Voor altijd ganzen

Nicole Kaandorp - 21 oktober 2019

In aanloop naar het Wintertuinfestival zetten vier schrijvers een norm op zijn kop door middel van speculatieve fictie

 

Voor altijd ganzen

Kutganzen. Marjolijn is alleen maar bezig met die ganzen. Ik wéét dat het nuttig onderzoek is. Dat ze het ook voor mij doet. Maar waarom deze specifieke ganzen? Waarom niet ganzen in het park, dichterbij? En waarom regent het altijd?
          De wind trekt aan mijn paraplu, ik wiebel op de fiets. Het grindpaadje kraakt onder mijn wielen. Kutnatuurgebied. Mijn knieën zijn nat. Het is koud, en ondertussen hoor ik de stem van mijn moeder in mijn hoofd: ‘Dat kán toch niet. Wat ga ik de rest vertellen?’
          Ik ben er bijna, scan de heuvel af naar Marjolijn. Mijn meisje. Daar, in haar grijze regenjas. Ze ligt op haar buik in het gras, door haar verrekijker te kijken. Ik zwaai mijn paraplu heen en weer om haar aandacht te trekken, maar ze kijkt natuurlijk mijn kant niet op. Ik fiets de heuvel op, tot het te stijl wordt en ik af moet stappen.
          ‘Hé liefie,’ zeg ik, gooi mijn fiets in het gras. Ze kijkt op, zwaait en noteert vlug nog iets. Daarna schuift ze de blocnote onder het matje waar ze op ligt, om het tegen de regen te beschermen.
          ‘Hé Bob!’
          ‘Marjolijn.’ Ze voelt als thuiskomen. Ik ben moe. Ze gaat rechtop zitten en schuift op, zodat er een plekje voor mij op het matje is. Onder mijn paraplu doet ze haar capuchon af en ik kus haar kin en zij mijn neus.
          ‘Alles oké? Ging het?’ vraagt ze. ‘Je klonk niet zo goed aan de telefoon.’
          Ik haal mijn schouders op. De regen tikt. ‘Hoe is het met de ganzen?’
          ‘Het is technisch gezien een eendensoort, hè? Ze heten wel nijlganzen, maar het zijn geen ganzen.’
          ‘Oké.’
          ‘Maar ja. Wil je ook even kijken?’ Ze draait de verrekijker naar me toe, ik ga over haar schoot heen liggen en kijk door de lens. Ze aait me met haar koude handen over mijn nek. Ik stel scherp en zie vier ganzen op de waterkant.
          ‘Welke zijn ons paartje?’ Ganzen blijven hun hele leven samen met één ander. Net als wij, net als Marjolijn en ik. En als de ganzen het doen, hoe onnatuurlijk kan het dan zijn? Dat de rest nou denkt dat je vijf liefjes nodig hebt om een compleet mens te zijn, betekent nog niet dat wij het fout hebben.
          ‘Die met de gele ring waar Y op staat is het vrouwtje, die met T is het mannetje. En wie is er nog meer?’
          ‘Rood met een 4, en nog een andere gele.’ De gans met de rode ring woelt met zijn snavel tussen zijn veren. Of haar veren? Ik kan het verschil niet zien.
          ‘Dat is een ander paar. Zie je hoe rustig ze bij elkaar staan allemaal? Dat doen ze alleen buiten het broedseizoen, anders worden ze agressief.’
          ‘Worden wij ook agressief als we kinderen hebben?’
          Marjolijn lacht, ik ga weer rechtop zitten.
          ‘Misschien,’ zegt ze, ‘als iemand anders ze probeert op te voeden.’
          ‘Mijn moeder zei dat het slecht zou zijn. Als onze kinderen alleen ons zouden hebben.’
          ‘Echt? Wat zei ze nog meer? Of wat zei jij? Wil je het vertellen, allemaal? Hoe het ging?’ Ze slaat een arm om me heen, haar regenjas is nat.
          ‘Vanaf het begin?’
          Ze knikt, en ik zeg: ‘Ze stond nog havermout voor iedereen op te scheppen. Voor het hele huis.’ Ik was erbij gaan staan in de keuken, keek hoe ze bakjes volschepte. Acht, negen, waren het er nog maar. Allemaal ouders, ik ben het enige kind dat nog thuis woont. Mijn moeder sneed een banaan, gaf kusjes aan de lepels van Yvonne en Kim. Soms houdt ze van hen het meest, soms van Tirza. Ze heeft zo haar periodes. Ik geloof dat Kim en Pascal mijn biologische ouders zijn. Ik heb zijn neus, haar smalle schouders. Maar ze waren niet zo met me bezig, ik paste meer bij mijn moeder. Daarom is het dus ook mijn moeder.
          ‘Mam,’ zei ik, ‘kunnen we praten?’
          Maar eerst moest ze de havermout brengen, ontbijt op bed, en ik stond daar in de keuken te wachten tot ze terugkwam en ik voelde me alsof er in mijn lichaam een flatgebouw gesloopt werd, en even dacht ik: ik loop weg en ik praat nooit meer tegen haar. Toen kwam ze terug en zette ze het koffieapparaat aan.
          ‘Nou, Bobje, wat is er?’
          ‘Ik hou van Marjolijn, hè?’
          ‘Ja.’
          ‘Maar ik denk dat ik alléén maar van Marjolijn hou. Ik denk dat ik alleen maar bij Marjolijn wil zijn.’ Het lampje op het koffiezetapparaat knipperde en ik praatte maar door: ‘En Marjolijn wil ook met niemand anders. En ik wil ook niet dat zij met iemand anders is.’
          ‘Bobje,’ zei mijn moeder. Ze legde haar hand op mijn schouder, ik zag wat grijze haren tussen haar krullen.
          ‘Ik snap het,’ zei ze. ‘Het is vast ook frustrerend dat je maar één liefje hebt.’
          ‘Nee, ik zeg dus…’
          ‘Je gaat ook nog studeren, schat, daar zijn vast allemaal mensen met dezelfde interesses.’
          ‘Mam.’
          ‘Waarom nodig je niet gewoon eens wat mensen uit? Wat leuke jongens?’
          ‘Nee. Mam. Ik hou alleen van Marjolijn.’
          ‘Oké. Nou,’ zei ze, ‘dat is heel fijn voor die Marjolijn.’ Ze pakte haar kopje koffie onder het apparaat vandaan.
          ‘Je snapt het niet, hè?’
          Ze haalde een lepeltje uit de la en roerde heel langzaam suiker door haar koffie, en daarna deed ze haar mond open maar ik was haar voor, en ik zéi het gewoon: ‘Ik ben monogaam, mam. Marjolijn en ik.’
          ‘Maar Bobje toch. Dat werkt toch niet?’
          ‘Ganzen doen het ook.’
          ‘Je bent toch geen gans, lieverd? Waar ga je dan wonen? In één huis met z’n tweeën? Hoe moet je dan stemmen over wat er gebeurt? En de was doen, de afwas, strijken, schoonmaken. Wij krijgen dat al amper voor elkaar met z’n achten, lieverd. En hoe ga je dan je kinderen opvoeden? Niet met z’n tweeën, toch? Zo’n kind moet toch een gezin om zich heen, straks raakt het helemaal sociaal ontwricht. Bob. Jongen.’
          Ze bleef maar roeren dus ik pakte de kop koffie uit haar handen en nam een slok. Het was heet, ik brandde mijn mond, deed alsof er niets was.
          ‘Marjolijn en ik hebben niemand nodig,’ zei ik, en ik vertelde over het onderzoek en de ganzen, dat die ook monogaam zijn. Dat ze het hartstikke goed doen samen. Dat hun hartslag zelfs rustiger wordt als hun partner er is en dat de kinderen die ze opvoeden het heel prima overleven. En dat Marjolijn daarover aan het schrijven was, dat haar onderzoek alles zou veranderen. Mijn moeder stond er maar bij, heel kalm, en ze keek naar me en zei: ‘Misschien moet je die Marjolijn niet meer zien, als ze niet wil dat je met anderen bent.’

Het is gestopt met regenen, maar we zitten nog steeds onder de paraplu.
          ‘Zei ze dat echt allemaal?’ vraagt Marjolijn, haar arm om me heen. Ik knik. Ik heb tijdens mijn verhaal wat schuimrubber van het matje afgepulkt, zit het in mijn hand te verkruimelen.
          ‘Wat klote.’
          ‘Ja.’
          ‘We kunnen wel ons eigen nestje bouwen, samen.’
          ‘Zoals de ganzen.’
          ‘Technisch gezien nog steeds eenden.’
          ‘Mag ik weer even kijken?’ vraag ik, en ik pak de verrekijker al. Het andere stel is weg, één gans zwemt en de ander staat op de kant, schudt de laatste regen van zich af.

 

Wintertuinfestival

Het thema van het Wintertuinfestival is gastvrijheid. Gastvrijheid vertrekt vanuit een gevoel van vanzelfsprekendheid. De vanzelfsprekendheid van een lege stoel aan de eettafel of een vrije kamer voor een onverwachte gast – of op die stoel wordt gezeten of in die kamer wordt geslapen is irrelevant; de ruimte is er. Aan de andere kant is er de vanzelfsprekendheid dat je er simpelweg mag zijn. Je hoeft niet te doen alsof je thuis bent, je bent thuis.
Gastvrijheid is een wisselwerking, een verbond dat gast en host aangaan met elkaar; de vanzelfsprekendheid komt voort uit een gedeelde verantwoordelijkheid voor het gesprek en een ongefundeerd vertrouwen in elkaar. Dit staat haaks op de heersende sociale normen, die de verantwoordelijkheid voor de discussie veelal bij de buitenstaander leggen en gesterkt worden door argwaan.
Met deze reeks zetten we verschillende normen op hun kop om zo dichter in de buurt te komen van wat gastvrijheid nu betekent, en hoe we daaraan kunnen bijdragen. Het idee voor de reeks kwam van oud-stagiaire Anneroos Broersma. Klik door voor de andere teksten.

Nicole Kaandorp schrijft en maakt dingen. Wat ze schrijft is te vinden bij onder andere De Optimist, Tijdschrift Ei, deFusie, en af en toe ook live op de podia van Mensen Zeggen Dingen, Notes of a Dirty Old Man, Mooie Woorden. De dingen die ze maakt zijn bijvoorbeeld borduurwerk op T-shirts, de theatershow Dek jij de lading even? samen met Gerson Main en Tijdelijke Toon, en één keer, bij een houtbewerkingscursus, een klein stoeltje.