zon

Ivar van der Velde  - 04 oktober 2021

NvhO krijgt regelmatig kopij toegestuurd, de beste inzendingen lees je in deze rubriek.

 
 
 
Onder de kale berken naast een moestuintje waar de overblijfmoeders altijd groentes uit plukten, zag ik tijdens de middagpauze voor het eerst een totale zonsverduistering. Een meisje gilde dat de duistere cirkel leek op het zwarte oog dat haar opa als souvenir uit Griekenland had meegenomen, met een bijsluiter waarop allerlei producten stonden opgesomd die de ontvanger tegen duistere krachten zouden beschermen. Ze vertelde dat de felle goudgele zonnerand onze ogen een laserbehandeling geeft waarbij verblindende complicaties niet konden worden uitgesloten.

Iedereen keek elkaar verbaasd en tegelijkertijd angstig aan om daarna in een reflex uit de brillendoos een kartonnen eclipsbril te pakken om het magische moment niet te missen. De hemel kleurde door de filterfolie nog onheilspellender, zuchtjes wind kropen onder de plooien van mijn trui. 

Op het moment dat de zon achter de maan schoof rinkelde de schoolbel. De pleinwachten riepen alle buitenspelende kinderen tot groep vijf naar binnen en beloofden de voetballende jongens een extra partij tegen het einde van de middag. Ik bewonderde liever de fanatieke zon die achter zijn tegenstander vandaan kroop maar teruggefloten werd door een hogere macht. James, een dikkig jongetje, probeerde op dezelfde wijze de wedstrijd te ontlopen, hij stond bewegingloos tegen het hek geplakt en leek wel in trance door de zonsverduistering. Ergens middenin het heelal kruiste onze bewondering, bekeken wij elkaar grondig als door een telescoop en verloor ik hem niet meer uit het oog.

Gelukkig had ik een klas kunnen overslaan en sprong ik dus naar de bovenbouw die een kwartier langer buiten mochten blijven. Elk jaar dat ik een stukje omhoog klom op de ladder leken we meer dingen te mogen en verbeterden de lokalen aanzienlijk. In groep vijf was er een splinternieuw digibord, een zonwering die tijdens hittegolven verkoeling bood. Terwijl de lagere klassen zich hadden omgekleed voor buitengym, liep ik rustig naar mijn nieuwe klaslokaal tegenover de lerarenkamer.

De zonwering was naar beneden gelaten maar door de naden straalde fel licht dat reflecteerde op een kaft in de boekenkast met daarop spaceshuttles, dwergplaneten en het ISS. Nieuwsgierig pakte ik een kruk uit de computerhoek en klom tot de bovenste plank, waar de boeken voor groep 6 lagen. Het was de eerste keer dat ik in aanraking kwam met ons sterrenstelsel, de werking van het heelal en niet te vergeten de miljoenen sterren waar mijn oma een van was; ik heb haar glans nooit ontdekt. De juffrouw zag mij gebiologeerd de kaft aftasten en zei opgewonden dat ik het boek wel even mocht lenen. Ik stak de buigzame bundel als een wrap tussen mijn drinkbeker en broodtrommel totdat ik het thuis onder mijn lakens verstopte.

’s Avonds taste ik onder het bed en schoof het boek uit een stoffen deken die samen met mij in de kamer sliep. In het weinige maanlicht begon ik te lezen maar vaak lukte het mij niet om de aan elkaar geklonterde letters te onderscheiden. Het was alsof de maan niet wilde dat ik de geheimen van zijn grote broer te weten kwam. Hij wilde zijn oogappel beschermen tegen onze nieuwsgierigheid; Armstrong had hem al op zijn knieën gekregen en vernederd door een Amerikaanse vlag in zijn hoofdhuid te steken. De zon kon dit allemaal bespaard blijven zolang we haar geheimen niet ontrafelden. Malend in bed spookten vragen als nachtmerries door mijn hoofd: welke goddelijke handen hadden de zon gekneed tot zo’n perfect gave bol? Waren zijn ouders op jonge leeftijd overleden in de Melkweg? Miste hij op zoveel lichtjaren afstand geen vrienden die een arm om zijn nek sloegen? 

Al snel brak de zon met wie ik steeds meer begon te praten naarmate ik besefte dat zonder hem Nederland bedekt zou zijn met meters sneeuw en de temperatuur zomers zelfs niet boven het vriespunt uit zou komen. Het contact met de maan verbrak ik door de kieren in het gordijn te dichten, hij was alleen op de raarste tijden beschikbaar en nooit fit genoeg om tot zonsopgang een gesprek te voeren. De zon werd mijn favoriete gesprekspartner: ze omsloot mij met haar warmte, tekende een vakantiekleur op mijn bleke huid zodat ik niet buiten de boot viel toen de juf iedereen na de zomervakantie ondervroeg of ze Nederland hadden verlaten, alsof ze wilde controleren wie op de eerste schooldag de hele klas durfde te bedriegen.

In het schemergebied tussen dromenland en IJmuiden lijken vakantieverhalen op zandkorrels die wegglippen door de spleten in je handen, ze zijn te pril om ze echt iets te verwijten. Daarom zien wij fantasieën door de vingers. Tijdens het nabespreken van onze zogenaamde reizen drong het tot mij door dat klasgenoten opvallend vaak klaagden over het weer, de temperatuur of de vroege opkomst van krokussen in hun achtertuin waardoor een gedeelte van de klimbomen met denkbeeldige linten door moeders waren afgezet.

De zon moest overuren maken om aan het verwachtingspatroon te voldoen, ze verliet zomers haast nooit haar kantoor om onder de horizon uit te rusten en dwong ons tot diep in de nacht baantjes te zwemmen in het zweet. Ik voelde medelijden en prikte fakkels in de berm van onze oprijlaan. Een vriendin kwam tijdens een zwemmiddag met het plan om geen zonnebrandcrème op onze huiden te smeren zodat het pigment sneller de ideale bruintint zou krijgen en de zon geen energie meer hoefde te verspillen aan ons. 

Het resultaat was de eerste jaren duidelijk zichtbaar, je kon in het najaar langer genieten van een behaaglijk temperatuur doordat de zon niet al haar kruit had verschoten. Maar in mijn studententijd fietste ik door de bloeiende weilanden waar een koele bries door mijn haren zwierde. In de verte glommen de hoge flatgebouwen van het stadscentrum, daar focuste ik me op en putte kracht uit elke trap die mij dichterbij het doel bracht. Op de helft van mijn fietstocht lag een ecoduct, altijd hoopte ik dat een nieuwsgierig hert op haar achterpoten boven de lemen wand naar beneden keek en mij recht in de ogen keek. De tunnel leek op een openstaande mond die warme stadslucht uitademde en sloeg als een walm in mijn gezicht. Mijn telefoon trilde op snikhete dagen constant: hitterecords werden verbroken, biologen schreven over het verdwijnen van bedreigde plantensoorten en in de oceaan zakten eilanden weg.  

Twintig jaar later werden de rampscenario’s opnieuw geschetst door een knarsende radiostem. James had een oude radio van zolder gepakt en geïnstalleerd in de tuin zodat hij tijdens mijn leesuurtje kon luisteren naar zondagmiddag gesprekken op NPO1. De interviewer besprak een geruchtmakende tv-masterclass van Prof. Deraedt aan de hand van citaten die de harde toon uit zijn betoog samenvatten. De prof beschreef de moeilijke relatie tussen gevoelige mensen en maanlicht, de schade die mijn zonnenvriend ongestoord toebrengt en waardoor uiteindelijk een onleefbare wereld zal ontstaan door de opwarming van de aarde. Ik klapte het astronomische boek waarin ik zat te lezen dicht, liep over de warme tegels naar het bijzettafeltje waarop de radio stond te spreken en klikte op de uitknop. Ik wil de zon herinneren als een lichtgevend mens met blonde haren, feloranje ogen en een hart van goud van wie ik vroeger leerde hoe het leven werkte, niet hoe zij veranderd is in een vijand die ons zomers met hittegolven aanvalt. 

Volgend jaar maart zou ze terugkeren en op de eerste lentedag laat ze takjes in het bos vanaf lichtjaren hoogte naar mij zwaaien. Op elke gezamenlijk herinnering laat ze haar licht schijnen, zoals op dat armbandje om een boompols en ik stuur James’ uitgestrekte wijsvinger naar de stam van een plataan waar iets zilverachtigs blinkt. Ik knoopte het dertig jaar geleden vast om de dunne pols van een net aangeplante boom. Het draad is met de stam opgerekt tot haar huidige vorm: knoestig, sterk en intimiderend voor een kettingzaag. Onze vriendschap heeft iets magisch, zoals het heelal: niemand ziet het, behalve wanneer je oog hebt voor detail en de kleine glinstering opmerkt. Het fijnste glimpje is als ik mijn ogen voorgoed sluit, God in zijn vingers knipt en een draaikolk mijn tere ziel omhoog trekt langs de zon. Dan zal ik net zoals de maan haar kussen, een blijk van eeuwige vriendschap. 
 


 
 

Wil jij ook kopij insturen? Dat kan door een mailtje te sturen naar nvho@wintertuin.nl. Dan wordt je tekst besproken in onze redactievergadering.

Ivar van der Velde (2004) woont en studeert in Groningen. Op de basisschool ontdekte hij een fascinatie voor proza, korte verhalen en gedichten. Hij publiceerde op vijftienjarige leeftijd in de Tirade en timmert sindsdien aan de weg met publicaties in tijdschriften als Liter, DIG en de Poëziekrant. Hij haalt zijn inspiratie uit het Groningse landschap, wereldreizen en een dikke stapel poëziebundels.