Wat je leest, ben je zelf

Marc van der Holst - 08 november 2018
Asha Karami, Joost Oomen, Max Hermens, Gerjon Gijsbers, Elke Decates

Wij vroegen Marc van der Holst zijn eigen Notulen samen te stellen

Uw Secretaris van het Onzichtbare werd gevraagd enkele notulen rond het thema ‘Wat horen we, als we luisteren?’ te verzamelen. Luisteren, dacht hij, doe je naar de wind, vogelgezang of het slagwerk van Elvin Jones. Wat je hoorde was het ruisen van de wind, het zingen van de vogels en het slagwerk van Elvin Jones.

De laatste keer dat iemand had nagedacht voordat zij iets zei, dacht hij, moest ergens rond 1973 zijn geweest. Daarom las hij. Voornamelijk boeken van voor 1973, maar ook na die tijd waren er schrijvers geweest die hadden nagedacht voordat ze iets hadden opgeschreven. ‘Wat lees je, als je leest?’ vond hij een interessantere vraag.

Wat je leest, ben je zelf, dacht hij. Dat had vast iemand al eens eerder gedacht, maar wat betekende het? Hij wist het eigenlijk niet. Het antwoord dat de lezer even iemand anders kon zijn, leek hem iets te voor de hand liggend. Hij had niets tegen lezen als escapisme, hij had zelf ook in de huid van Robert Langdon de Da Vinci Code gekraakt.

Maar wat te denken van personages als de in het spiegelpaleis verdwaalde Ambrose, de dode vader in The Dead Father of de naamloze verteller van The Third Policeman? Werd de lezer in boeken als deze niet juist steeds gewezen op haar rol als lezer? En werden daar niet eerder pogingen ondernomen de codes van taal, literatuur, misschien zelfs het leven zelf te ontcijferen?

Misschien liet hij zich weer eens teveel meeslepen door zijn warrige ideeën over taal, literatuur, misschien zelfs het leven zelf …

Hij dook in eerdere notulen. Schrijvers lazen andere schrijvers, zag hij. Goede schrijvers, of schrijvers die goede schrijvers wilden worden, lazen andere goede schrijvers en werden zo misschien betere schrijvers omdat ze een beetje de schrijvers die ze gelezen hadden waren geworden … Er was nog veel meer om later nog eens over na te denken, maar voor nu besloot hij drie oude notulen nog eens voor het voetlicht te brengen.

Er leek geen eenduidig antwoord mogelijk. Misschien moest hij anderen er maar eens hun licht over laten schijnen. Hij had onlangs nog twee goede schrijvers, van ver na 1973, leren kennen. Asha Karami, die gedichten schreef waarvan hij niet goed begreep hoe en waarom ze ze schreef, maar waarvan hij wel begreep dat ze geschreven moesten worden. En Joost Oomen, die over een Brautigansiaanse fantasie leek te beschikken, hierop voortborduurde, hem zich eigen maakte. Wat lazen zij, als ze lazen? Wie waren zij?

 

Asha Karami heeft eerder gedichten gepubliceerd in nY, Het Liegend Konijn, Poëziekrant, Terras en Revisor en online op Samplekanon, De Gids en Ooteoote. Ze mocht haar werk presenteren tijdens Vers van het Mes 2018 in Perdu Amsterdam. Momenteel werkt ze aan haar poëziedebuut dat zal verschijnen bij De Bezige Bij. Naast het schrijven werkt ze als arts. (Foto door Johan van Dijke.)

 

‘s nachts, met een jetlag in taipai, tender buttons laten vallen in zwavelrijk
onsenwater, het boek opgezwollen, blaadjes opgekruld, johan leest teksten van
buddha voor die oud en ziek werd zoals alle anderen

‘and further bhikkhus*, just as he sees a body, dead one two or three days swollen
blue and festering, thrown on to the cemeter, so he applies this perception to his
own body thus: verily, my own body, too, is of the same nature; such it will become
and will not escape it..
..there are in this body hair of the head, hair of the body, nails, teeth, skin, flesh,
sinews, bones, marrow, kidneys, heart, liver, midriff, spleen, lungs, intestines,
mesentery, stomach, fasces, bile, phlegm, pus, blood, sweat, fat, tears, grease, saliva,
nasal mucus, synovial fluid, urine.’
(uit what the buddha taught van walpola rahula
* bhikkhu = a Buddhist monk or devotee)

 

Wanhua (agitatie)

plannen, Eye Yikes.
in de spiegel een neef, speelgoed en peuter
rode tint voor een uurrace. verandering.
geen zoekopdracht. maar er is hoop
en deze vertaling kan niet
soms kan adem gebeuren
het is verbluffend en overtuigend.
ontworpen om een ​​stabiele vorm op zijn eigen schedel te hebben
genade en medicatie niet vertegenwoordigd
de kleurverandering kan erg klein zijn en kan verschillen
uitzending wil je voorbereiden.
een dieper ding is iets in de toekomst
gebrek aan vertrouwen in levenloze dingen, nog minder
in levende. het leidt soms tot schande of fysiek misbruik
als er geen vreugde is, is het minder dan anderen.
verbazingwekkend genoeg is het aantal volwassenen groter
de belangrijkste dingen gebeuren. dat is het probleem
het is in opkomst.
loop snel

 

Songshan (euforie)

aan het eind van de week stel ik mezelf helemaal uit de koers.
amusementsrecepten aangemoedigd
voor dranken en mengsels. speeksel vloeit
mijn wangen en longen in staat een nieuwere
meer adembenemende zuurstof in te ademen
welnu, ik ben de enige persoon die mezelf kan exploiteren door mezelf te leiden,
dus dit gevoel. ja, ik leef.
rouwende lach in het donkere metaal.
ik weet dat ik iets op deze aarde kan zeggen en erin kan geloven.
veel meisjes zijn als mannen. bij gebruik van vol volume en max
een oprechte wens om daarheen te gaan
vaak in de vorm van een doelpunt of zuigen op een sappige mango
de snelste vraag is gevaarlijk
kleurrijke houten boventoon.
‘de bonte mond’ d.w.z. dat je met iedereen moet babbelen.
antwoord als antwoord.
wat zijn jouw plannen dit weekend?
dans opnieuw

 

Ximending (antipathie)

inspiratieporno: kaviaar en keutels in de magnetron
kleur: anti-groen
of ozon
gevoelens, kuddes
zoals elektronica is alles onrechtvaardig
dit wordt een destructieve interventie genoemd.
soms komt de schade niet overeen met de toestand.
hetzij op de eerste dag. oproerpolitie op pre-event-evenementen.
voorbeeld: als je tiramisuijs op je snor krijgt ruikt het naar overgeefsel
of toeristische bestemmingen
de muren en de stekende steen zullen je korte vingers breken. ik kon het niet!
het was gewoon witte kwelling
net als de man die zijn mond opendeed
mensen kunnen geen criminelen worden genoemd, maar ze zijn lelijk
ongestrafte foltering leidt tot samenwerking met anderen.
de zon weigert, het water te hoog en de kip te hard
regels zijn regels en gaan nooit viraal
ik was dankbaar dat ik, toen ik thuiskwam, eenzaam was en alleen was
hey ga jij ook je bek spoelen en gezonder eten

 

Joost Oomen publiceerde de poëziebundels Vliegenierswonden en De stort en maakte de vinylsingle Joost Oomen. Joost is een begenadigd performer en trad onder andere op bij Crossing Border, Lowlands en het Gedichtenbal. Hij programmeerde voor de festivals Dichters in de Prinsentuin en Explore the North. In 2016 verscheen bij Wintertuin Uitgeverij zijn chapbook De zon als hij valt. Joost werd geselecteerd voor CELA, een ontwikkeltraject voor schrijvers en vertalers uit zes Europese landen. In 2018 nam hij deel aan de Parijsresidentie van Vlaams-Nederlands Huis deBuren. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman over een band die tijdens ieder optreden hun instrumenten in fruit ziet veranderen, en aan een derde dichtbundel. (Foto door Gaby Jongenelen.)

 

Dag Notaris,

Ik heb een gedicht voor je gemaakt. Het is een gedicht geworden om medelijden mee te oefenen, omdat ik denk dat medelijden de perfecte emotie is om ook daadwerkelijk diegene of datgene te worden waarover je in een tekst leest. Zo las ik bijvoorbeeld een keer een tekst over een meisje dat haar gigantische duim liet amputeren en dat vond ik zo zielig voor haar dat ik dacht dat ik zelf zielig was. Of ik voelde me in ieder geval zielig. In de hoop hiermee al uw vragen beantwoord te hebben, met vriendelijke groet,

Joost Oomen

Dieren en dingen in de regen

Een groep koeien staat naast elkaar
bij het hek van het weiland
samen
misschien wel zeventig in totaal
in de regen
Twee schapen, nat
in de regen
Een groot paard, een klein paard
een wit paard en een ezel
in de regen
Meer dan veertienduizend mieren
Onder en boven de grond, maar allemaal
in de regen
Dragen zij gloednieuwe parapluutjes?
Twee bruidegomachtige dassen, sigarettenrokend en
volledig ontspannen, in de buurt van een houtwal
in de regen
Boorplatformen op de Noordzee
die elkaar als walvissen
lange verklaringen van liefde zenden
Het is windstil
druppels maken deuken in lome golven
in de regen
De premier, alleen
op een glimmend Haags plein
Met voeten in loden sokken
in een donkergroene poncho
maar verkeerd om
zodat de capuchon voor zijn gezicht zit
armen onhandig wijd als in ‘help me’
Lieve Rutte, je hoeft niet meer efficiënt te zijn
De VVD bestaat niet, ontspan je maar
laat je blaas los
in de regen
Een lege stretcher in een appelboomgaard
in de regen
Een groepje dat de antwoorden van een prijsvraag
probeert te vinden
in de regen
Kerkgebouwen van tonnen baksteen
in de regen
Nagellakflesjes op de Veluwe in de regen
in de kleuren rood, paars en goud

Een klein meisje met een fietsenrekgebit
dat met haar gezicht naar beneden hoera zegt
in de regen
Voetballers die zweten
waarbij stukken gras aan hun kuiten blijven plakken
tegelijkertijd binnenvaartschepen die bergen
trouwringen en autovelgen vervoeren
rinkel rinkel en de doffe trappen tegen
een opgepompte bal die vliegt
tegen kletsnat net tot stilstand komt
in de regen, druppels, in de regen
Trouw met me in de regen
Kopjesgevende kat met nog één oog
in de regen
Zachte trui in de regen
Openstaande bus Nesquik
Dit is geen treurig gedicht, dit is een nat gedicht
De toppen van mijn vingers zijn helemaal rimpelig geworden
Ik bel naar Europa en
overtuig ze van een door hen gefinancierd afdak
over dit hele continent
Al het belastinggeld moet er worden ingestopt
een groot project van berkenhout en glas
en we zullen opdrogen
en we zullen gelukkig zijn
in de regen
in de regen
in de regen

 

Max Hermens is schrijver en literatuurwetenschapper. Zijn verhalen verschenen in Das Magazin en Op Ruwe Planken. Hij droeg onder andere voor op festival De Oversteek en het Wintertuinfestival. Als literatuurwetenschapper publiceerde hij over het werk van Joseph Conrad. Max zit in een talentontwikkeltraject van De Nieuwe Oost | Wintertuin. (Foto door Gaby Jongenelen.)

 

Hoe je aan Oorlog en Vrede begint | 14 december 2017

Van alle dikke boeken die moedig aangekocht worden maar ongelezen in de kast belanden is Oorlog en Vrede heer en meester. Er zijn oneindig veel redenen om niet aan Tolstojs loodzware epos te beginnen. In deze korte bespreking hoop ik de moedige lezer een handreiking te doen en hem aan te sporen de sprong toch te wagen.

Omdat er over een boek van meer dan duizend pagina’s ontzettend veel te zeggen is, concentreer ik mij op de opening. Deze eerste vijftien pagina’s gaan over een soiree. Dat is een soort negentiende-eeuws feestje: de adel komt na het eten bij elkaar op bezoek, ze drinken wijn, roddelen over elkaars families en bespreken de politiek. Daarnaast is de soiree een bekende negentiende-eeuwse romantruc. Stel dat je een dikke roman schrijft met veel personages, hoe introduceer je deze op een interessante manier? Ga je ze om beurten beschrijven? Of zet je ze in een kamer en laat je ze flink wat alcohol achterover slaan? Tolstoj kiest voor dat laatste.

Deze specifieke soiree speelt zich af aan de vooravond van de Napoleontische oorlogen; iedereen is druk in gesprek over de politieke ontwikkelingen van dat moment. Hieruit wordt ook meteen duidelijk waarom veel lezers vastlopen: op de eerste vier pagina’s vindt een gesprek plaats tussen een vorst en een hofdame, waarin naar tweeëntwintig (!) andere personages wordt verwezen. Sommige van deze personages hebben bovendien meerdere namen: Tsaar Alexander heet ook Zijne Doorluchtigheid, Zijne Hoogheid en Onze Heiland. Mijn advies: negeer die moeilijke namen, als Tolstoj je een personage wil laten onthouden, dan zorgt hij daar wel voor. De roman gaat natuurlijk niet over het feit dat Napoleon de hertog van Enghien ter dood veroordeelde, maar over wat de personages op de soiree daar van vinden en wat deze houding over hun eigen levens zegt.

Iets anders dat meteen opvalt is dat iedereen op de soiree Frans spreekt (uiteraard niet in de Nederlandse vertaling, maar er wordt veelvuldig naar verwezen). De adel in Rusland heeft geruime tijd Frans gesproken. Dat heeft een lange en ingewikkelde geschiedenis, maar het heeft er onder andere mee te maken dat het centrum van de macht in Rusland in het westen lag, nabij Europa, en dat de Russen zich als nauwe verwanten van Europa beschouwden – misschien nog niet als Europeanen, maar wel als hun familie, hun beschermheer.

Een goed voorbeeld is wanneer Andrej Bolkonski wordt gevraagd of hij aan de oorlog zal deelnemen. Andrej antwoordt met een uitgesproken Frans accent: ‘Le général Koutouzoff is zo vriendelijk geweest mij tot zijn adjudant [te maken].’ Het is een ogenschijnlijk simpel zinnetje, maar wat opvalt is dat de Russische vorst een Russische naam uitspreekt alsof hij zelf een Fransman is. Koutouzoff in plaats van Koetoezov. Het laat zien dat Andrej graag als elitair gezien wil worden, als een belangrijke vorst die in staat is buiten zijn eigen landsgrenzen te denken en handelen. Bovendien is deze manier van spreken een teken van zijn jeugdigheid: nog nooit heeft Andrej in een oorlog gevochten, het enige dat hij kan doen is het elitisme van zijn positie als rijke vorst onderstrepen. De oudere vorst Wasili Koeragin – een oorlogsveteraan die ook aanwezig is op de soiree – heeft er bijvoorbeeld geen problemen mee af en toe een schunnig Russisch mopje te vertellen; hij heeft zijn strepen verdiend.

Tolstoj zet deze tweespalt tussen het Frans en het Russisch vaker in om klasse- en identiteitskwesties aan te kaarten. Zo laat hij de figuren die graag pochen met hun rijkdom vaak vreselijk slecht Frans spreken, waardoor ze voor de kenner meteen overkomen als pretentieuze boerenpummels.

Taal is niet alleen belangrijk voor de personages in Oorlog en Vrede, het is ook een van de thema’s binnen de roman zelf. De roman gaat namelijk (onder andere) over het ontstaan van de Russische nationale identiteit. Tegenwoordig lijkt het misschien alsof deze altijd al bestaan heeft, maar het tegendeel is waar: Rusland was in het begin van de negentiende eeuw een groot tsarenrijk, waarvan de bevolking onderling weinig had dat hen verbond. Tolstoj argumenteert (en hij neemt er de ruimte voor…) dat er ergens tijdens de Napoleontische oorlogen – de oorlogen waarin Rusland vele malen ten strijde trekt tegen het Napoleontische Europa – een gewaarwording ontstaat bij een bepaald deel van de Russische bevolking. Een gewaarwording van hun anders-zijn, van hun niet-Europeesheid.

Natuurlijk is Oorlog en Vrede geen geschiedenisboek: het is een roman. Een roman die handelt over fictieve personages die zich bewegen tegen deze achtergrond van historische gebeurtenissen. Zelfs voor de hedendaagse lezer wordt het denken en handelen van deze personages begrijpelijk uiteengezet. (Je moet als lezer wel tegen christelijk-filosofische overpijnzingen kunnen; Tolstoj was een toegewijd christen en zo ook zijn hoofdpersonages.) Twee van die personages zijn aanwezig op de soiree: Pierre Bezoechov en Andrej Bolkonski. En tussen al die moeilijke discussies over de adel, de oorlog en Napoleon door, gaat de roman uiteindelijk over deze personages. (En over Natasja Rostov, maar die is er niet die avond.) Tolstoj brengt de geschiedenis niet alleen tot leven, maar maakt haar boven alles menselijk. De lezer leert de beperkingen van de personages kennen, hun kortzichtigheden, hij ziet hen kansen missen en leert hier de pijnlijke gevolgen van. Na de soiree, tijdens een afterparty (ja, die hadden ze toen al), worden Pierre en zijn vrienden zo dronken dat ze een beer aan een politieagent vastbinden en in de rivier werpen. Later heeft Pierre daar natuurlijk spijt van.

In Oorlog en Vrede laat Tolstoj als geen andere schrijver zien hoe het was om een levend mens te zijn, in een weliswaar vreemde tijd en plaats, maar met al de bijbehorende schoonheden en gebreken. Bovendien doet hij dit met personages die je – ongetwijfeld – altijd bij zullen blijven.

Nog niet overtuigd? Vormelijk gezien is Oorlog en Vrede de grote voorganger van Game of Thrones. Het omvat uitgebreide familiegeschiedenissen, een ontelbaar aantal personages en perspectieven, een tijdverloop van jaren, en (eindeloze) politieke discussies. En aangezien het laatste seizoen van Game of Thrones lang op zich laat wachten, wordt het deze kerst echt eens tijd zijn verre voorganger uit de kast te trekken.

 

Gerjon Gijsbers schrijft proza. Hij trad op tijdens onder andere de Zwarte Cross, Mañana Mañana en Lowlands. Gerjon schreef voor Propria Cures en HP/De Tijd. In 2015 verscheen een selectie van zijn radiocolumns onder de titel Ik keek naar boven en had geen idee bij Uitgeverij Fagus. In 2014 verscheen zijn chapbook Aan gort. In het najaar van 2017 verscheen de roman Scheuren in het canvas bij Uitgeverij Fagus. Gerjon geeft les aan ouderen in Het Verhalenhuis en werkt aan een roman over de katholieke beweging Focolare. Gerjon zit in een talentontwikkeltraject van De Nieuwe Oost | Wintertuin. (Foto door Gaby Jongenelen.)

 

Drie vragen uit Scheuren in het canvas | 2 november 2017

Scheuren in het canvas gaat over Gerjons demonische alter ego Luctor de Lamlendige, dat wanhopig op zoek is naar het onvindbare. Het schijnbaar onvindbare, want hij zoekt overal, behalve vlak voor zijn neus. Een al te bekend verschijnsel, daarom vroegen we drie aanstormende schrijvers [waaronder de Secretaris van dienst] te reageren op een vraag die hoofdpersonage Luctor stelt in het boek.

Stel je voor dat er in het ziekenhuis een katheter vol stront in je pisbuis wordt geplant,’ zei Vince. ‘Dan kun je net zo goed meteen de pijp aan Maarten geven.’
Welke Maarten? vroeg Luctor zich af. Dat mag Joost weten, dacht hij, maar welke Joost?
Ik natuurlijk! Joost Oomen! Maar welke Maarten? Sint Maarten! Want als ze ergens behoefte hebben aan een pijp, dan is het op een tropisch eiland in het Caraïbisch gebied. Een drainagepijp welteverstaan, om al die afgrijselijke rompslomp rondom orkanen en springtij in goede banen te leiden. Hoe beter de drainage, hoe minder de ellende. Dus hup Luctortje, die pijp naar Sint Maarten en we hebben het er niet meer over. Dat mag ik weten, want Joost weet het, en dat ben ik dus!
– Joost Oomen

Wat weegt zwaarder,’ vroeg Luctor ter afleiding aan de taxichauffeur, ‘een bad vol lood of een bad vol veren?’
‘Stil even,’ zei de taxichauffeur, ‘dit is mijn lievelingslied.’
Hij zette de radio zo hard dat Luctor de voering van de stoel voelde trillen. Het was een instrumentaal nummer met veel bastonen.
‘Is dit nou techno?’ vroeg Luctor.
De taxichauffeur zei niks.
– Marjolein Takman

Kun je het je voorstellen,’ vroeg hij, ‘dat een schilderij zoveel emotie bij je opwekt, woede, lust, schaamte, dat je geen andere optie ziet dan het met een stanleymes aan te vallen en te bewerken als een geliefde die je met een andere minnaar betrapt?’
Als er groen in het schilderij zit, zeker. Rood, geel en blauw zijn de enige kleuren, naast zwart en wit. Geel is expansief en verticaal, blauw is het tegenovergestelde van geel – zacht, terughoudend en horizontaal. Rood verenigt geel en blauw op een “innerlijke” manier, dit in tegenstelling tot hun mengkleur groen. Ik probeer de kleur groen zo veel mogelijk te vermijden, vanwege haar associaties met de natuur, en kijk zo min mogelijk uit het raam. Zit er groen in het schilderij?
– Marc van der Holst

Scheuren in het canvas verscheen bij Uitgeverij Fagus en is verkrijgbaar in de webshop van De Nieuwe Oost.

 

Elke Decates heeft tijdens haar bachelor (Algemene Cultuurwetenschappen) in Oslo gewoond en werd daar verliefd op het land, de kou en het werk van Knut Hamsun. Ze studeerde af (MA Literatuurwetenschap) op de rol die Hamsuns collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog speelt in de Nederlandse receptie van zijn werk. Elke is programmamaker bij De Nieuwe Oost | Wintertuin en werkt daarnaast als zzp’er in de culturele sector.

 

Het fragment

Een boekentip aan de hand van een fragment dat de lezer altijd is bijgebleven: Elke Decates bespreekt een fragment uit Honger (1890), van Knut Hamsun.

Het fragment

‘Opeens klikte ik een paar keer met mijn vingers en lachte. Verdomd. Verdomd! Ha! – Ik meende een nieuw woord gevonden te hebben. Ik ging rechtop in bed zitten en zei: het komt niet in de taal voor, ik heb het uitgevonden. Kuboå. Het heeft letters als een woord, goeie god, man, je hebt een woord uitgevonden…kuboå… het is van grote grammaticale waarde.
[…] Zwijgend pleegde ik overleg met mezelf. Via de wonderlijkste gedachtesprongen probeerde ik achter de betekenis van het nieuwe woord te komen. Het hoefde God noch Kermis te betekenen en wie had gezegd dat de betekenis dierententoonstelling was?’

Het geheel

Ik heb twee grote liefdes in mijn leven: literatuur en Noorwegen. Dat verenigt zich in het werk van Knut Hamsun. Ik ben fan en kan eigenlijk geen fragment kiezen. Want een van de belangrijkste redenen dat ik fan ben is dat zijn boeken vol zitten met opmerkelijke, waanzinnige vondsten waar ik soms nog dagen over na blijf denken. Maar als ik dan moet kiezen, dan moet het toch dit fragment zijn.

Honger gaat over honger en over niets anders. Er is geen plot, er gebeurt weinig en toch is het verhaal constant in beweging. Het is op geen enkel moment een saaie afschildering van het leed van het hoofdpersonage. We volgen een jonge schrijver die de winter van 1879-1880 onder erbarmelijke omstandigheden doorbrengt in Kristiania (Oslo). Hij moet schrijven om te kunnen eten, maar moet eten om te kunnen schrijven. De situatie is deprimerend, de mogelijkheid te sterven van de honger komt op momenten erg dichtbij, maar het wordt nooit melodramatisch of moraliserend. De jonge schrijver heeft zelfdestructieve neigingen, zo weigert hij eten en geeft hij geld weg, wat voor ironische en ook humoristische momenten zorgt. Honger zit vol donkere humor. Soms komt die humor voort uit de hypocrisie van het hoofdpersonage en op andere momenten komt de humor voort uit het absurde, het irrationele dat je doet lachen en tegelijkertijd doet huiveren.

Het bovenstaande fragment gaat nog bladzijdes zo verder. Het is een idiote, grillige scene, want een nieuw woord verzinnen kan natuurlijk niet zomaar en de overtuiging van het personage dat hij iets groots heeft bedacht is aandoenlijk. Toen ik het voor het eerst las moest ik grijnzen van bewondering voor Hamsun die steeds weer van die gekke vondsten heeft. Maar tegelijkertijd heeft het voor mij ook iets herkenbaars. Alhoewel ik nog nooit waanbeelden heb gehad van de honger, denk ik geregeld in vermoeide toestand briljante ideeën te hebben, die na een nachtje slapen toch heel wat minder briljant blijken. Het gevoel van extase om dat ‘briljante’ idee en hoe heerlijk het kan zijn je daar in te verliezen, is heel herkenbaar.

Dat een fragment origineel en absurd maar tegelijkertijd ook herkenbaar kan zijn, humoristisch en tegelijkertijd ook ontroerend, dat maakt dat het werk van Hamsun mij nooit verveelt. Hamsun wist als geen ander de diepte van de menselijke emotie vast te leggen (en de tegenstrijdigheid die daar vaak bij komt kijken), of het nu om honger lijden gaat of om liefde of om haat.

Wanneer Pippi Langkous op een ochtend haar ontbijt, slagroomtaart, naar binnen aan het werken is, schiet haar opeens een woord te binnen: ‘spunk’. Ze heeft geen idee wat het betekent maar kan wel bedenken wat het zou kunnen betekenen. Ze besluit op jacht te gaan naar de betekenis van spunk.

Honger 
was een van de favoriete boeken van Astrid Lindgren. Dat ‘spunk’ één op één geïnspireerd is op ‘kuboå’ is dan ook zeer aannemelijk. En alhoewel het een doodzonde is dat zo weinig mensen nog bekend zijn met Hamsun en zijn werk, is het een kleine troost dat zijn genialiteit doorleeft in het werk van anderen en beroemde scenes als die van Pippi Langkous en het woordje spunk.

Marc van der Holst schrijft, dicht, tekent en maakt muziek. Zijn debuutbundel Pyjamadagen verscheen eind 2014 en werd genomineerd voor de Jo Peters Poëzieprijs 2016. In 2016 bracht hij met zijn band The Avonden de cd Nachtschade uit, dit jaar verscheen Wat een cirkel is. In april 2018 kwam bij uitgeverij Atlas Contact een tweede verzameling met kort proza in verhaal- en dichtvorm uit onder de titel Dembrandt. Wekelijks kun je zijn werk lezen in Marcs eigen rubriek in de Volkskrant en via de nieuwsbrief Vooral op dinsdagen.