, een leegte, en vertoeft daar om de ruimte in de drukte van het leven te kunnen ervaren, zoals je altijd zei.
Dat schrijft de vrouw die zich mijn dochter noemt in Dit ben jij. Een ordner versierd met plaksteentjes en afbeeldingen van een ouder wordende man, die ik was of ben. Rondom een vergrijzende snor tekenen zich steeds meer rimpels af. In insteekhoezen zitten foto’s en antwoorden: overdag was je kernfysicus, ‘s avonds yogaleraar. Je lust graag andijvie zonder spekjes. Je bent dementerend. Dat is niet erg. Op elke pagina staat haar dikgedrukte rode nummer om te bellen in geval van nood. Ik heb haar nu gebeld om me te verschonen. De laatste keer kreeg ik een erectie. ‘Papa, ik ben je dochter, hè.’ Sorry.
Ik wacht nu op de geribde bank. Ze is overtrokken met een zeil, zodat ik haar niet bevlek. Vier kinderen staren me aan vanuit een houten lijstje. Ze lachen met open monden, missen tanden. Er zit een stickertje op de achterkant: dit zijn je kleinkinderen.

De bel, een gong met een ruis. Ik schuifel naar de deur, zet mijn benen wijd om niet om te vallen.
Geen vrouw te bekennen. Aan het einde van het pad staat een jongetje. Hij draagt een roze prinsessenjurk met glittertjes tot net over zijn knieën en blauwe kaplaarzen passend bij zijn ogen. Naast hem staat een grote gouden hutkoffer.
Het jongetje gooit de koffer naar me toe, die precies voor mijn voeten landt. Hij knipoogt. Dan springt hij over de tegels, die als losse puzzelstukjes door de tuin verspreid liggen, op zoek naar de juiste verbinding. Zijn laarsjes laten scheetjes. Hij schatert, pakt een stuk mos van tussen twee tegels en drukt het tegen zijn lippen als snor. Het jongetje marcheert als de tambour-maître van een fanfare, zijn laarsjes spelen de sousafoon. Ik steek mijn hand naar hem uit, maar hij laat haar in de lucht hangen. ‘Aangenaam. Daar ben ik dan,’ zegt hij parmantig en hij kruist zijn linker laarsje achter zijn rechter, tilt zijn jurkje op en maakt een diepe buiging. Zijn engelblonde haren zijn in een strakke scheiding getrokken. ‘Het is tijd.’ Zijn stem klinkt wat oud voor een jongetje.
Mijn gespreide benen gebruikt hij als poortje om binnen te komen. Hij ploft neer op de mat, zijn jurkje bolt op als een roze wolk. ‘Kunt u even mijn laarsjes uittrekken?’ Zijn voeten zitten onder de blaren. Voor het kralengordijn, waar felgekleurde kralen zich samenvoegen tot een Boeddha, blijft hij staan, verdwijnt dan in Boeddha’s buik. ‘Neemt u even de koffer mee?’

Met zijn vingers opent hij de gouden sloten van de koffer, zegt ‘klik!’ omdat ze dat zelf niet doen. Uit de koffer stijgt een geur op van vroeger: Zwitsal en wierook.
Het jongetje haalt gouden behangrollen tevoorschijn, die hij vanaf het midden van de muur naar beneden laat zakken als een soort lambrisering. Een gouden zeil waarop hennakleurige Boeddha’s zijn afgedrukt. ‘Mag ik even?’ Hij klimt via mijn rug op mijn schouders en zo schuifelen we langs de muren de kamer rond. We zijn samen precies lang genoeg om het zeil ook vanaf het plafond op de lambrisering te laten aansluiten. Heel de kamer is goud ingepakt. Het heeft iets van een afhaalchinees. Hij zet zich af op mijn schouders en springt door de lucht in de koffer. Hij is verdwenen. Na wat gerommel steken er twee pakketten in de lucht. ‘Kunt u deze even aanpakken?’ Vervolgens zwaait hij een been over de kofferrand om eruit te klauteren. ‘Misschien wilt u dit pakket in elkaar zetten.’ Op een A4’tje legt een lachende Boeddha in vier stappen uit hoe van het pakket een behandeltafel te maken.
In de tussentijd heeft het jongetje een gouden kabinet in elkaar gezet met allerlei laatjes en deurtjes. Op het messing werkblad staan stomende glazen kolven en microscopen. Uit een van de kastjes pakt hij een wit stapeltje stof, waarop een grijze pruik en een snor liggen. De haardos zet hij op zijn hoofd, de snor plakt hij behoedzaam onder zijn neus. Hij trekt de witte jas aan, die over de grond sleept. ‘Zo ben ik wat geloofwaardiger, veel mensen denken dat ik nog een kind ben.’

‘Achternaam en geboortedatum, alstublieft.’ Zonderling 22 februari 1932. ‘Klopt, precies. Zoals u misschien heeft gemerkt, is er de laatste tijd iets aan u veranderd.’ Alles verkruimelt. We spelen doktertje, denk ik. Het jongetje krabt op zijn hoofd waardoor zijn grijze kapsel van links naar rechts beweegt. Hij drukt de snor nog een keer stevig aan.
‘Ik zal de behandeling even toelichten. Alles, dus ook een mens, is opgebouwd uit moleculen. Tussen de moleculen bevindt zich een eindeloze, kosmische leegte.’ Uit zijn witte jas haalt hij een röntgenfoto die hij openvouwt en voor mijn gezicht houdt. Op de foto is een lichaam te zien met allerlei verschillende stipjes, daartussen een zwart vacuüm. ‘Die vult zich met herinneringen, angsten, liefde ook. Met de jaren wordt dit universum steeds voller, tot de leegte helemaal is opgevuld en de moleculen uit elkaar gedreven worden. De orde is verstoord, valt uiteen. U wordt vergeetachtig of krijgt een andere ziekte. In de laatste fase komen de kindekes van Boeddha om de moleculen uit deze levenskluwen te redden. We recyclen ze om een nieuw mens, dier of wat dan ook te maken. Wedergeboorte noemen we dat.’ Hij stopt de foto weg.
‘Ik ga u eerst even desinfecteren.’ Hij pakt uit een van de laatjes een kommetje met een melkachtige substantie en een linnen doekje. Met zijn kleine handen priegelt hij de knoopjes van mijn overhemd los, hij moet op zijn tenen staan om erbij te kunnen. De knoop van mijn broek maak ik los, behoedzaam tilt hij mijn voeten uit de broek zodat ik niet struikel. Daar sta ik, in een witte onderbroek met urinevlek in een goud ingepakte kamer met een jongetje, dat zich een kindeke van Boeddha noemt. Met het lapje glijdt hij in cirkelende bewegingen over mijn huid, zorgt dat hij geen millimeter mist. ‘Dat deel mag u zelf even doen.’ Hij wijst met dichtgeknepen ogen op mijn navel, maar hij bedoelt vast mijn kruis.

‘Kunt u zelf gaan liggen?’ De behandeltafel is ijskoud. Het jongetje gespt gordels om mijn polsen en enkels. Op de riemen zitten dezelfde steentjes als op de ordner, maar ze fonkelen feller. ‘We doen dit alleen omdat het kan gaan kietelen. Anders slaat u mij misschien in mijn gezicht. Maakt u zich geen zorgen.’ Hij trekt de snor onder zijn neus vandaan – ‘au’ – waarmee hij over mijn voetzolen strijkt. Ik spartel. ‘Die zitten goed vast.’
Hij huppelt naar het kabinet. Uit een kastje haalt hij een paarse grammofoonplaat, laat de gouden naald op de zwarte, draaiende vlakte vallen. Er klinkt Boeddhistische wachtkamermuziek. Uit zo’n tissuedoos trekt hij twee roze plastic handschoentjes. Laat ze op z’n huid klappen. Hij glimlacht naar me. Zijn loepbril is afgewerkt met Swarovski steentjes, net twee fonkelende aureooltjes. ‘U hoeft niet bang te zijn, ik heb dit al vaker gedaan,’ zegt hij terwijl hij dichterbij komt met een gouden dienblaadje waarop pastelkleurige pincetten en Petrischaaltjes in verschillende groottes liggen.
Met een pincet begint hij aan mijn teen te plukken. Hij lijkt beet te hebben, bekijkt de vangst als een diamantair en legt haar dan op een van de schaaltjes. Er floept een herinnering uit mijn teen, uit het vacuüm. Ik zie mijn kleinkinderen die zonder schoenen de yogakamer betreden, ik ren ze achterna. Ze bespringen me: ‘Nu raken onze voeten de grond niet, opa Zonderling!’ Het gaat steeds sneller. Het jongetje beweegt zich alsof ik een afstandsbediening heb en de scène doorspoel. In wervelend tempo verdwijnen mijn tenen, benen, mijn armen. Ik kijk ernaar alsof het niet mijn eigen lijf is. Bij de romp gaat hij langzamer, alsof hij zich beter moet concentreren. Opnieuw een beeld, alsof het gisteren is. Olga en ik liggen naakt, verrimpeld, op het Tibetaans tapijt. Naast ons ligt een scan van haar hoofd. Witte stipjes in een zwart ovaal. Het kindeke rukt op naar mijn hartstreek. Nog langzamer, alsof het nu is. Mijn vader die met een koffer wegloopt en zich telkens bedenkt om te kijken, zijn hoofd telkens terug naar voren draait. Sirenes als achtergrondmuziek. Ik weet niet waar hij heen loopt. Wil hem volgen. ‘Gaat het nog wel?’ Het kindeke beweegt zich nog langzamer, veegt met zijn plastic handen de twee stroompjes van mijn gezicht weg. ‘Voor ik mijn pincet op uw tong zet, wilt u nog iets zeggen?’
‘Papa, ik ben het.’

Klik door naar de rest van de teksten die van studenten Woordkunst verschenen.

Studeer jij ook aan een schrijfopleiding en wil je graag werk naar ons insturen, dat kan door een mail te sturen naar myrna@denieuweoost.nl. Wie weet verschijnt jouw tekst op Notulen van het Onzichtbare.

Daan de Jager studeerde rechtsgeleerdheid en germanistiek in Utrecht en Wenen voor hij naar Antwerpen ging. Zijn Essay 'Verblasst die Strahlkraft?' verscheen in de Deutsche Chronik. Op de literaire vertaaldagen 2019 performde hij de laatste passage uit Thomas Bernhard’s roman Houthakken op het ritme van Ravel’s Bolero. Momenteel werkt hij aan een voorstelling naar het laatste deel van Thomas Bernhard’s autobiografie Een Kind, samen met celliste Katharina Gross. Deze zal in 2021 op de geboorteplek en geboortedag van de Oostenrijkse schrijver spelen tijdens het festival Heerlen ligt aan zee.