Wat lees je, als je leest?

Marc van der Holst schrijft, dicht, tekent en maakt muziek. Zijn debuutbundel Pyjamadagen verscheen eind 2014 en werd genomineerd voor de Jo Peters Poëzieprijs 2016. In 2016 bracht hij met zijn band The Avonden de cd Nachtschade uit, dit jaar verscheen Wat een cirkel is. In april 2018 kwam bij uitgeverij Atlas Contact een tweede verzameling met kort proza in verhaal- en dichtvorm uit onder de titel Dembrandt. Wekelijks kun je zijn werk lezen in Marcs eigen rubriek in de Volkskrant en via de nieuwsbrief Vooral op dinsdagen (aanmelden kan via roos@denieuweoost.nl).

 

Wat lees je, als je leest?

Uw Secretaris van het Onzichtbare werd gevraagd enkele notulen rond het thema ‘Wat horen we, als we luisteren?’ te verzamelen. Luisteren, dacht hij, doe je naar de wind, vogelgezang of het slagwerk van Elvin Jones. Wat je hoorde was het ruisen van de wind, het zingen van de vogels en het slagwerk van Elvin Jones.

De laatste keer dat iemand had nagedacht voordat zij iets zei, dacht hij, moest ergens rond 1973 zijn geweest. Daarom las hij. Voornamelijk boeken van voor 1973, maar ook na die tijd waren er schrijvers geweest die hadden nagedacht voordat ze iets hadden opgeschreven. ‘Wat lees je, als je leest?’ vond hij een interessantere vraag.

Wat je leest, ben je zelf, dacht hij. Dat had vast iemand al eens eerder gedacht, maar wat betekende het? Hij wist het eigenlijk niet. Het antwoord dat de lezer even iemand anders kon zijn, leek hem iets te voor de hand liggend. Hij had niets tegen lezen als escapisme, hij had zelf ook in de huid van Robert Langdon de Da Vinci Code gekraakt.

Maar wat te denken van personages als de in het spiegelpaleis verdwaalde Ambrose, de dode vader in The Dead Father of de naamloze verteller van The Third Policeman? Werd de lezer in boeken als deze niet juist steeds gewezen op haar rol als lezer? En werden daar niet eerder pogingen ondernomen de codes van taal, literatuur, misschien zelfs het leven zelf te ontcijferen?

Misschien liet hij zich weer eens teveel meeslepen door zijn warrige ideeën over taal, literatuur, misschien zelfs het leven zelf …

Hij dook in eerdere notulen. Schrijvers lazen andere schrijvers, zag hij. Goede schrijvers, of schrijvers die goede schrijvers wilden worden, lazen andere goede schrijvers en werden zo misschien betere schrijvers omdat ze een beetje de schrijvers die ze gelezen hadden waren geworden … Er was nog veel meer om later nog eens over na te denken, maar voor nu besloot hij drie oude notulen nog eens voor het voetlicht te brengen.

Er leek geen eenduidig antwoord mogelijk. Misschien moest hij anderen er maar eens hun licht over laten schijnen. Hij had onlangs nog twee goede schrijvers, van ver na 1973, leren kennen. Asha Karami, die gedichten schreef waarvan hij niet goed begreep hoe en waarom ze ze schreef, maar waarvan hij wel begreep dat ze geschreven moesten worden. En Joost Oomen, die over een Brautigansiaanse fantasie leek te beschikken, hierop voortborduurde, hem zich eigen maakte. Wat lazen zij, als ze lazen? Wie waren zij?