Plankton

Johan Roos - 28 oktober 2019

Vijf jaar geleden verschenen de vier eerste chapbooks bij Wintertuin Uitgeverij, lees waar deze schrijvers nu mee bezig zijn

 

Ya nadie me escribe | Johan Roos

¿Cuál es la última vez que recibió una carta?
Ya nadie me escribe.
¿Por qué?
Porque soy viejo y poco interesante.

In een aflevering van Brieven aan Andalusië zag ik laatst een fragment dat me enorm trof. De aflevering ging over het Franco-regime. Tussen alle pijnlijke vragen en gruwelijke verhalen, waarbij ik me als vanzelf schrap zette, was er een hele kleine overgangsscène. Daar dacht ik mijn verdediging even te kunnen laten zakken.

Stef Biemans zit op een bankje in het Spaanse stadje waar hij met zijn gezin naartoe gevlucht is. Er loopt een man langs: wandelstok, grijs haar onder een pet, gehoorapparaat, een blauwe trui met elleboogstukken.
‘¿Cuál es la última vez que recibió una carta?’ vraagt Stef. Wanneer heeft u voor het laatst een brief ontvangen?
‘Ya nadie me escribe,’ antwoordt de man. Niemand schrijft mij.
‘¿Por qué?’
‘Porque soy viejo y poco interesante.’ Ik kan niet goed verstaan of hij dit letterlijk zo zegt, of iets anders van gelijke strekking, maar de ondertiteling zegt ‘Omdat ik oud ben en oninteressant’.

Na mijn chapbook Hond Leeuw Zee ben ik proza gaan schrijven. Dat valt voor een fulltime-vader-met-een-vrijwel-fulltime-baan niet mee. Ik wil niet eens beginnen met nadenken over wie ik allemaal tegen de schenen schop als ik zeg dat poëzie zich uitstekend leent voor een hobby, maar dat proza keihard werken is. Daarom zeg ik het maar niet.

Er staan nieuwe schrijvers klaar. Ze wachten alleen nog op een podium. Zo eindigt Marjolein Visser haar bijdrage van vorige week. Ik ben niet een van die schrijvers. Ik vraag me wel eens af wat ik de wereld nog te melden heb.

Tegelijkertijd blijft het schrijven in me sluimeren. In een poging het weer vlot te trekken gaf ik mezelf laatst de opdracht te schrijven over iets dat ver bij me vandaan stond. Ik koos voor een tankstation. Omdat ik geen rijbewijs heb is dat bij uitstek een plek waar ik niets te zoeken heb.

‘Ya nadie me escribe.’ Binnen de kortste keren werd het tankstation een afgelegen pompstation – en het hoofdpersonage een wat solitaire man. ‘Viejo y poco interessante.’

Het verhaal staat nog in de steigers. Het bevindt zich in de fase dat ik nog niet weet of het iets wordt en, zo ja, wat precies – laat staan hoe groot. Hieronder een aantal fragmenten.

Plankton

(…)

          Een pompstation is net een paddestoel. Het meeste gebeurt onder de grond.

***

          Wij liggen aan de weg die de berg af slingert, naar het dorp in het dal. Je kunt ons vinden in de op zes na laatste haarspeldbocht.
          Niemand die ons daar verwacht.
          Bijna al het bezoek dat we hier krijgen is ongepland. Verdwaalde zielen, die in hun autootje de berg op tuffen. Of juist naar beneden – en dan de bocht uit vliegen.
          We ontvangen iedereen hier even gastvrij.

          Vraag me niet waarom ik het nog over wij heb.

***

          Natuurlijk heb ik mijn baard laten staan. Noem me één reden om me te scheren op een plek als deze. Hier laat je de natuur op zijn beloop.

          De natuur doet soms rare dingen.

          Neem nou die vetlaag op mijn lichaam. Vroeger was ik de dunste van de klas. Ik ben heel lang blijven denken dat het vet een soort jas was, extra bepakking, zoiets wat militairen dragen tijdens een oefening.
          Alsof ikzelf pas onder die laag zou beginnen. Bij mijn heupbotten. Mijn buikspieren.
          Totdat ik eindelijk begreep dat ik ook dat vet was. Geworden was.
          Dat ik inmiddels misschien wel meer dat vet was, dan al die botten en die spieren.

***

          Omdat ik nooit de moeite neem om ze goed aan te trekken, zijn de hielen van mijn espadrilles helemaal platgetrapt. Ik kan er zonder te bukken probleemloos instappen.

          Zo lost de natuur ook weer een boel voor je op.

***

          Dat dit een pompstation is, maakt van mij een pompbediende. Dat ben ik al veertig jaar. Mensen waarderen dat.
          Alles draait om service. Dat is veel meer dan zorgen dat alles op rolletjes loopt. Mensen maken hier geen pitstops – ze zijn te gast.
          Service heeft een sociaal aspect. Dat spreekt voor zich. Je moet contact maken, elke keer opnieuw. Daarna gun je elkaar vanzelf wat. Even olie peilen, even ruitenwisservloeistof bijvullen.

          Vriendelijk bedankt voor de fooi, mevrouw.

          Met die moderne auto’s gaat dat allemaal niet zo makkelijk meer. Ik was nog wel eens wat ruiten, maar daar blijft het bij. Gelukkig hebben we het restaurant nog.
          Of, nou ja, restaurant. Het keukentje en die ene tafel in de winkel. Die ene plek daar, die ik iedereen gun.

***

          Veertig jaar.

          Iets wat begint als een bijbaantje kan zomaar eindigen als een leven.

(…)

          Onze kleuren zijn geel en rood. Onvolledige verbranding. Overdag zie je ons nauwelijks schijnen, maar ‘s nachts is de berg gitzwartdonker. Vanuit het dal moeten we er dan uitzien als een zeer lokale bosbrand.
          Moderne tankstations hebben van die ultrasterke halogeenverlichting. Wij doen het nog met tl-buizen. Die zitten onder de kap gemonteerd en schijnen door het melkachtige plastic. Sommige zijn kapot. Andere zoemen en knipperen.
          Zo zijn we maar een klein baken. Klein is groot genoeg. Voor insecten, verdwaalde gasten en een enkele vaste klant.

***

          Van alle mensen op deze wereld ken ik Remy het langst. Samen zijn we dik geworden.

          Ik weet nog dat ik hier voor het eerst zat en hij langskwam met zijn tankwagen. Remy reed altijd de benzine.
          Voor de diesel kwamen anderen. Mannen met snorren en baarden en namen die ik in de loop van de jaren allemaal vergeten ben. Wat me van hen bijgebleven is, waren de paperassen. Alles moest vastgelegd en verantwoord op vettige papieren met het logo van de Moedermaatschappij, met pennen die het nooit meteen deden en handtekeningen die steeds verder afsleten.
          Remy had niet eens een handtekening.
          ‘Komt wel goed,’ zei hij altijd. ‘Nu eerst wat eten.’

          De eerste keer had hij speklappen bij zich, van de slager uit het dorp. Of ik die voor hem klaar kon maken in het keukentje van Albert, mijn voorganger.
          Terwijl de benzine de tank in liep stond ik met een koekenpan te hannesen. Ik besloot er aardappeltjes bij te bakken. Ik weet niet of dat een keuze was, maar als het er een was, dan was het misschien wel de belangrijkste keuze uit mijn leven.

          Of de op een na belangrijkste dan.

          ‘Dank je wel, Henri,’ zei Remy, toen hij weer in zijn cabine klom. ‘De volgende keer stoofvlees? Dat maakte Albert altijd.’
          Hij sloeg zijn deur dicht en draaide het raampje open.
          ‘En die aardappeltjes, die houden we op het menu.’

(…)

          …pssst, pssst, père Henri, ecoute…

          …hoor ons nou, we hebben helemaal geen stem, maar als u het benzinepistool heel voorzichtig tegen uw slaap, niet tegen uw oor, nee, tegen uw slaap, dan trillen we uit de diepte, dwars door het been van uw schedel, zo naar binnen, naar uw stembanden en vanaf daar naar uw baarmoeder, nee, die heeft u niet, uw maag, bij u gaat alles door de maag.

          En dan hebben we verhalen – des petites histoires, comme vous voulez. Verhalen maken van een zee vol doelloos plankton een tank vol benzine – essence. Daarmee kunt u naar het westen rijden, naar het noorden of het oosten. Of naar het zuiden, naar de zee.

          Waarom verkoopt u benzine en zit u zelf al jaren op dezelfde plek?

          Ja, we kennen uw antwoorden wel. Wij weten alles.
          Dat is een natuurwet, de onzekerheidsrelatie: hoe nauwkeuriger je de positie van de waarheid kent, des te ijler is je stem.
          En vice versa iets met holle vaten.

          Uw antwoord is: de wereld komt wel naar mij toe.
          Uw antwoord is: verhalen zijn mijn benzine. Verhalen brengen mij naar het westen. Naar het noorden, het oosten, het zuiden – à la mère, of nee, la mer, neemt u ons niet kwalijk.

          Maar hebt u zelf niets te vertellen?

          Uw antwoord is: het is beter om naar één verhaal te luisteren, dan er tien te vertellen.

          Maar hoe zit het dan met dat verhaal, waar u al die tijd al bovenop woont?

          Uw antwoord is: de tijd zal alle wonden helen.
          Uw antwoord is: de wal zal het schip wel keren.
          Uw antwoord is: après moi le déluge.

(…)

          Gabriëlle kwam uit het dal naar boven geklommen. Zonder auto. Ze had brandstof nodig, zei ze. Toen ik een kannetje voor haar had volgetankt bleef ze dralen.
          Ik heb aardappeltjes voor haar gebakken. Met stoofvlees, natuurlijk. Ze at, hongerig en zwijgend.
          Toen kwamen de verhalen.

          Ze zei dat ze overgebleven was, vroeg of dat ook voor mij gold.
          Ik heb gezegd dat ik gebleven was. Niet meer, niet minder.

          Gewoon gebleven.

***

          Tegenwoordig spreken ze van tankstations. Moderne, onbemande units, uitgerold over het hele land aan de andere kant van de berg.

          Wij zijn een pompstation. Pomp als in: pompen.
          Een handeling.
          Iets wat beneden is naar boven halen.

          Wij zijn geen tankstation. Dat verschil is wezenlijk. Al kan ik niet precies uitleggen waarom.
          Het heeft er mee te maken dat het woord tanken zich in de loop van de tijd heeft losgeweekt van wat er zich onder de grond afspeelt. Dat het ontworteld is geraakt.

          Pompen niet.

          Pompen is al die jaren steeds hetzelfde gebleven.

(…)

          …pssst, pssst, père Henri, ecoute…

          …une petite histoire pour vous…

          …un peu d’essence…

          …hoor ons nou, dit verhaal begint in het Carboon. Dat waren nog eens tijden, al zeggen we het zelf. Meer iets voor ons dan voor u. Te weinig stoofvlees in die tijd. Meer groente. De zee zat vol plankton en de lucht vol koolstofdioxide.
          Dioxide de carbone.
          Moerassen, veel moerassen ook. Planten die over elkaar heen buitelden in een gevecht om het licht. Want: wat leeft, dat wil naar boven. Ook al gaat het uiteindelijk allemaal weer dood.

          Wat dat betreft is er weinig veranderd.

          En wat doodgaat, gaat langzaam naar beneden. Bezinksel. Daar weten wij hier alles van. En u daarboven ook. Toch?
          En, geloof ons, beneden: daar is tijd. Daar blijven dingen liggen. Perm, Trias, Jura. Miljoenen jaren. Honderden miljoenen. Krijt, Holoceen.

          Maar toen, ver in het Holoceen, gebeurde er iets wezenlijks. Une Genèse. Een begin van iets nieuws. En niets is zo mooi als een nieuw begin, vindt u niet, père Henri?
          Uit het plankton ontstonden stemmen – uit de diepte van de zee, la mère, la mer, trilden ze omhoog. En uit die stemmen ontstonden woorden.

          Zoals: onder.
          En: druk.
          En: alles.
          En: vloeibaar.

          De stemmen brachten het bezinksel tot leven, simpelweg door het te noemen.
          De stemmen zeiden: Fossiele brandstof.

          Nu het leefde, wilde het weer naar boven.

          En de stemmen zeiden: raffinaderijen.
          En de stemmen zeiden: distributiesystemen.
          Ze zeiden: logistieke oplossingen.
          Verbrandingsmotoren.

          En zo eindigt dit verhaal zoals het begon.

          Dioxide de carbone.

(…)

          Bij Gabriëlle was het vet vooral op haar heupen gaan zitten. Als een rok. Eentje die je niet op kon tillen.
          Of tenminste bijna niet.
          ‘Ik wil twee kinderen,’ zei ze. ‘Een jongen en een meisje. Hoeveel kinderen wil jij?’
          Ik heb gezegd dat ik mezelf nog een kind voelde. Dat ik me afvroeg of dat ooit zou veranderen.

          Toen begon ze over namen.

(…)

          …pssst, pssst, père Henri, ecoute…

          …une petite question…

          …hoor ons nou, nog even maar, nee, tegen uw slaap, père Henri, niet tegen uw oor, we mogen u toch wel een vraag, een kleintje, daar hebben we, na al die tijd, ook al hebben we geen stem… daar hebben we naar al die tijd toch wel… nee, dat is niet aan ons, niet onze vraag, of we daar, of we hoe dan ook ergens recht op hebben. Maar, père Henri,

          als u aan ons denkt,

          hoe noemt u ons dan?

(…)

 

Chapbooks

Een belangrijke stap in de talentontwikkeltrajecten voor schrijvers die De Nieuwe Oost | Wintertuin biedt is het maken van een chapbook. Een chapbook is te vergelijken met wat een ep is voor een muzikant: een visitekaartje, een eerste proeve van het kunnen van de maker. Het is een kleine uitgave die de opmaat vormt voor een contract bij een landelijke uitgever. Daarnaast wordt het chapbook ingezet om de schrijver onder de aandacht te brengen van programmeurs en andere literaire professionals. Klik door naar de webshop voor alle reeds verschenen chapbooks.

Johan Roos schrijft software en poëzie. De code die hij schrijft is bedrijfsgeheim, maar van zijn gedichten heeft hij er een aantal gepubliceerd, onder andere in Op Ruwe Planken, Strak, Kutgitaar en Das Magazin. In 2014 verscheen zijn chapbook Hond Leeuw Zee. In deze dichtbundel stelt Johan de vraag: hoe ga je er mee om als in je eigen leven de ontrafeling zichtbaar begint te worden? Hij stond in de Turing Top 100 van 2016. Inmiddels richt Johan zich op proza en werkt hij aan een roman. (Foto door Gaby Jongenelen.)