Aan de rand van een lichaam

Merel van Slobbe - 27 november 2019
Max Hermens

Max Hermens en Merel van Slobbe presenteren tijdens het Wintertuinfestival hun chapbooks en interviewen elkaar om beurten online

 

MAX: Hoe schrijf jij een gedicht? Heb je bepaalde trucs die je toepast als je vastloopt?

MEREL: Neil Gaiman zei in een interview dat hij zichzelf, als hij aan zijn bureau zit om te schrijven, toestemming geeft om niet te schrijven, maar dat hij zichzelf geen toestemming geeft om iets anders te doen: ‘You can sit here and write, or you can sit here and do nothing, but you can’t sit here and do anything else.’
Het is dus prima om niets te doen, je mag alleen niet iets anders gaan doen. En, zoals Neil Gaiman zei, ‘writing is actually more interesting than doing nothing after a while.’
Daar denk ik vaak aan als het schrijven even niet lukt. Toen ik begon met schrijven had ik het idee dat ik alleen kon schrijven als ik bijzonder geïnspireerd was, als ik het gevoel had dat er iets opgeschreven moest worden. Nu plan ik meestal gewoon tijd in om te schrijven, ook als ik niet geïnspireerd ben. Dan blijf ik wachten en vaak komt het dan toch wel. Schrijven laat zich veel beter plannen dan ik eerst dacht. En als het dan nog steeds niet lukt ga ik documentaires over vissen kijken of een Lord of the Rings-audioboek luisteren. Of ik denk aan mijn moeder, die kunstenaar is, en zei: het is belangrijk om af en toe kunst te maken die niemand mooi vindt.

 

MAX: Hoe was het om een gedicht te schrijven over World of Warcraft? Ervaar je barrières in het schrijven over het online bestaan? Hoe meng je deze wereld met die van een gedicht?

MEREL: Ik ervaar niet echt barrières in het schrijven over de online wereld. Ik vind het een leuk thema om over te schrijven, juist omdat de online wereld zo nadrukkelijk onderdeel is van de tijd waar we in leven.
Poëzie is een genre dat gemakkelijk pretentieus wordt, maar dit soort poëzie vind ik meestal minder interessant. Het gedicht over World of Warcraft is het enige liefdesgedicht in het chapbook: ik vind het leuk dat er een contrast is tussen een heel oud, redelijk traditioneel genre (het ‘liefdesgedicht’) en een moderne setting (Azeroth). Ik vind dit soort contrasten in poëzie fijn, poëzie die alleen maar sentimenteel is, of die alleen maar over grote thema’s gaat, wordt al snel saai. Wat dat betreft ben ik het eens met Hera Lindsay Bird, die zei: ‘I prefer poetry that allows room for ugliness and error.’ Of in ieder geval voor een beetje ongemak.

 

MAX: Aan de rand van een lichaam gaat onder andere over kijken/bekeken worden en (fluïditeit van) identiteit. Was dit thema meteen duidelijk toen je aan de bundel begon te schrijven of is het geleidelijk tot stand gekomen?

MEREL: Ik ben niet gaan schrijven met een concrete boodschap of stelling in mijn hoofd, maar ik wist wel dat ik iets met dit thema wilde doen. Veel van de teksten die ik schreef waren op de één of andere manier hieraan gerelateerd.
In die zin leek het schrijfproces op de manier waarop ik een los gedicht schrijf, dat begint meestal ook redelijk abstract. Als ik een gedicht begin denk ik niet: ‘Ik ga nu iets schrijven over het verschil tussen second-wave feminism en third-wave feminism en in de laatste alinea komt er een vergelijking met de cyclus van de seizoenen en de manier waarop de laatste sneeuw wegsmelt in maart.’ Ik vind het fijn als er tijdens het schrijven wat ruimte overblijft, maar ik heb altijd wel een idee, een kader.
Toen ik wat verder in het schrijfproces van het chapbook zat ben ik ook kritisch gaan kijken naar de selectie gedichten en hoe de losse gedichten zich tot elkaar en het thema verhielden: welke gedichten er nog geschreven moesten worden en welke gedichten ik weer wilde schrappen. Ik wilde wel dat het een geheel zou zijn, niet zomaar een losse verzameling gedichten.

 

MAX: Heb je voor deze bundel bepaalde schrijvers of filosofen als inspiratie gebruikt? Kun je er een of meerdere verklappen?

MEREL: Ja! Sommige van hen komen ook in het chapbook voor. Het motto is bijvoorbeeld afkomstig van Donna Haraway, een socioloog/filosoof die veel heeft geschreven over de verhouding van mensen tot machines/technologie, van natuur tot kunstmatigheid. Dit zijn thema’s die in mijn gedichten ook terugkomen. Timothy Morton, een filosoof die zich met soortgelijke thema’s bezig houdt, vind ik ook erg interessant.
Verder heb ik veel van de filosoof Patricia De Martelaere gelezen. Ik heb haar ook geciteerd in één van de gedichten, namelijk met de zin: ‘Dit is een warme planeet, ik ben alleen nog maar de oppervlakte waar de zon mij raakt.’ In het gedicht schrijf ik de zin toe aan Heidi Montag, een televisiester die bekend is van de MTV-realityshow The Hills (ik vind reality tv ook inspirerend).
In mijn chapbook staat een gedicht (‘Your dystopic creation doesn’t fear you’) dat over de kunstmatigheid van identiteit gaat. In dit gedicht staan fragmenten uit het filmscript van Frankenstein, ik vergelijk het creëren van een identiteit met de manier waarop Frankenstein zijn monster creëert, waar hij vervolgens al snel de controle over verliest. Dit gedicht is dus voor een deel gebaseerd op de roman Frankenstein, geschreven door Mary Shelley (die ook wel ‘the original goth queen’ wordt genoemd: ze schreef Frankenstein toen ze 18 jaar oud was, haar moeder was één van de eerste feministische schrijvers en het gerucht gaat dat ze, nadat haar echtgenoot op zee overleed, zijn verkalkte hart nog jaren met zich meedroeg – sowieso een inspirerende vrouw dus).
Andere schrijvers die ik erg leuk vind, en die me vast op één of andere manier hebben geïnspireerd, zijn (onder meer): Maggie Nelson, Maartje Wortel, Tonnus Oosterhoff, Chris Kraus, Charlotte Van den Broeck, Hera Lindsay Bird, Maarten van der Graaff, Peter Verhelst en Dominique de Groen.

 

Chapbooks

Tijdens het Wintertuinfestival in Doornroosje presenteren Max Hermens en Merel van Slobbe hun chapbooks! Maak tijdens De grote beloftes: chapbookpresentatie kennis met de meest veelbelovende schrijvers van dit moment. Klik door voor het interview met Max Hermens.
In de bundel Aan de rand van een lichaam brengt Merel van Slobbe poëzie en filosofie bij elkaar in een zoektocht naar online en offline identiteit. Ze experimenteert met zichtlijnen om te onderzoeken: hoe observeren wij, en hoe worden wij geobserveerd? Welke vormen kunnen wij aannemen? Wat blijft er over als we alle lagen van onszelf afpellen?
Een chapbook kun je vergelijken met wat een ep is voor een muzikant: een professioneel visitekaartje waarin het kunnen van de schrijver wordt getoond. Het maken van een chapbook is een belangrijke stap in onze ontwikkeltrajecten.

Merel van Slobbe schrijft proza en poëzie. Ze studeert filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, waar ze in 2016 campusdichter was. In 2017 won ze de Meander Dichtersprijs, en in 2018 nam ze de tweede prijs van de Turing Gedichtenwedstrijd in ontvangst. Merel is onderdeel van het dichterscollectief DichterBij, dat literaire avonden op verschillende locaties organiseert. Ze publiceerde in De Gids en De Revisor. Merel is maker bij De Nieuwe Oost | Wintertuin. (Foto door Nadine Ancher.)