Confrontaties

Simone Atangana Bekono - 14 september 2020

Op 17 september verschijnt de debuutroman van Wintertuinschrijver Simone Atangana Bekono, dit fragment is een voorpublicatie uit haar boek

 

Confrontaties

 
Fuck Frits. Serieus. Het ding is, ik weet heus wel dat ik niet lekker ben. Ik ben de eerste die die shit zal toegeven. Maar dit is wel een heel bizarre straf, heb ik besloten. Ik kan mezelf niet in bedwang houden.
           ‘Ik ga me godverdomme niet laten helpen door een of andere fucking racist,’ schreeuwde ik vanochtend tegen hem en Frits vroeg wat ik in godsnaam bedoelde.
           Ik ben niet altijd zo geweest, maar sinds vorige zomer, misschien al wel wat langer, is het chaos in mijn hoofd. Zoals met de wekker die Savanna na de eerste dag op mijn nachtkastje zette, hoop ik al een tijd dat het alarm afgaat en ik gewoon in een ander leven wakker word. Andere Salomé haalt tienen voor proefvertalingen Grieks, is op vakantie, speelt piano zonder bladmuziek, en ik ben in een heel vreemde, parallelle tijd terechtgekomen waarin ik tijdens therapie een perforator van Frits’ bureau pak en tegen het raam smijt. Het glas brak niet omdat ramen hier natuurlijk niet zomaar breken. Ik was zo kwaad dat het niet brak dat ik riep dat ik dood wilde. Ik word met de dag dramatischer. Het boeit toch niet.
           Ik denk alleen nog maar in wat mama, als Miriam en ik elkaar voor kankerditofdat uitschelden of het woord fucking gebruiken, ‘extreme termen’ noemt. Ik weet nog steeds niet wat me overkwam daarnet. De extreme termen vlogen uit mijn bek als kogels. Het is heel anders dan vroeger, wat ik voel. Het kondigt zichzelf niet aan.
           Frits belde de begeleiders via de telefoon op zijn bureau toen ik begon te schreeuwen en daarna kwam Geert aangerend met Marco. Ik weet niet meer precies wat ik deed maar ik stond daar al een tijdje voor Frits’ neus en schold en schold. Ik ben naar de perforator gelopen en heb ’m blijkbaar nog eens opgepakt en deze keer dreigde ik ’m naar Geert te gooien en toen heeft hij me samen met Marco tegen de grond gewerkt en in mijn kamer gegooid, deur op slot.
           Ik doe alles alleen nog maar in extreme termen. Mijn polsen en knieën doen door de lichamen van die twee grote mannen die op me drukten ook pijn in extreme termen.
           Nu moet ik hier blijven en mag ik niet naar buiten. Nou, dan niet. Net zoals dat Marissa het een goed idee vond om zichzelf tot aan haar gezicht vol tattoos te gooien maar duidelijk de slimste is van iedereen die hier rondloopt, zo ben ik gek maar heb ik toch geen ongelijk? Het kutste aan alleen op mijn kamer zitten is dat ik al mijn boeken al uit heb. Geen afleiding, alleen maar rotte shit in mijn hoofd.
           In gevangenisfilms liggen mannen altijd te creperen in isoleercellen die koud zijn en vies en waar allerlei onzin op de muren is geschreven. Hier zijn de muren gewoon wit en er is tl-licht en ik kan uit het raam kijken, maar leuk is het niet, een hele dag alleen. Ik ben het soort persoon dat stilvalt en gaat broeden, zegt mama altijd, een dikkop. Ik was een tijdje fan van Joseph Gordon-Levitt uit 3rd Rock from the Sun, en ik weet nog dat ik een keer, toen ik thuis aan het spijbelen was en mama en papa op hun werk waren, een film van hem downloadde, Manic. Daarin wordt hij naar een gekkenhuis gestuurd, geen gevangenis. De therapeut is een rustige man, geen realityster die Afrikanen uitlacht. Misschien dat dikkoppen als ze gaan puberen boos worden. Misschien dat er heel erg veel is in mijn leven om boos over te zijn. Als dat zo is, gaat dit niet per se weg.

___

Ik mag pas van mijn kamer af als we gaan avondeten. Er wordt gejoeld als ik binnenkom, door Marissa en Geraldine en Soraya, die volgende week vertrekt. Ik haal mijn schouders op en Marco zegt dat ze moeten ophouden, dat ik moet gaan zitten. Als we klaar zijn met eten en ik met Soraya sta af te wassen, zegt ze: ‘Fok die guy.’
           ‘Ja,’ zeg ik. Soraya heeft lang zwart haar tot aan haar billen. Ze is klein, wanneer ze me een bord aangeeft moet ze omhoog reiken.
           ‘Fuck al die modderfokkers hier op deze modderfokking kutplek,’ zegt ze. Ze schokt met haar schouders bij elk woord dat ze uitspreekt. Soraya zit hier in voorarrest. Ze gaan haar jeugd-tbs geven.
           ‘Vanavond even geen telefoontjes voor jou, Salomé,’ zegt Marco als ik naar de belruimte loop. Ik sta stil in de deuropening.
           ‘Wat dan?’
           ‘Morgen weer. Je mag even een sigaretje roken en dan wil ik dat je teruggaat naar je kamer.’
           Ik open mijn mond maar wat maakt het ook uit. Ik loop weer weg, Marissa zoeken. Die vind ik op de luchtplaats. Ze schudt haar hoofd als ik naar buiten kom en naast haar kom zitten.
           ‘Wat?’ vraag ik.
           ‘Je bent dom,’ zegt ze terwijl ze een cirkeltje blaast.
           Als ik weer op mijn kamer ben probeer ik te lezen, maar in plaats daarvan denk ik aan wat Marissa zei en wat Soraya zei en ik probeer te bedenken wat ik er zelf eigenlijk van vind maar het wordt me niet duidelijk. Ik kan me niet op mijn boek concentreren. In de gang klinkt gegil, één keer, en dan hard muziek uit een kamer. You’re beautiful, zingt iemand mee, ik denk Geraldine, You’re beautiful it’s true.

___

Het is vandaag officieel lente geworden. In mijn droom stond ik in de slaapkamer van mijn ouders. Papa zat op zijn knieën aan het hoofdeinde van het bed. Hij zweette terwijl hij fluisterend tot God bad. Het licht dat op hem viel en de zweetdruppels deed glinsteren herinnerde me aan de laatste keer dat ik hem had geholpen met het spinnen van visdraad over de spoel van zijn hengel. Dat was aan het einde van vorige zomer, aan de eettafel. In het gelige licht leek zijn zweet op gouden honing. De druppels sijpelden omlaag van zijn voorhoofd naar de huid op zijn wangen, waar ze bleven liggen. Toen zag ik mama. Ze zat aan het voeteneinde van het bed. Ze keek recht voor zich uit naar de muur. Haar haren had ze los. Het was lang, zo lang dat de haarpunten het dekbed raakten. Ze droeg een ouderwetse nachtjapon, zoals oma die droeg voor ze stierf.
           ‘Het spijt me,’ riep ik. Ik herhaalde het wel tien keer. Elke keer zei mama zonder me aan te kijken dat het oké was. Het was niet mijn schuld. Het waren precies de woorden die ik wilde horen, maar met elke keer dat ze het zei, merkte ik dat het niet genoeg was. Dat het niet zou veranderen wat ik had gedaan. Haar stem klonk blikkerig, alsof ze door een intercom sprak. En ik wist dat ze het bloed van het lijk dat in mijn slaapkamer lag konden ruiken. Ik kon het zelf ruiken. Ik werd er misselijk van en bracht mijn handen naar mijn gezicht. En toen zag ik dat ze rood waren, nat. Mijn knokkels vurig, kapot. Ik was naakt. Ik droeg een laag bloed.
           Sommige ochtenden word ik wakker met mijn vingertoppen tegen mijn hals gedrukt alsof ik een ketting probeer los te trekken. Vanochtend was dat ook zo. Ik had mijn nagels zo diep in mijn keel gezet dat er donkerrood bloed onder zat. Als ik aan mijn hals voel, brandt het.
           Ik ga naar het ontbijt en dan naar school en dan zit ik te wachten op mijn kamer en dan lunchen we en dan ga ik weer naar school en dan lucht ik, allemaal in een waas, alsof ik ergens voel dat iemand me elk moment heel erg kan gaan laten schrikken. De hele tijd heen en weer in die kromme gang.
           Vandaag is geen goeie dag. Ik heb behoefte om met iemand te praten. Echt te praten. Zoals met mama soms of met tante Céleste. In mijn eigen woorden en op mijn eigen manier. Maar daar moet je hier niet mee aankomen. En dat begrijp ik ook wel, maar dat betekent niet dat ik er geen behoefte aan heb en dat is kut.
           Op weg naar de groep passeer ik Frits. Hij heeft een dossier in zijn hand. Dat weet ik omdat het mapje dezelfde groene kleur heeft als het mijne.
           ‘Ik wil jou zo meteen spreken!’ roept hij als hij langs me loopt. Hij maakt een pistool van zijn duim en wijsvinger en schiet. Dan maakt hij een plofgeluid met zijn mond alsof hij me geraakt heeft.
           ‘Whatever,’ zeg ik, maar hij is al doorgelopen. Ik draai me om en steek allebei mijn middelvingers op naar zijn om de hoek verdwijnende rug, loop dan verder, schop met een voet de deur van de groep open en zie dat hij leeg is. Ik plof op de bank. Het begint te regenen. Ik leun met mijn ellebogen op mijn bovenbenen en zet mijn kin in mijn handpalmen. Ik voel me slecht. Ik voel me overal slecht over. Overal. Dat gedoe met die perforator. Hoe saai de lessen hier zijn. De zoete, walgelijke deodorant die de meiden hier dragen en die je overal ruikt, als het tenminste niet naar de zeilen vloer ruikt of naar zweet. En kanker, daar voel ik me ook slecht over. Alle soorten kanker.
           Het was aan het einde van vorig jaar, het einde van 2007, dat ik begreep dat je op een gegeven moment, als je weet hoe je moet kijken, precies kan zien wie eraan lijdt. Ik zag het toen ik met papa oliebollen ging halen in het dorp, ik zag het aan zijn huid. Het was een van de laatste dagen thuis waarin ik me moest voorbereiden op mijn tijd hier en het constante wachten in die periode, het gevoel dat ik absoluut stil moest zitten en alles met opperste concentratie moest bekijken voor ik weg zou gaan, zorgde ervoor dat ik het toen pas echt zag, papa’s kanker. Dat is een laag, een teint, dat heeft een geur, zit in je botten. Als je dat ziet kun je het niet meer negeren.
           Een van de eerste keren dat ik Frits sprak, vroeg hij of ik weleens huilde. Frits noemde me introvert. Hij noemde me ook onvoorspelbaar en explosief. Dat we daar iets aan moesten gaan doen. Maar ik wil hem niet in mijn hoofd. Ik ben niet zoals Marissa. Haar hoofd wordt alleen blij van slechte dingen, dat zegt ze zelf, daarom heeft ze hulp nodig. Ze is niet slecht maar ze neigt naar het slechte. Ik probeer mijn hoofd te beschermen zodat ik de puzzelstukjes van de afgelopen jaren bij elkaar kan leggen, maar Frits haalt ze met zijn doelstellingen steeds door elkaar.
           Ik schuif naar de linkerkant van de bank en zet de radio op het tafeltje ernaast aan. Het nieuws. Er zijn door overstromingen in Bolivia allemaal mensen overleden en in delen van Afrika heerst hersenvliesontsteking. Ik vraag me af wat mijn familie aan het doen is. Waarschijnlijk luisteren ze niet naar de radio. Mama is aan het werk. Miriam zit op school, of spijbelt en zit bij Carlita te blowen. Misschien kijkt papa het nieuws wel op tv, ziet hij beelden van mensen die op de daken van hun huizen zitten in de Andes terwijl de rivier hun banken en fornuizen meetrekt, of dokters in Burkina Faso die uitleggen dat ze nog onderzoeken of het gaat om een geval van vi-ra-le of pa-ra-si-tai-re men-in-gi-tis.
           Ashli en Feline komen de groep binnen en ploffen op de andere bank, zetten de tv aan. Luide stemmen verdrijven het nieuws op de radio. Ik sta op en loop naar mijn kamer. Ik ga op bed zitten en probeer te lezen, ook al zwemmen de letters op het papier.
           Als Frits me een halfuur later samen met Marco komt halen zeg ik dat hij de tyfus kan krijgen. Marco komt voor me staan en zegt dat ik niet zo stoer moet doen.
           ‘Je kunt niet met spullen naar medewerkers gooien en je kunt niet zelf gaan beslissen wanneer je wel en niet naar therapie gaat.’
           Frits staat met zijn armen over elkaar, zijn grijze paardenstaartje over zijn schouder, streng te kijken in de deuropening.
           Ik weiger, blijf ik zeggen, terwijl ik wegkijk van Marco, ik weiger, ik weiger, fuck dat.
           ‘Zo werkt het hier niet,’ zegt Frits. ‘Als je niet doet wat je gevraagd wordt, gaat dat consequenties hebben voor je bezoekrecht en je verlofprocedure en –’
           ‘Fuck you,’ zeg ik.

 

De zestienjarige Salomé Atabong zit vast in een jeugddetentiecentrum, omdat ze op een middag twee schoolgenoten ernstig heeft mishandeld. Ze probeert haar hoofd koel te houden tussen de andere meiden, irritante psychologen en treiterende begeleiders. Over een maand mag ze naar huis, waar alleen een gezin wacht dat al lang geleden uit elkaar is gevallen. En de anderen in het dorp. Wat zullen zij doen?

Confrontaties is de debuutroman van schrijver en dichter Simone Atangana Bekono. De roman verschijnt op donderdag 17 september en is onder andere verkrijgbaar via Lebowski Publishers.

Simone Atangana Bekono studeerde in 2016 af aan Creative Writing ArtEZ met een bundeling van gedichten en brieven getiteld hoe de eerste vonken zichtbaar waren, die in herdruk verscheen bij Wintertuin Uitgeverij in samenwerking met Lebowski Publishers. Simone trad op tijdens de Nacht van de Poëzie, het Wintertuinfestival, Read my World en Winternachten. Ze werd geselecteerd voor het Slow Writing Lab en voor CELA, een ontwikkeltraject voor schrijvers en vertalers in zes Europese landen. Ze leverde bijdragen aan Zwart en Hoe het voelt om van kleur te zijn. In 2018 werd hoe de eerste vonken zichtbaar waren bekroond met de Poëziedebuutprijs Aan Zee en nam Simone deel aan de Parijsresidentie van Vlaams-Nederlands Huis deBuren. In 2019 was Simone writer-in-residence van de Gentse Kunstinstelling Vooruit. In het najaar van 2020 verschijnt how the first sparks became visible bij The Emma Press. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die in september 2020 bij Lebowski Publishers zal verschijnen. Simone zit in een talentontwikkeltraject van De Nieuwe Oost | Wintertuin.